IN SOERABAJA TIJDENS DE JAPANSE BEZETTING.
Door Adriaan Kannegieter

 8 maart 1942. Het was al laat toen ik wakker werd. De baboe had het ontbijt al klaar staan. De kebon (tuinjongen) was niet meer komen opdagen. Ik hoorde met tussenpozen het geratel van rupsbanden en rijdende zware vrachtauto's. Ik besloot in de middag naar Bob te gaan.
De lucht was nog vol rook, maar er waren welhaast geen ontploffingen meer. Ik zag tot mijn grote verbazing dat de Japanse voertuigen op de Reiniersz Boulevard vanuit het centrum richting Wonokromobrug reden.
Het was voor mij zo klaar als een klontje, dat ze machtsvertoon rondjes reden. Bij de familie Brand was de angst van de gezichten af te lezen. Nadat ik kennis had gemaakt met Mevr. Brand en Rietje zei Bob: "Hoe durf je de straat op" ? Ik zei laconiek: "Ik kan hard fietsen". Ze barstten in lachen uit en het ijs was gebroken. De heer Brand was via Tjilitjap weggekomen. 

Even later ging ik kennis maken met de buren, de zuster van mevr. Brand, de familie Corthals. Een gezellig gezin. De heer Corthals was hoofdwerktuigkundige bij J.C.J.L. (Java- China- Java- Lijn) en was met zijn schip elders in de vrije wereld. Ze hadden 4 kinderen t.w. Annie, die nog maar kort verkering had met Toon v.d. Burg, Ivo, Jack en het nog kleine meisje Roosje. In de kamer zag ik een foto van 2 meisjes en ik zei: "Dat ene meisje komt mij bekend voor". Annie vertelde, dat het haar nichtje Tonnie was uit Rotterdam. Toen wist ik het en vertelde, dat ik met mijn neef Rein haar enige jaren geleden had ontmoet, vlak bij haar huis op de Schiedamseweg. Ze woonde boven een juwelierszaak. Ze was toen met een nichtje uit Indie. "Dat was ik", zei Annie. Dan hebben wij je later nog een keer gesproken bij het hek van het nude station van Vlissingen, waar je oma woonde. Er was geen speld meer tussen te krijgen. Mevr. Corthals kon haar oren niet geloven. We gingen op het terras koffie drinken. 

Nog steeds reden er met tussenpozen dezelfde tanks en vrachtauto's voorbij. Roosje stond bij het aapje in de voortuin, toen er een hoge Japanse officier de tuin kwam inlopen. Ik dacht, dit is het einde. Hij haalde het aapje aan en streek met z'n hand door het witte haar van Roosje en zei toen zo hard, dat wij het konden horen "Roosje Corthals". Toen riep Roosje "Mama dit is meneer ? van toko" ? De officier kwam naar ons toe en vertelde, dat we niet bang behoefde te zijn. De soldaten zouden niets doen. Hij groette ons in het Nederlands, maakte een lichte buiging en ging weg. Het was allang bekend, dat er overal Japanse winkeliers, vissers etc. officieren waren, maar dit hadden we niet verwacht.
Bob die op onze strooptochten op het marine etablissement veel radio onderdelen had meegenomen, was begonnen een zender te bouwen.

Ik ging dagelijks op de fiets met een dikke portemonnee de stad in om voor tante levensmiddelen in te slaan o.a. bij toko Han en bij toko Nam. Zo had ik kans gezien om een paar hele grote blikken margarine kleine baaltjes suiker en zeep te kopen. Ook de buurvrouw, mevr Ossefort kreeg levensmiddelen. Ze had geen inkomen en als ik me goed herinner, moest ze ook nog twee kinderen te eten geven. Overal waren mededelingen opgeplakt dat militairen zich moesten aanmelden. Op niet aanmelden stond de doodstraf. Ze zouden worden beschouwd als "Franc Tireur". De marine krijgsgevangen waren geinterneerd in de Ondaatje Kazerne, buiten de stad, voorbij de Wonokromobrug. Deze kazerne was leeg, omdat het Nederlands Indische leger was teruggetrokken op het eiland Madoera. Iedere dag gingen er open vrachtauto's met krijgsgevangen naar de Shell en de haven om de verbrande rotzooi op te ruimen. De auto's, die van de havens kwamen zagen we dikwijls, omdat die door de stad moesten rijden. De mannen waren roetzwart. Ze stonden dicht op elkaar en meestal stond de gewapende Japanse soldaat aan de achterkant.

