De afgelopen decennia zijn duizenden Nederlandse militairen uitgezonden naar het buitenland.

Vlak na de Tweede Wereldoorlog naar Nederlands -Indië, in de vijftiger jaren naar Korea, in de zestiger jaren naar Nieuw Guinea, in de jaren tachtig naar Libanon en later naar het voormalig Joegoslavië, kosovo, Irak en Afghanistan.

De aanwezigheid van deze militairen diende vaak een doel: het bewaren van de vrede onder de VN-vlag.

Tijdens en na hun terugkomst werden deze militairen bejubeld en bekritiseerd, geëerd en verguisd.

Soms werden zij door het thuisfront bestempeld als " vakantiesoldaten"; zij gingen per slot van rekening vaak naar warme en exotische landen waar het beter toeven zou zijn dan in ons koude kikkerland.
   

 
             

De Grimmige waarheid van de waanzin

Van de Vlugt zat in kleermakerszit achter een kaarsje op de grond. Hij poetste zijn geweer, dat hij uit elkaar gehaald had en waarvan de onderdelen op zijn bovenbeen had neergelegd. Zijn gezicht was bezweet en enkele druppels zweet glinsterden als kleine diamantjes op de stoppels van zijn kaak door de gloed van zijn sigaret. Deze achteloos aan zijn lip geplakt, bewoog heen en weer op het ritme van zijn ademhaling.

“Lukt het?” vroeg ik.

Van der Vlugt keek op. Hij kneep een oog dicht. Er viel een stuk as van zijn sigaret op zijn wapen. OP de schoongemaakte en ingevette loop smolt dit onmiddellijk tot een niet meer te blazen smurrie. Van de Vlugt keek ernaar en vloekte.

“Verdomme” mopperde hij en smeerde de as door de wapen olie over de loop.

“Hoe gaat het verders met je. Ben je nog een beetje blij?” vervolgde ik.

“Huhm, het gaat wel”, antwoordde de soldaat. “ nog een paar maanden hé, en dan gaan we terug. Ik heb wel zin om terug te gaan hoor, Ik heb alleen het gevoel dat die paar maanden hier een paar jaren duren. Ik heb trouwens ook het gevoel dat ik altijd al ben geweest, gewoon niets anders, Heb jij dat niet, dat idee dat er niets anders is in je leven?”

“Ja, dat heb ik ook “ zei ik. “ de tijd van vroeger met familie en vrienden, de dag dat ik van school af ging, het is allemaal zo onvoorstelbaar ver weg. Het lijkt wel of dat er nooit is geweest, Hoe zou dat komen?”

“Geen idee” antwoordde Van der Vlugt, “ maar als dat normaal is in het leven, als het altijd zo gaat als we straks werken of getrouwd zijn, dan heb ik weinig zin in het leven hoor.”

“Je gaat jezelf toch niet voor je kop schieten?” , vroeg ik hem geschrokken.

Van der Vlugt ontkende niet meteen. Het beangstigde me. Het licht van de wapperende kaarsvlam speelde over zijn gezicht. De peuk op zijn lippen was gedoofd. Ik keek hem streng aan. De schaduw van zijn neus bewoog over zijn wangen. Ik pakte zijn arm beet en kneep.

“Nou antwoord eens.”

“Tja, ik weet het niet”, zei Van der Vlugt traag, “ Je bent wel meteen van een hoop gezeik af. Wat heeft het nou allemaal voor zin dan? Ik bedoel, ik doe mijn best hier, ik heb nauwelijks te eten of te drinken. Als ik kan eten, is het een homp oud brood of opgewarmd eten uit blik en het water dat ik op patrouille drink ik uit mijn laars. Ik marcheer tot het bloed uit me laarzen loopt en ik tuur over het land tot ik een ons weeg en ze schieten ook nog op me. Ik ben veranderd Ron. Ik schrik overal van en ik ben intolerant geworden. Ik kan niets meer hebben van andere mensen en nou heb ik ook nog een shitbrief van mijn vriendin gehad en zij heeft het uitgemaakt . Wat moet ik nou straks? Ik weet het echt niet meer hoor”

De schoongemaakte, ingeoliede loop van zijn FAL viel van zijn bovenbeen af, Het zand van de grond plakte er onmiddellijk aan vast.

