Negen minuten leken een eeuwigheid
Gevecht in de straat van Badung.


Zestig jaar geleden leverden Nederlandse en Amerikaanse schepen kortstondig slag met Japanse oorlogsbodems in de straat van Badung bij Bali. Het vormde slechts de opmaat voor de vernietigende slag in de Javazee, ruim een week later, maar de korte en hevige schermutseling had alles in zich wat een oorlog gruwelijk maakt. Zo blijkt uit de betreffende passage uit het dagboek van een opvarende van Hr.Ms.Tromp- de toenmalige matroos derde klas Pieter de Ru ( 1918).

Bron Alle Hens.

In de nacht van 18 op 19 februari 1942 arriveren de Japanners met de troepentransportschepen ss. Sasago Maru en de ss. Sagami Maru bij Sanoer op Bali, geŽscorteerd door de 8ste Torpedobootjagerdivisie bestaande uit de Asashio, Oshio, Mitsushio en Arashio. De aangelande troepen hebben tot taak om tactische posities op Bali in te nemen ter voorbereiding van de invasie van Java.
Ten noorden van Bali dekt de Japanse 21ste Torpedobootjagerdivisie deze operatie vanaf zee. Op 19 februari, in alle vroegte, voeren de geallieerden luchtaanva!len uit. Daarbij blijft het niet. Wanneer Japanse jagers zich de nacht erna opmaken voor vertrek, worden zij totaal verrast door de eerste van drie aanvalsgolven die door de Straat van Badung rollen. 

Het betreft in eerste instantie de lichte kruisers Hr.Ms. De Ruyter en Java, samen met de torpedobootjagers Hr.Ms Piet Hein, USS Ford en Pope. Een kort maar hevig vuurgevecht breekt los, waarbij de Piet Hein verloren gaat.


Hr.Ms.Tromp in AustraliŽ

Rode pijlen
Kort daarop vaart de lichte kruiser Hr.Ms. Tromp, met voorop vier jagers -de USS Stewart, Parroti, Edwards en Pillsbury - van de 58ste Torpedobootjagerdivisie de Straat van Badung binnen en begint het ooggetuigenverslag van Pieter de Ru.

Logischerwijs -door de opgedane indrukken -springt hij soms van de hak op de tak en mist hier en daar naam en toenaam van mensen. Daarnaast hangt over de door hem gesignaleerde feiten de gebruikelijke oorlogsmist, die de werkelijkheid hier en daar wat vertroebelt.

De Ru: 'Toen dit gebeurd was kwamen wij aan de beurt. Wij liepen van 15 tot 34 mijl en de Tromp gooide zijn neus in het schuimende water. Met grimmige gezichten stonden Šllen op post. De kanons, mitrailleurs en torpedobuizen waren gebakst over bakboord, want daar verwachtten wij de vijand. Het was 01.00 uur en stikdonkere nacht toen wij de Straat van Badung binnenliepen. Het vuren voor ons was afgelopen. Toen we halverwege waren, hadden we nog niets gezien, totdat plotseling dwars over stuurboord het zoeklicht van de vijand (dat later een kruiser bleek te zijn met 20 cm pantsergeschut) ons in beeld kreeg.

Voordat wij wisten wat er gebeurde, hadden wij de eerste voltreffers te pakken. In de commandotoren vielen de eerste doden. Ook op de brug en in de monteurwerkplaats -twee meter naast de torpedobatterij -sloegen voltreffers in, waarbij enige gewonden vielen. Ik zag de 40 mm granaten als rode pijlen op me afkomen en boven mij en mijn maat in de hut administratie inslaan.'

Compleet verwoest
'De chefmajoor torpedomaker werd van het kanon geslingerd met een scherf in de rug. Torpedomaker Hlpusah kreeg er drie in zijn rug en ťťn in de bil. Op dat moment zag ik dat de luchtkoker op het tentdek eraf werd geschoten. De stuurboord-torpedobatterij was onklaar en de leiding was weggevallen, dus wat te doen?! Mijn maat en ik gingen maar naar de monteurwerkplaats en daar hebben we de brand geblust, die door twee voltreffers vlak boven de waterlijn uitbrak. De werkplaats bleek compleet verwoest. Wat we daar aantroffen was verschrikkelijk om aan te zien. 
Van korporaal-monteur Van der Gaast was niets meer van over en ook majoor-monteur Van der Waai bleek op slag dood. Een stoker die de wacht had in de dieselkamer kreeg een dichtslaande deur tegen zijn been, dat daardoor onder de knie werd afgeknepen. 

an de werkplaats gingen we direct door naar de wasserijen waar ook brand woedde, na een granaatinslag net boven het water. Het projectiel was er via stuurboord binnengedrongen -nadat het eerst de bottelarij en de bovengang van de machinekamer had doorboord -en ontplofte daar. De wasserij was compleet vernietigd. Mijn veldbed dat daar stond en waarop ik na de wacht sliep, was geheel verdwenen.'

Op slag dood
'Een andere voltreffer drong binnen aan stuurboordzijde, eerst door het hekwerk heen, toen door het dekhuis en vervolgens door de vloer van de hut van de eerste officier. Daar nam hij het fonteintje mee, ging door het schot in de vloer en kwam terecht in de hut commandant. Via de rookkast en weer het dekhuis drong het projectiel zich door het hekwerk naar buiten om daar vervolgens tot explosie te komen. Nog ťťn voltreffer kregen we juist onder de waterlijn, maar die smoorde gelukkig in een olietank. 