Hoe het precies is begonnen, weet ik niet meer, maar wel dat Nel v.d. Linden, Annie en ik de auto's gingen opwachten. Fietsend liet ik de vrachtauto's langs me rijden en gooide dan vlug een pakje briefjes van familie, vrienden etc. over de rand in de auto. De mannen lieten briefjes over de rand van de auto vallen en die werden even later door Nel en Annie opgeraapt, die we bij geadresseerden gingen bezorgen. Ik was blij, dat ik wat voor mijn collega's kon doen, want in m'n hart vond ik het niet leuk, dat zij zich rot moesten werken en zo vuil terugkwamen, terwijl ik op m'n dooie akkertje in spierwitte kleren rondfietste. Met de zender ging het goed. Bob had in z'n kamer langs het plafond een koperen antennedraad gespannen. Deze draad was onderbroken door een lang horizontaal lampje. Wanneer hij ging zenden, begon dat lampje rosse te gloeien. Hij had al een paar keer zitten zoeken. Op een morgen zat ik bij de familie Brand op hat terras koffie te drinken. Bob was nog in zijn kamer. Er reed langzaam een kleine Japanse legerauto voorbij met een peilraam erop. De Jappen keken naar me. Ik dacht dat m'n hart stilstond, maar ik liet niets aan de anderen merken. Toen de auto voorbij was, moest ik zgn. ineens erg naar de WC. Ik liep vlug naar de kamer van Bob en riep: "Er ging een auto met een peilraam voorbij". Met een ruk trok Bob de antenne van het plafond. Ik liep vlug terug naar het terras en ging weer zitten, alsof er niets aan de hand was. Even later reed de peilauto langs de overkant terug en ik ging met de anderen praten, alsof ik de auto niet had opgemerkt.

Bob was inderdaad bezig geweest met de zender en wist wel zeker dat hij gepeild was. Hij had de hele zendtroep in een zak gedaan en gelijk ergens achter hat huis tussen de struiken gegooid. Dezelfde middag en enkele dagen daarna kwam de peilauto weer voorbij. Wij hadden na de koffie de fiets gepakt en hebben toen de zak leeggegooid langs de weg bij de begraafplaats "Kemang-Koening" in de hoop dat iemand de onderdelen zou vinden en er iets mee zou kunnen doen.
Omdat tante erg bang was, dat ik steeds met een revolver de straat opging, heb ik de schieter uit elkaar gehaald en in delen in de waterput gegooid.

Op een morgen kwam neef Jan Kannegieter bij tante binnenlopen. Hij had vlak voor de capitulatie op naam van de marine en auto gehaald bij Lindeteves (Stokvis) in Soerabaja om naar Tjilitjap te gaan en vandaar naar Australia uit te wijken. Op de wag naar Tjilitjap kwam hij het Japanse leger tegen. De commandant gelastte hem voor te rijden naar Soerabaja en dan naar hat stadhuis. Hierna is hij naar z'n verloofde Tjitske gegaan in Malang. Hij had een prachtig onderduikadres in de bergen en probeerde me over te halen om mee te gaan. M'n beschermengel voelde hier niets voor. Jan was later in de bergen ondergedoken. Hij is na enige tijd verraden en omdat op niet aanmelden de doodstraf stond, is hij door de Jappen onthoofd.