“Godvergodverde”, mopperde Van der Vlugt.”Kut kut!”

“Doe maar lekker rustig aan “, zei ik hem. “En vooral niet zo stom denken, ja?”

“Oké” antwoordde hij. De peuk liet los van zijn lip en viel op de grond.

“Ik ga even naar het aggregaat kijken “ zei ik. Ik gaf hem een kameraadschappelijke klap op zijn schouder en stond op.

Van der Vlugt pakte mijn laars vast.

“Ron” zei hij, “ Ik wil je nog wat zeggen eigenlijk”. Ik voelde hoe sterk zijn greep op mijn laars was, de druk op mijn scheenbeen. Ik zag hoe zijn ogen groot, wild en onrustig werden, Het leek wel een zee van tranen die ophoopte achter zijn netvlies, maar door een onzichtbare muur werden tegengehouden. De tranen waren er niet, maar zijn gezicht huilde.

Ik ging naast hem op de grond zitten, schouder aan schouder en gooide met een zwaai zijn geweer van hem af, een meter verder.

“Wat is er?” vroeg ik hem.

De soldaat liet zijn hoofd diep hangen. Zijn haren raakten bijna in kleermakerzit gevouwen knieën.

“Weet je nog, vorige week toen Tyre gebombardeerd werd door de Israëli’s?”

“Ja, dat weet ik nog “antwoordde ik. “ ik heb samen met de jongens hier door de TOW-kijkers gekeken naar de vliegtuigen. We hebben nog aan jullie gedacht toen, in de kazerne daar. We hebben gezien hoe de vliegtuigen de bommen afwierpen en we hebben de dreunen van de ontploffingen zelfs hier gevoeld, zo zwaar waren ze.”

“Ik was toen met een jeep in Tyre, samen met een chauffeur en een officier die we moesten halen van het vliegveld in Beiroet. We reden langs de vluchtelingenkampen naar Tyre Barracks terug en toen begon het bombarderen. Ik hoorde het brullen van de straalmotoren, keek omhoog en zag nog net hoe de straaljagers klommen en vervolgens naar beneden doken. Ik zag hoe ze de bommen afgooiden en wegdraaiden voor een tweede ronde. We begrepen heel snel wat er ging gebeuren. De chauffeur stond boven op zijn rem en we rende naar een greppel aan de kant van de weg, om dekking te zoeken. Ik heb daarna niets meer gezien, want ik stopte mijn gezicht diep in het zand.

Toen explodeerde alles om me heen, Ron, het leek wel of de bommen om mij heen vielen, zo leek het. De grond dreunde zo hard dat mijn longen door elkaar werden geschud. Ik kon onmiddellijk niet meer ademen, je hebt geen idee hoe dat is: dat je op de grond ligt en door de trillingen van de explosie zo door elkaar wordt geschud, dat je niet meer kan ademen. Ik weet niet meer hoe vaak er een bom viel, maar pas toen het al heel lang stil was, durfde ik weer te kijken. Ik was zo vreselijk bang, dat ik het in me broek deed, en het stomme is dat ik het niet eens merkte. Pas toen we ’s avonds terug waren in Tyre Barracks en me uitkleedde, zag ik de stront in me broek.”

Van der Vlugt had zijn hoofd niet meer bewogen. Hij liet zijn hoofd nog dieper hangen.

“Toen we uit de greppel kwamen, zag ik eerst een poos niets door het stof, Er hing een mist van stof om ons heen die niet zakte. De jeep was bedolven met puin en brokstukken van huizen die honderden meters verderop waren geraakt. We keken om ons heen, we waren helemaal alleen. Er was niemand om ons heen, iedereen was weg!