Een andere granaat kwam in de hutten van de onderofficieren terecht. Ook die bracht een grote verwoesting teweeg; hij liet een gat achter van ongeveer twee vierkante meter. Tegelijkertijd werd ook de zijvleugel van de brug getroffen, waarbij een groot gat in het dek werd geslagen en het radiostation zwaar werd beschadigd. Bij de ontploffing waren marinier eerste klas Jansen en luitenant-ter-zee tweede klas Ritsma van Eek om het leven gekomen. 
Nog groter schade dan aan de brug viel te betreuren in de commandotoren, waarvan de bemanning eveneens op slag dood was.'

'De roerganger was bij de laatstgenoemde inslag aan het oog getroffen en zijn kompas werkte door de klap niet meer, maar toch kreeg hij ons goed uit de Straat van Badung. Het gevecht had ten hoogste negen minuten geduurd, maar het leek ons een eeuwigheid. Dat krijg je wanneer de vijand plotseling het zoeklicht op je richt, een salvo lost, waardoor de commandotoren getroffen wordt, met hoopjes doden tot gevolg. Wanneer dan ook nog de toren uitvalt en de zoeklichten onklaar raken... Toch lukte het ons uiteindelijk om de vijand het zwijgen op te leggen, terwijl deze driemaal zo sterk was als de Tromp!'

Maar daar blijft het niet bij. De Ru vervolgt: 'Toen wij de Straat van Badung uit waren stoomden wij op naar Soerabaja, met vierentwintig gewonden en elf doden aan boord.
Om 09.00 uur, de volgende ochtend, ging plotseling de schel voor luchtalarm. We gingen met benauwde harten weer snel op onze posten, de gewonden en zieken achterlatend. Het bleek geen loos alarm, want we zagen zeven zware Japanse bommenwerpers op ons afkomen. We voerden onze snelheid op tot 24 mijl en zigzagden door het water.
Waarschijnlijk had de Jap niet genoeg bommen bij zich, want na dertig bommen losgelaten te hebben, verdwenen de toestellen in oostelijke richting. Overigens zonder ons te raken.'

'Toen wij in Soerabaja aankwamen, stond de kade al vol met mensen en ziekenauto's. Deze laatsten kwamen voor korporaal-telegrafist Van der linden te laat. Hij had een scherf in de bil gekregen, die dwars door zijn lichaam heen was gegaan en zijn mannelijkheid had meegenomen, waardoor hij doodbloedde. Ook matroos eerste klas Wiersrna overleed voor aankomst. Zijn arm was verbrijzeld en hij had een scherf in zijn ruggengraat gekregen.
Ook korporaal telegrafist-machinist Groen en stokerolieman Schelings waren gesneuveld, net als nog drie anderen van wie ik de namen vergeten ben.'

De Ru zelf kwam er redelijk goed vanaf Bij hem hoefden alleen wat flinke houtsplinters verwijderd
te worden. 
Aan boord van de Tromp heerste grote verslagenheid die. zoals De Ru later beschrijft, plaatsmaakte voor enorme opluchting onder hen die het er goed vanaf brachten. 'Toen wij de doden en gewonden alle van boord hadden gezet, onder de grootste stilte, mochten wij allen gaan passagieren en slapen op de wal. Je kon wel begrijpen dat wij door het dolle heen waren. Wij zijn daar vier dagen in de olie geweest..

'Toen het verlof erop zat, werd het schip zeeklaar gemaakt om te vertrekken naar AustraliŽ. De gaten werden dichtgelast voor de overtocht en op 23 februari verlieten wij Soerabaja. Maar wij zouden diezelfde avond door -ditmaal- de Straat van Bali moeten. Om 00.00 uur liepen wij weer op tot 34 mijl, met iedereen op post. Wij zaten hem allemaal te knijpen na dat gevecht; we scheten draadnagels! Gelukkig was er niets te zien en konden wij onze reis vervolgen naar het land van belofte.'

Onderscheiding
Tot zover het verslag van Pieter de Ru, die met de Tromp behouden in FremantIe aankwam, waar het schip in reparatie ging. Na afloop werd de kruiser ingedeeld bij achtereenvolgens de Amerikaanse 7de vloot, de Britse Eastern Fleet en andermaal bij het Amerikaanse verband. Na ook nog deel uitgemaakt te hebben van de Britse East Indian Fleet, keerde de Tromp als eerste Nederlandse oorlogsbodem terug in Batavia (nu Djakarta) en wel op 16 september 1945. Op 3 mei 1946 meerde het schip na zeven jaar weer af in een Nederlandse haven, Amsterdam. 

De kruiser werd later onderscheiden met de 'Koninklijke vermelding bij Dagorder'. De Ru zelf stapte in Fremantie van boord en bracht de oorlogsjaren her en der in de wereld door. Na de oorlog diende hij onder meer bij de Mijnen Opruimingsdienst en de Onderzeedienst. Ook bracht hij een term door in het voormalig Nederlands Nieuw Guinea. In 1968 verliet hij na 31 dienstjaren als bootsman de Koninklijke Marine. Dertien jaar eerder was de Tromp- door de Japanners zeven keer als gezonken opgegeven en door de AustraliŽrs derhalve spookschip genoemd -hem al voorgegaan..