lnfiltratiepoging Sorong.
19 september 1961.
door Ruud Filon chef radiostation Sorong

 

 

Foto Ruud Filon feb 2006

 

Gedurende dit weekend lag TU 1, bestaande uit Hr.Ms. Utrecht, Hr.Ms. Piet Hein en Hr.Ms. Kortenaer op de rede van Sorong...
Maandag de 19 september zou dit smaldeel voor een vaartocht met genodigden en burgers, zee kiezen.
Hiervoor bestond veel belangstelling. Mijn echtgenote en ik waren voor deze unieke vaartocht uitgenodigd.
Zoonlief hadden we voor deze gelegenheid uitbesteed aan onze Ambonese buurvrouw, dit was haar wel toevertrouwd.

Zo kozen op maandag 19 september Hr.Ms. schepen van oorlog met ruim 200 genodigden aan boord het ruime sop. Wij bevonden ons aan boord van Hr.Ms Utrecht. Na een kort welkomstwoord van de commandant mochten zich de genodigden zich verspreiden over brug en G-dek om de verschillende vaar - en schietoefeningen van Task Unit one (TU 1) mee te maken.
Zelfs de onderzeebootraketwerpers kwamen in actie.
Laat in de middag nog een richtoefening op een Dakota van de MLD die terug kwam van een kampong verkenning in de Radja ampat.
Op de 1e platvoet koersten Hr.Ms. schepen wederom op Sorong aan waar in een tropische regenbui voor anker werd gegaan. Met een LCA van MARDET werden we naar de wal gebracht en in de gereedstaande combi's keerden we allen, tevredenen en dankbaar voor hetgeen de marine ons deze dag geboden had, naar huis terug.

Aan boord van Hr.Ms. Utrecht vermoedde ik al dat er in Sorong wat aan de hand was.
Dit vermoeden werd bevestigd toen ik na het avondeten nog "even naar boven" ging. Hier kreeg ik van de VO, die bezig was met het ontrafelen van een 5-delig geheim bericht, te horen dat er nabij Sorong infiltraties hadden plaats gevonden en dat de politie reeds onderweg was om hen op te sporen.

Een 30-tal infiltranten zouden zich in de omgeving van kilometerpaal 16, op de Klamonoweg, bevinden. Klamono ligt ongeveer 30 km ten zuiden van Sorong en in die tijd was de NNGPM nog steeds actief bezig met oliewinning.

Om een overzicht van de situatie te krijgen, moest ik alle berichten van die dag doornemen en dat waren er heel wat. Terwijl ik hiermee bezig was, werd mij door één van de KL officieren een pistool in de handen gegeven. Deze kon ik als persoonlijk wapen gebruiken. Uiteraard was me dit zeer welkom aangezien ons huis nogal afgelegen en aan de rand van de kotta ligt.

Het was ver na middernacht dat ik op mijn fiets stapte en in het pikkedonker, Sorong had nog geen straatverlichting, naar huis reed.
Ik had mijn echtgenote al gebeld niet op mij te wachten, maar naar bed te gaan.
Ik probeerde ongemerkt binnen te komen, maar ze sliep nog niet en bemerkte ondanks de duisternis dat ik iets "vreemds" met me meedroeg.
Ik heb haar in het kort van de situatie op de hoogte gesteld.
Ze reageerde gelukkig nogal nuchter en zei alleen maar gauw in bed te komen omdat het straks weer vroeg dag werd. De politie was paraat.
De gehele verdere nacht hoorden we de jeep langzaam op de Klamonoweg, een paar honders meter van ons huis, rijden.

Eerst dacht men dat de infiltranten slechts over handgranaten beschikten.
Dit werd agent van politie Carli noodlottig.
In de ochtend van de 19 september 1961 werd hij eerst gevangen genomen en daarna om het leven gebracht
Door het burgerlijk bestuur werd militaire bijstand gevraagd, toen aan het licht kwam dat de infiltranten goed bewapend waren.

