Het wel en wee met Hr Ms onderzeeboot "0-19"
door Siem Spruijt

3e patrouille vanuit Fremantle, West Australie.

Eind 1943 werd ik overgeplaatst van de "0-10" naar de "0-19" die in groot onderhoud lag in het Schotse Grangemouth. In de resterende maanden voor de oplevering door de scheepswerf, moest ik als machinist alle technische zaken in recordtijd onder de knie zien te krijgen. Waar je voor de oorlog een jaar de tijd voor kreeg, moest nu in een derde van die tijd afgerond worden. Van iedereen werd verwacht dat hij zijn zaken tot in de perfectie beheerste. Immers de kleinste onachtzaamheid kon catastrofale gevolgen hebben. Iedereen was persoonlijk verantwoordelijk voor het wel en wee van schip en bemanning. Behalve dat deze onderzeeboot tot de allermodernste behoorde, was het ook nog een mijnenlegger. Buiten het drukvaste gedeelte waren 20 verticale buizen aangebracht met elk twee mijnen die ieder apart hydraulisch gelost konden worden. Een onderzeeboot-mijnenlegger had het enorme voordeel dat hij, volkomen onzichtbaar, in een vijandelijke vaarroute 40 van die dodelijke 'eieren' kon leggen. Maar dit was ook voor ons een vrij hachelijke onderneming. Zoals gezegd werd het mijnenveld onder water gelegd. Akelig nauwkeurig moest er gemanoeuvreerd worden. Zuiver op koers en het belangrijkste was een zeer constante vaart. Ik heb dan ook eerlijk gezegd doodsangsten uitgestaan als de kabel van een zojuist gedropte mijn schurend langs de scheepshuid voorbijging.

Verder was het belangrijk dat de boot was uitgerust met een zogenaamde "snuiver" een Nederlandse vinding. Later in de oorlog ook toegepast op de Duitse- en Engelse onderzeeboten. In het kort kwam het hierop neer, dat de boot onder water varend op periscoopdiepte, gewoon met de dieselmotoren kon varen, in plaats van op de stroomvretende elektromotoren. Een verder bijkomend voordeel was dat de bemanning de heerlijk frisse zuurstofrijke lucht kon inademen. 

Begin februari vertrokken wij naar het verre Oosten om van vijand te wisselen en het leven van de spleetogen (Jappen) zo zuur mogelijk te maken. Na intussen met wisselend succes wat patrouilles te hebben gemaakt, kwamen we dan eindelijk op onze nieuwe thuishaven Fremantle in West-Australie aan en werden wij ingedeeld bij de Amerikaanse Onderzeeboot Flotille.

Na deze summiere inleiding en na twee succesvolle eerdere patrouilles vanuit Fremantle, gingen wij medio dec.'44 op weg voor onze derde en voor mij de best in mijn herinnering bewaard gebleven patrouille. Hoewel ik de feitelijke gebeurtenissen nog goed voor de geest kan halen, heb ik de juiste data in na de oorlog vrijgegeven manuscripten kunnen naslaan. Op 3 jan.1945 tegen het middaguur werd door ons het eerste mijnenveld ooit door een onderzeeboot in oorlogstijd gelegd bij het eiland Bawean in de Javazee. Met een uursnelheid van 4 mijl werd om de anderhalve minuut een mijn gelegd in ondiep water, in de toegangsroute naar het destijds gehete Batavia. Wij waren blij dat alles volgens plan verlopen was ( een onwillige mijn en Siem had z'n hoogste leeftijd bereikt ) en we de ondiepte konden verlaten. Maar de commandant had een seintje ontvangen om een Japanse onderzeeboot te onderscheppen die de volgende dag uit de Soenda Straat zou komen. We moesten daarom terug naar dat akelige ondiepe gebied, wat voor iedere onderzeeboot zeer gevaarlijk is, omdat bij onraad niet diep weggedoken kan worden. Inderdaad werd s'nachts door de periscoop een silhouet waargenomen dat veel op de verwachte vijand leek. Er werd een serie torpedo's afgevuurd zonder het doel te treffen. Omdat het ter plekke maar 30 meter diep was, werd onmiddellijk koers gezet naar dieper water. Achterom kijkend door de periscoop bleek het schip een escortevaartuig te zijn, dat gelukkig geen dieptebommen over ons hoofd strooide . Nog een hele dag bleven wij in het gebied, zonder dat de Jap zich vertoonde.