Net toen we de jeep wilde starten kwam er een jongen uit het niets aanrennen en die besprong de officier, die uit de jeep viel. De jongen gilde hysterisch en hield niet op. Ik werd er doof van, zo hard gilde hij. De officier lag half onder de jeep en kon niet meer opstaan. De jongen trok en duwde aan hem. Ik wist niet wat hij wilde en ik was bang dat hij boos op ons was, dat wij de schuld van het bombardement kregen en dat wij gelyncht zouden worden door de mensen. Ik wilde de officier bevrijden om snel weg te kunnen rijden.

De chauffeur schreeuwde tegen me; ‘sla hem los, sla hem los, dan smeren we hem!’ ik was helemaal gek aan het worden en ik wilde ook snel weg, Ik stak de loop van mijn wapen in de zij van de jongen en schreeuwde dat hij de officier los moest laten. Hij liet niet los, maar ging harder trekken, Ik weet niet meer wat ik deed. Ik ramde toen met volle kracht de loop in zijn zij. Ik zag hoe het joch opzij viel en verkrampte van de pijn.

Hij kronkelde op de grond en huilde. Ik had spijt van wat ik gedaan had en wilde hem helpen, maar hij kroop weg naar een huis waar een hevig bloedende man lag. Ik keek nog eens om me heen en nu zag ik wel mensen. Overal waren mensen; ze waren er wel alleen had ik ze niet gezien. Ik weet niet hoe dat kon. Misschien had ik eerst te snel rondgekeken, of zochten mijn ogen onbewust naar gevaar van de bommen en de vliegtuigen, ik weet het niet. Overal zag ik mensen liggen, verdwaasd, smerig, vuil van het stof. De man bij het huis, waar de jongen naartoe was gekropen, was geraakt door een brokstuk van de muur, dat door de trillingen was afgebroken. Zijn rechterarm was geplet door steen en ik zag hoe de man van zijn schouder niets anders meer over had dan plat vlees, dat levenloos naar beneden hing, Zijn arm was veranderd in een lap vlees die langs zijn lichaam hing? Ik zag stukjes bot op de grond liggen, die waren er gewoon uit gevallen en ik zag hoe het bloed wegsijpelden in het zand. Ik stond daar maar. Ik kon niet bewegen. Mensen gilden om me heen en renden heen en weer in de stofmist. Ik zag hoe het joch naast de man op de grond lag te verkrampen van de pijn van mijn klap. Ik ben weggerend, naar de jeep en we zijn als dwazen weggereden.

Ik heb er zo’n spijt van Ron. Wat heb ik gedaan? Ik heb er zo’n spijt dat ik die jongen niet begreep en dat ik hem gestoken. Ik was zo bang en ik dacht hij ons wilde vermoorden of zoiets.”

“Toen we naar de post terugreden, als idioten zo hard, zag ik voor de poort een vrouw met een klein kind liggen, Het kind was gewond en de vrouw hield het voor zich in haar armen tegen haar borst. Ik heb heel lang naar die vrouw gekeken. Ik keek naar haar gezicht, Ze was heel jong een jaar of twintig. Ze was scheel en keek me zo angstig aan. Ik vond haar zo zielig. Met haar benen dicht tegen elkaar had ze een kommetje gemaakt waar ze haar kind in verborg. Haar blote voeten waren een bonk eelt, waarschijnlijk had ze haar leven lang geen schoeisel gedragen. Om haar lijf had ze een jurk, duizend keer versteld en totaal versleten, Een zwarte jurk, die door stof en het vuil grijs was geworden. Haar kind was gewikkeld in een lap en bloedde uit het hoofd.

De vrouw bewoog niet, zei niets? Ze keek me alleen maar aan en ik keek haar aan. Ik zag haar handen, grote dikke en sterke vingers met overal eelt, zwart van het vuil en met kapotte nagels, Haar tanden waren onregelmatig, afgebroken en verrot. Ik heb haar heel lang aangekeken en ben daarna de VN- Kazerne binnengegaan. Op dat moment kwam er een hospik naar buiten om het kind te helpen. Later hoorde ik dat het kind al dood was.”