In de ochtend van de 20e september rukte de Alfa cie.uit.
Bij het naderen van de 5 drie tons-trucks sloegen de infiltranten in paniek op de vlucht.
In samenwerking met politie en bevolking werden in de daarop volgende zoekacties verschillende infiltranten gevangen genomen.
Hun moreel en gevechtsbereidheid was zeer laag. Sommigen wisten zelfs niet om te gaan met de hun verstrekte handgranaten.
Twee van hen werden door een Ambonese inwoner van Sorong herkend en door de politie ingerekend.
Twee padvinders presteerden het om 2 infiltranten naar het politie bureau op Remoe te voeren.

De jacht op deze ongenode gasten vond zijn hoogtepunt, toen op maandag 23 september 1961 verbindingsmateriaal nabij de vuilnisbelt werd gevonden.
Op diezelfde dag vonden de commandant van de infiltratie-eenheid, een luitenant en een soldaat de dood, na een treffen met een gecombineerde patrouille van KL én politie.
De andere leden van de groep werden in de daarop volgende dagen successievelijk gevangen genomen.

Op 3 oktober 1961 werd de militaire bijstand beëindigd en kwamen we ook deze speldenprik, mede dank zij het niet agressief optreden der infiltranten, zonder verliezen door.

Ik moet er niet aan denken wanneer ze wel van hun wapens gebruik hadden gemaakt.
In een Nederlands dagblad stond dat er bloedige gevechten rond Sorong hadden plaatsgevonden.
Voorts dat mariniers en vliegtuigen van de MLD waren ingezet.

Afgezien van bovenvermelde acties, ging het leven hier zijn gewone gang.
De codeurs, de CT 1 Harrems en de CT 2 ZM Dieterman, hadden het in deze periode bijzonder slecht.
Door de toevloed van confi-berichten, liepen ze één op één af.
Daarentegen hadden de telegrafisten het "beter" omdat de operaties zich in Sorong afspeelden, waardoor de Cie. telegrafisten ter beschikking bleven voor het radiostation.

"Minimize" was niet van kracht, de september berichtgrafiek laat dan ook een scherpe piek zien.

De maand november verliep voor ons zeer rustig.
Evenwel niet voor Biak, waar de gezamenlijke strijdkrachten 10 dagen lang aan het oefenen waren.
Zo verliep het jaar 1961.
Een jaar waarin veel geoefend werd om straks wanneer het nodig is gereed te zijn voor onze eigenlijke taak, de verdediging van Nederlands Nieuw Guinea..

Behalve de september infiltratie is het verder wat Sorong betreft, in 1961 rustig gebleven.
Tegen het einde van 1961 verbeterde de KL personeelssterkte zo zelfs dat de2 TLG'n uit Fak-Fak en Merauke naar hun respectievelijke Cie'n teruggestuurd konden worden.
We hadden nog steeds 1 codeur te kort. Reden om uit het KL-bestand een mannetje op te Ieiden tot codeur. Soldaat v.d. Burg, later bevorderd tot KPL ontpopte zich als een ijverig, leergierig en bekwaam codeur.
Na enige tijd mocht hij zelfstandig de wacht lopen. Zodoende verlichting brengend in de 2 divisie-wacht die Harrems en Dieterman sinds september infiltratie liepen.

Zoals eerder vermeld, medio februari 1962 werd nieuw uitgezonden personeel van uit Nederland bij de STAFVZGCIE geplaatst, waardoor een vaste kern van KL-telegrafisten op het radiostation bleef en geen patrouilles liep. Voorwaar een zeer grote vooruitgang. Eindelijk!

Het MARDET moest echter een veer laten. De VO, de LTZ C. Brugman, werd op 6 januari 1962 naar Hollandia overgeplaatst en voorlopig was er geen plaatsvervanger beschikbaar.
Wij allen zagen meneer Brugman ongaarne vertrekken. In het jaar dat we met hem samenwerkten, was een zeer goede verstandhouding gegroeid en door zijn bemiddeling veel tot stand gebracht op het gebied van de personeelszorg en huishoudelijke dienst.