De Jappen gedroegen zich tot nu toe netjes. Het is voorgekomen, dat een Japanse soldaat een Nederlandse vrouw, die in verwachting was een klap op haar dikke buik gaf. Een Japanse officier, die dit zag, schoot de soldaat terplekke dood. De Japanners hadden alle adressen van vrouwen die voorheen voor geld de liefde bedreven, waaronder ook een aantal Nederlandse. Er liep zelfs een verhaal, dat daarbij ook een vrouw van een onderofficier was, die zelf niet wist, dat z'n vrouw bij verdiende, maar de Jappen wisten het wel. Deze dames werden in een gedeelte van de wijk Darmo in villa's geinterneerd. De bewoners moesten uit hun huizen en het gedeelte werd met 2 m. hoog kedek (gevlochten biezen) kijkdicht afgezet en door soldaten bewaakt. De dames moesten nu hun kunde bewijzen aan Japanse officieren.

Na enige tijd kwam er over de radio een mededeling en werden overal posters opgeplakt, dat het de laatste gelegenheid was, dat ex. militairen zich konden aanmelden. Op de aangegeven dag pakten we onze spullen w.o. een "tikar" (ligmatje) bij elkaar. Uiteraard had Bob z'n ukelele bij zich. We gingen op de damesfietsen met de meisjes achterop naar het stadhuis. In de ijssalon, schuin tegenover het stadhuis gebruikten we ons laatste ijsje. Hierna gingen we zwaaiend de trappen van het stadhuis op, waarna de meisjes naar huis gingen. Er stond een lange rij en ik vond het maar raar, dat het haast allemaal Indische mannen waren. Toen er nog maar een paar mensen voor ons waren, zei ik tegen Bob: "Kom mee, dan gaan we weer achter aansluiten". Bij hat loket stond een gewapende Jap en wanneer er een groepje klaar was, moesten ze onder geleide van die Jap afmarcheren en dan kwam er weer een andere Jap staan. Ik dacht dat het de Jap was, die het vorige groepje had weggebracht. Het duurde maar lang en het werd maar later.

Toen we weer in de buurt van het loket kwamen, zei ik tegen Bob dat ik naar huis ging. Bob begon te jammeren, wat moet ik thuis vertellen. Ik zei: "Je zegt maar, dat we te laat waren. Jij kan doen wat je wilt. Zodra de Jap weer even staat te praten of weggaat, dan ga ik". Toen ik de kans zag zei ik: "Wegwezen". En voor Bob kon nadenken, waren we onderweg naar huis. Toen ik de volgende morgen lachend en met een uitgestreken gezicht bij de familie Brand kwam was de boot aan. Ik kreeg te horen wat er allemaal kon gebeuren en ik zei: "Ach, je kan maar een keer dood gaan ".

Ik ging zo nu en dan naar de stad en de pasar om te kijken of er nog iets te koop was om in te slaan. Er was inmiddels al een grote voorraad bij tante. Bij het afgeven van de briefjes had de Jap alleen maar een keer tegen me gegild en met de loop van z'n geweer naar me gewezen, maar niet gericht. Ik had het idee dat ze het "door" hadden. Daarom deed ik het nog maar een enkele keer. Rietje en Annie konden nog wel doorgaan met het oprapen van de briefjes en deze te bezorgen.
De briefjes werden nl. eerst opgeraapt, nadat de auto's uit het zicht waren verdwenen. De mannen waren nu niet meer zo vuil, nu de rotzooi in de haven was opgeruimd. De Jappen werden grimmiger en er werd veel afgeranseld. Ook werd bekend gemaakt, dat de controles verscherpt zouden worden. We waren dan ook blij, dat er weer een laatste oproep kwam om aan te melden, op straffe van de dood wanneer je hierna werd opgepakt. We gingen op de betreffende dag net als de vorige keer. 
Na ons ijsje werd afscheid genomen en we begrepen, dat dit wel definitief was. Laconiek zei ik nog: "Tot straks". Er stond ook nu weer een lange rij en zowaar ook blanda's (blanken). Telkens marcheerde er een groepje weg, maar nu onder geleide van een schreeuwende en tierende Japanse soldaat. Ik rilde bij de gedachte straks ook zo te worden afgevoerd. 