“ Ik heb er zo’n spijt van Ron, dat ik die jongen die mij om hulp kwam vragen gestoken heb met mijn geweer. Het spijt me dat ik, toen ik begreep wat hij bedoelde, ben weggegaan.

Misschien heb ik hem wel een paar ribben gebroken, maar ik was gewoon helemaal gek. Ik denk ook nog aan die vrouw? Je had haar moeten zien, ze heeft misschien in dit leven helemaal niets, geen huis, misschien geen man? Moet wellicht iedere dag vechten voor een hapje eten en dan leeft ze ook nog in een land met oorlog? Jezus, wat is hier loos met de wereld, Ik weet niet wat ik nu moet voelen. Kijk me hier zitten met een radio, ik heb een horloge, ik krijg geld en straks ga ik lekker naar Nederland terug! Wat gebeurt er met die mensen hier dan?”

Ik antwoordde niet. Ik had een brok in mijn keel en achter mijn ogen had zich ook een massa water verzameld. Door eenzelfde onzichtbare muur konden mijn ook mijn tranen niet naar buiten.

Ik stond op, kneep Van der Vlugt in zijn schouder, zei hem dat hij vol moest houden en liep weg. Als ik nog een tel bij hem was gebleven was ik ingestort.

Peinzend liep ik naar het aggregaat om de werking te controleren. Ik dacht heel diep na en probeerde te analyseren wat er met ons gebeurde. Ik wist het wel: langzaam, maar heel zeker werd onze jeugdige onschuld gesloopt. We veranderde van vrolijke jonge jongens in verbitterde, zwoegende mannen in een heel beperkte wereld. Onze wereld werd met de dag beperkt tot een wereld die zich kenmerkte door honger, dorst, zware arbeid, angst en toenemende kortzichtigheid. Elke dag langer in Libanon namen we meer afstand van emoties. Er was in onze wereld niets meer van vroeger overgebleven, helemaal niets meer, afgezien van de wekelijkse brief van thuis. We hadden met niemand contact meer. Er was geen telefoon, er was geen uurtje vrij, er was geen even iets anders-doen, er was geen privacy. Er was alleen een dor gebergte om ons heen en we waren met elkaar. We hadden elkaar ontzettend nodig om te overleven, om niet gek te worden. Juist daarom hadden we zo’n hekel aan elkaar. We vervloekten elkaar tijdens de patrouilles als er iemand achterop bleef. We vochten met elkaar voor het laatste stukje brood. We bekritiseerden elkaar hardvochtig vanwege elkaars persoonlijke houding of gedrag. Maar we waren een heel hechte eenheid, zonder vriendschap, in een heel speciale tijd bij elkaar gebracht; Ik vervloekte het werk als postcommandant. Ik haatte het gegrom van de jongens als reactie op mijn orders. Ik werd woedend van het eenzame turen door de nacht in de MAG-put, stijf van de kou, hongerend naar thuis.

Kon ik nog ontwaken of was ik al dood? Ik was zo moe dat alles vervaagde. Ik wist niet meer wat goed en slecht was.

Ik was zonder te merken bij het monotoon dreunende dieselaggregaat aangekomen en stond daar machteloos, bewegingloos. Hoe lang sta ik hier nu? Realiseerde ik mezelf ineens, ik wist het niet. Ach, wat maakte het ook uit.

Ik liep de prefab in en streepte een dag door op de kalender boven mijn bed. Ieder van ons telde de dagen voor ons vertrek en streepte de nummers door. Desondanks wist niemand wat voor dag het was, laat staan de datum. Mijn motto waarmee ik de andere nog kon motiveren was: Doorgaan. Niet nadenken maar gewoon blijven ademen en doorgaan. Als je altijd maar doorgaat dan trek je uiteindelijk het geluk vanzelf aan.

Alleen kinderen huilen – Ron de Vos
Uitgeverij Debut Rijswijk
ISBN 90-802348-6-9