Juist in deze spannende tijd moest het radiostation ook nog de code werkzaamheden van de VO erbij nemen.
Waar het station toch al overbelast was, viel het niet mee deze tijdelijke job naar behoren te vervullen, maar gezamenlijk kwamen we ook deze periode door.

Intussen was de politieke situatie in Nederland zodanig verbeterd, dat er versterking kwam.
De verbindingsdienst werd deze keer zowaar niet vergeten, er kwam heel wat uit de bus rollen.

Op 11 april 1962 arriveerde de nieuwe VO LTZ 2 OC Monnee. Met hem kwam LTZSD 3 KMR J.H.M. Kamp, 3 echte marine-codeurs en later korporaal codeur P.Bakker en 3 marine-telegrafisten.
De KL bleef niet achter en stuurde uit Ede, de bakermat van de verbindingstroepen, de SMJR Visser, 4 telegrafisten en 3 vercijferaars, hierdoor de sterkte van het radiostation brengend op 32 man.

Nu kon eindelijk overgegaan worden op 4 divisie wacht.
De chef van de wacht zat niet meer achter een ontvanger/seinsleutel, hij kon nu zijn controlerende en corrigerende taak naar behoren uitvoeren.
Kortom met de versterking uit Nederland was het personeelsprobleem radicaal opgelost.

Meneer Monnee beleefde een kortstondige diensttijd in Sorong.
Op 28 april 1962, werd hij naar Hr.Ms.Evertsen overgeplaatst.
Met de LTZ 2 OC D.C.J.Bakker, komende van Hr.Ms. Utrecht die de opengevallen plaats innam, was samenwerking ook van korte duur.
Op 30 mei 1962 ging meneer Bakker naar Hollanda.
Sindsdien heeft meneer Kamp in het Sorongse de functie van VO vervuld.

Op 17 mei 1962 vonden in de omgeving van Klamono opnieuw luchtlandingen plaats.
Een groep van 15 parachutisten werd bij Maladofok door een peloton van de F.cie, onder commando van de ELT Van Nassau, direct onschadelijk gemaakt.
Van de zijde van de bevolking kwamen later opnieuw meldingen door, van een parabivak op een heuvel in de buurt van Klamono.
De F.cie (minus) onder commando van kapitein v.d. Linden ging op mars om samen met de patrouille van de luitenant Van Nassau, dit bivak op te sporen.
Om dat doel te bereiken moesten onze jongens, meest dienstplichtigen, zich een weg door de bush kappen.

Door de aanhoudende regens, waardoor ze tot aan hun knieën door de "Ioempoer" liepen en het moeilijk begaanbare terrein, zodat bevoorrading vanuit de lucht moest plaatsvinden, was deze opsporingsactie bepaald geen gemakkelijke opgave.
Gedurende de operatie werd 3x voeding gedropt.
Bij de eerste dropping werd op uitdrukkelijk verzoek van de luitenant vlieger van de KLU gebruik gemaakt van de Air Traflic Control (ATC) frequentie.
Dit is een openbare burger frequentie.
Dit kan natuurlijk niet werken gedurende een militaire operatie.

Ik wist de KLU-telegrafist te overtuigen gebruik te maken van de frequentie die voor deze droppings bestemd was. De patrouilles werden per SVC in kennis gesteld van deze verandering. Zij begrepen het direct en de daarop volgende droppings werden correct uitgevoerd.

Ondanks de slechte weersomstandigheden wisten de patrouilles het parabivak op te sporen.
Helaas sneuvelde soldaat Bos tijdens deze aanval.
Zijn stoffelijk overschot werd per helikopter naar Sorong overgebracht en de andere dag, onder overweldigende belangstelling van de strijdkrachten en de Papoea-bevolking , ter aarde besteld.