Na lange tijd naderden we het loket. Niettegenstaande we al met voorbedachte rade niet zo vroeg naar het stadhuis waren gegaan, stond er toch weer een behoorlijke rij achter ons. Ik zei tegen Bob: "Even kijken of de meisjes er nog staan". Hij zei: "Ik doe het niet meer". Daarna zei ik: "Kom op, even zwaaien" en liep gelijk weg en Bob liep mee. De Japanse bewaker gilde wat naar ons en ik wees met mijn vinger naar de deur alsof ik naar iets wees en liep gelijk door. De Jap kwetterde nog wat, maar ik stond al in de deur te zwaaien (alsof). De meisjes stonden er nog. Na een poosje zwaaien zagen ze ons. Ook nu sloten we weer achteraan aan in de rij. Ik keek op m'n horloge en dacht: "Ze gaan vandaag wel erg lang door". Toen we weer dicht bij het loket kwamen marcheerde er weer een groep af en iemand kreeg een klap met de kolf van een geweer, omdat hij niet vlug genoeg meeging. Er stond nu geen Jap meer bij het loket. Er kwam iemand van het loket terug die deed een briefje omhoog en zei: "Het is vol". 

Even later liepen Bob en ik de trappen van het stadhuis af, waar de meisjes nog steeds op wacht stonden. Voordat ze iets konden zeggen, lieten we het briefje met de rode bal (Japanse vlag) en met een Japans stempel zien.
We waren ingeschreven en moesten wachten, totdat we thuis een oproep kregen. We konden nu gaan en staan waar we wilden en behoefden niet meer bang te zijn voor controles. Wel waren er een bepaald aantal beperkingen opgelegd. Ik ging daarom alleen maar boodschappen doen en hier en daar koffie drinken. Na enige weken kwam naar ik meen te herinneren, Kpt. Ltz. v/d Pluym in burgerkleding een oproep brengen, dat ik me op een bepaalde dag op het stadhuis moest melden. Ook Bob had een oproep gekregen. We gingen met een taxi, waardoor we wat meer konden meenemen. Ik voelde, dat er geen ontkomen meer mogelijk was. Er werd dan ook emotioneel afscheid genomen.

JAPANS KRIJGSGEVANGENE. 

Het was 8 mei 1942 toen ik zonder ook maar een schot te hebben gelost, krijgsgevangene werd. Onder geleide van een Japanse soldaat gingen we de trappen van het stadhuis af. En ja hoor, daar stonden ze weer: Rietje en Annie. Zo sjokten we naar het jaarmarktterrein. Een door een heel hoog hek afgesloten terrein, dat normaliter werd gebruikt voor tentoonstellingen en feesten. De meisjes waren meegelopen en wisten nu waar we zaten. Even draaiden we ons om en zwaaiden, waama we door de sierlijke poort naar binnen gingen. Bij het passeren van een "gewapende" wacht moesten we volgens Japanse gewoonte een diepe buiging maken, want hij is een vertegenwoordiger van de keizer. Wanneer iemand niet boog of niet diep genoeg boog, kreeg hij een verschrikkelijke afranseling. We wisten gelijk hoe onze gastheren waren. 

Achter de poort stonden belangstellenden te kijken of er nog bekenden binnenkwamen. Zo werden we opgevangen door een paar marinecollega's, er waren een aantal geredden van de "de Ruyter" o.a. Arie Deijl en van andere schepen en o.a. de A.R.O. (Asp.Res.Off. ) Dunky Jacobs en de adelborst van administratie Jonker E. Vernede, de naoorlogse secretaris van Prins Bernhard. We hadden als onderkomen het grote podium, waar een dak boven was, een achterkant en smalle zijkanten. We lagen dus letterlijk en figuurlijk "te kijk". Het jaarmarktterrein zat stampvol, nadat ze op het podium wat waren opgeschoven kon ik er nog net bij. Dezelfde dag ervoer ik al, dat de Jappen van nummeren (tellen) een kwelling maakte. Het was aantreden "kiotskee" (geef acht, dus in de houding staan) en alsmaar nummeren, itsji, ni, san, si, go enz. . Na vele, vele keren klonk dan eindelijk jasmee (rust). De algemene toestand was er slecht en het sanitair was zeer vies. Na enige dagen werden we als vee op vrachtauto's gestouwd. We vroegen ons of wat de bedoeling was.