Een paar dagen later zouden we meer succes hebben, maar ook zoveel ellende meemaken om nooit meer te vergeten. Op 9 jan. werd in de Javazee weer een bericht ontvangen, Zuidelijk van Borneo voer een klein konvooi in de richting van Straat Karimata waar het lekker diep was om aan te vallen. Maar omdat ook Amerikaanse onderzeeboten hier opereerden, besloot de commandant een aanval te doen onder de ondiepe kust van Borneo. Om daar op tijd aan te komen werd op klaarlichte dag boven water gevaren, wat in oorlogstijd hoogst ongebruikelijk was.

Tegen de avond waren we veilig de Javazee overgestoken, toen in de buurt van Tandjoen Poeting (Borneo) een uit het westen komende mast werd waargenomen. Om wat dieper water te vinden, bleven we weer onder water ver voor het schip uit varen. Bij het schemer worden, gingen we weer naar boven, om kort daarna een tweede schip waar te nemen. Een vrachtschip van ongeveer 3000 ton en een begeleidende onderzeeboot jager. Er werd besloten, ondanks de ondiepte, meteen aan te vallen voor het helemaal donker zou zijn. Drie torpedo's werden afgevuurd en 59 seconden daarna (het was een gewoonte mee te tellen) hoorden we een explosie, enige tijd later gevolgd door geluiden die waarschijnlijk duidden op een ketelontploffing. Direct na de lancering werd volle kracht vooruit gegeven om even daarna aan de grond te lopen op een diepte van 20 meter. Op periscoopdiepte was van de koopvaarder niets meer te zien, maar wij zagen de jager op ons af komen. Weer terug naar de bodem en onmiddellijk werd alles wat maar enigszins geluid maakte uitgeschakeld. Iedereen bleef zitten waar hij zat en commando's werden op fluisterttoon gegeven. 

Kort daarop hoorden wij de Jap over ons heen komen zonder echter dieptebommen af te werpen. Later hoorden we op grote afstand 3 bommen ontploffen. Dat gaf de burger moed en rustig op de bodem liggend, hoopten we niet ontdekt te worden. Ruim een uur later echter hoorden wij de Japanees op ons af en over ons heen komen en liet hij van zeer dichtbij 5 dieptebommen vallen. Het achterschip werd meters opgetild en weer teruggekwakt. Lichamen vielen over elkaar.

De ravage was enorm en ik was bang, doodsbang. Gloeilampen vielen links en rechts om me heen. Alle lichten waren uitgegaan en overal waren waterlekkages te horen. In de centrale was brand uitgebroken. Zeewater stroomde over het hoofdschakelbord dat een lugubere blauwe gloed gaf. Even daarna had ik mijn positieven weer bij elkaar gelukkig.

De voor- en achterbatterij compartimenten maakten water, wat het directe gevaar inhield dat er chloorgas gevormd zou worden. Door dekzeilen op de batterijtanks aan te brengen kon de grootste hoeveelheid lekwater afgevoerd worden naar de bredezij. (pompgoten aan de zijkant van het schip). Maar verreweg het ergst waren de gevolgen in de machinekamer. Daar lekte uit de koelmachine het dodelijke kooldioxyde dat in de boot doordrong. De machine- en hekbuiskamer werden daarom met de waterdichte deuren afgesloten. Inmiddels werd met man en macht gewerkt om waar mogelijk lekkages provisorisch te dichten. De lagedrukleiding kon gerepareerd worden en de hogedrukleiding had gelukkig niets geleden. De gassen waren intussen tot in de centrale (het hart van elke onderzeeboot) doorgedrongen. Daarom moest door kalipatroonmaskers geademd worden.