Door dit treffen was de groep infiltranten uit elkaar geslagen en in de bush zou het zeer moeilijk zijn hen weer op te sporen.
Het basiskamp werd nu naar Klamono verplaatst en van daar uit patrouille gelopen.

In de nacht van 15 op 16 juni 1962 kwam het kampong hoofd van het dorpje Mariat naar de kazerne gelopen om te melden dat er in een huisje ongeveer 5 km ten noorden van de leprozerie, zich een groepje infiltranten had verscholen.
Onmiddellijk werd een peloton van de E.cie gevechtsgereed gemaakt.
Op mijn kamer ging om half 5 in de ochtend de telefoon. Het was n.l. regel dat ik persoonlijk de tactische code-middelen aan de KL-telegrafist overhandigde en een laatste briefing gaf.
In dit geval was het aan de SLD Koenen.

Even na vijf uur in de ochtend zag ik de colonne jeeps in het flauwe maanlicht de kazerne poort uitrijden, niet vermoedend dat een paar uur later opnieuw 2 doden aan onze zijde zouden vallen.

Drie uren later hadden we verbinding met 2XE (patrouille Mariat), met een dringend bericht.
In korte zakelijke bewoordingen stond hierin dat er 2 zwaargewonden waren en gevraagd werd om een helikopter voor afvoer.
Telefoons stonden nu roodgloeiend.
De enige beschikbare helikopter was op dat moment niet aanwezig.
Zodoende moest een jeep met arts worden gestuurd.
Een uur later kwam het bericht binnen dat de 2 zwaargewonden waren overleden.

Soldaat Koenen vertelde mij later dat de infiltranten inderdaad in het huisje zaten.
Deze werd omsingeld waarna de CSM, de SMJR Kok, een handgranaat naar binnen gooide.
Ongelukkig genoeg viel deze handgranaat door de gammele vloer en ontplofte hieronder.
Daardoor waren niet alle infiltranten direct uitgeschakeld.
Ze renden naar buiten, werden neergelegd door het vuur van de in stelling liggende soldaten, doch twee van de infiltranten liepen al vurend met hun automatische wapens recht op het brenvuur in.
De soldaat Victor.A. Pouw en KPL Leo.F. Phijl werden door het vijandelijke vuur dodelijk verwond, maar zagen nog kans ook hun belagers te verwonden.

Zij (de belagers) ontkwamen en verdwenen in de bush en presteerden het om de bren mee te nemen!.
Dit was uitstel van executie. Enige weken later werden hun ontzielde en geheel vergane lichamen in de bush door en KL-patrouille gevonden.

SLD Koenen lag op ongeveer 20 meter aan de goede kant van het strijdtoneel, met zijn Angry nine, in een greppel. Met zijn sprietantenne kreeg hij direct verbinding met Sorong. De afstand was hemelsbreed 20 km.

Na deze actie werd door het peloton gedurende enige dagen het gebied rond Sorong uitgekamd, waardoor de nog resterende para´s steeds opgejaagd werden en geen rust werd gegund.
Het einde kwam toen een jeeppatrouille, met mede inzittenden de aalmoezenier en de dominee, op de Klamonoweg het groepje parachutisten tegenkwam, zwaaiend met een witte vlag.
Gevankelijk werden deze laatste para´s afgevoerd en zo keerde de rust in het Sorongse weer terug.

Mijn gezin en die van Jaap Levering keerden begin mei 1962 reeds naar Nederland terug.
We namen het zekere voor het onzekere.
Berichten wezen er op dat Indonesië het niet bij deze infiltraties zou laten.
Grotere operaties waren in voorbereiding. De KL-gezinnen moesten half juli toch Nieuw Guinea verlaten.
Ze kregen maar een week de tijd om hun spullen te pakken.
Ik weet het nog goed, het was op een zondagochtend toen bekend werd dat, gezien op de onzekere situatie, ook alle gezinnen van de KL weg moesten.

Wat was ik blij dat mijn echtgenote en zoon al hoog en droog in Nederland waren.