Na een uur moesten wij van de centrale naar de commandotoren er boven evacueren omdat het gifgas (zwaarder dan lucht) zich beneden verzamelde. De deur van het voorste torpedo-compartement kon door de grote overdruk niet meer geopend worden. Omdat ook de telefoons niet meer werkten, wisten we aan weerszijden niet hoe de toestand was aan de andere kant van de deur. 

Om ongeveer half elf werden de hoofdballasttanks geblazen en kwam de boot met zware slagzij boven. Bij het openen van het torenluik, zag men het seinen met wit licht en op ongeveer een kleine mijl twee silhouetten van schepen en de contouren van een brug en schoorsteen veel dichterbij. Onmiddellijk werd weer weggedoken tot op de bodem en werd het besluit genomen toch de machinekamer binnen te gaan om te proberen beide dieselmotoren vaarklaar te maken, in een uiterste poging ons uit de voeten te maken. Zoals de toestand nu was, konden we het geen uur langer uithouden. Geheime documenten waren gereed gemaakt om vernietigd te worden en een half uur later drong een stel machinisten met Davis duikuitrusting de machinekamer binnen, nadat wij eerst met een enorme krachtsinspanning de waterdichte deur hadden weten open te krijgen. Het water stond tot aan de dekplaten en kwam nog steeds naar binnen.

Het machinekamer personeel slaagde er in de machines in orde te krijgen en een elektro-monteur deed zijn uiterste best om de enige smeerolie pomp die nog dienst kon doen, weer aan de praat te krijgen. Daar de machinisten niet alle kleppen konden bereiken met hun Davis vesten om, trokken sommige van hen deze uit. Twee van hen raakten spoedig buiten bewustzijn, werden weggetrokken en in het achterste batterij-compartiment weer bijgebracht. Het weerhield hen er niet van even daarna hun werkzaamheden te hervatten. Diesels en smeeroliepomp kwamen uiteindelijk toch gereed. De chef-monteur en een O.O machinist waren nu voor geruime tijd buiten bewustzijn. 

Twee minuten later waren we boven, er was niets meer te zien en we gingen er met vreselijk in onbalans lopende motoren in zuidelijke richting vandoor.

U.S. Flott. Comm. Captain Chatwell zou later verklaren: Wat de technici presteerden was een uitzonderlijk staal van moed, bekwaamheid en doorzettingsvermogen:

Zo ontkwamen wij op het nippertje. Maar de opgelopen schade was enorm. Zo goed als het ging werden alleen die zaken provisorisch hersteld die nodig waren om te proberen levend en wel onze thuishaven weer te bereiken. Het voortzetten van de patrouille was in ieder geval uitgesloten. 

Op 15 jan. kwamen wij, gelukkig zonder verdere confrontatie met de vijand, aan in Darwin. Hier werden nog enige verdere noodreparaties verricht, bleken beide achterduikroeren vedwenen te zijn en waren beide schroefbladen zeer ernstig beschadigd. 

17 jan. voeren we best wel opgelucht onze basis Fremantle binnen. Vooral het eerbetoon vanaf alle Amerikaanse schepen, waaraan wij langzaam voorbij voeren, deed in ieder geval bij mij de tranen in m'n ogen komen. 

Dit was dan het relaas van slechts één van de patrouilles gedurende de hele oorlog, met Hr. Ms."0-19". In totaal werden 33.500 ton aan koopvaardij- en oorlogsschepen tot zinken gebracht. Helaas hebben wij haar in de Zuid Chinese zee achter moeten laten, nadat wij door de Amerikaanse onderzeeboot U.S.."Cod" waren opgepikt. Maar dat is dan weer een ander verhaal.