Hr.Ms. PIETER DE BITTER
Door Adriaan Kannegieter

 Op 29 november 1941 stapte ik aan boord van deze mijnenveger. Ik had, uiteraard, al gezien, dat de vlag van de divisiecommandant in de mast hing. Dit betekende, dat ik seiner werd op de divisieboot. Dus nog meer verantwoording en meer werk. Het drong eerst nu pas tot mij door, dat ik nog geen enkele ervaring had. Ik moet op de radioschool wel een hele goede indruk hebben gemaakt, want anders geef je iemand toch niet zo'n verantwoordelijke post. Op zo'n moment vliegt er veel door je hoofd heen. Nu ja, ik zou nog wel het een en ander aan de huidige seiner vragen. 

Ik moest me eerst bij de commandant melden. Tegen zo'n hoge had ik nog nooit gesproken en was alleen maar in de houding gesprongen, wanneer hij langs kwam. Ik meldde me op de gebruikelijke wijze. Toen gebeurde er iets en daar kon ik met m'n pet niet bij. De commandant stak zijn hand uit en ik kon uiteraard niets anders doen dan zijn hand aan te nemen. Hij zei: "Dekkers, de commandant, welkom aan boord van mijn schip". Ik dacht: "Zo, dat zit er op". De commandant riep naar de hut aan de anderen kant van de smalle gang: "Gijs, onze nieuwe seiner is er". Ook hij kwam naar me toe met uitgestoken hand en voor ik me op de gebruikelijke militaire wijze kon aanmelden, zei hij: "Lebeau, de divisiecommandant, welkom als seiner van de divisieboot". Ik had altijd gedacht, dat de oudste commandant tevens divisie commandant was. Nu ontdekte ik, dat ik 2 commandanten had en met hun welkomstgroet gaven ze duidelijk te kennen, dat ze beiden een eigen wereldje vertegenwoordigden. Ze waren beiden luitenant ter zee 1e klas. De divisie bestond uit de 4 grote A,B,C,D mijnenvegers. De Hr. Ms. "Jan van Amstel", de Hr.Ms. "Pieter de Bitter", de Hr.Ms. "Abraham Crijnssen" en de Hr.Ms. "Eland Dubois". 

Nog beduusd van het feit, dat ik van maar liefst 2 commandanten een hand had gekregen, werd ik gelijk weer met m'n neus op de realiteit gedrukt. De seiner Bas de Joode stond te trappelen van ongeduld. Hij was overgeplaatst naar de M.K.O. voor de opleiding telegrafist en had veel haast. Voor ik nog maar iets kon vragen, had hij in een sneltreinvaart alles aan me overgedragen. Hij gaf me de sleutels van de brug en de kaartenkamer en zei: "Je hebt mazzel, dat je op deze schuit geplaatst bent". En weg was hij. En daar stond ik dan, Adriaan Kannegieter, als "eigen baas". Een zelfstandig seiner, maar wel als een kat in een vreemd pakhuis. Een onervaren broekie, de jongste in nummer en laagste in rang. Zo voor de wilde zwijnen geworpen. Ik dacht, laat ik maar beginnen met m'n spullen uit te pakken en m'n kastje in te ruimen en daarna zien we wel weer verder. 

In de punt was het matrozenverblijf De bemanning bestond uit 45 man plus de divisiecommandant. Naast m'n commandant was er de 1e officier Ltz 2 Jongewaard en een jongere Ltz 3 Winkelman. Plekker was de man, die je aansprak als "Schipper", dus de chef d"equipage. Een man, die volgens mij niet uit de verf kwam en helemaal niet bij deze bemanning paste. Dan was er "kwartiermeester Kaptein", helemaal niet "Jan Kaptein", hij liep altijd met een scheef hoofd, omdat hij wel eens van een hoge duikplank was gedoken en niet in de gaten had, dat er nog een lagere plank was. Roselaar, dat kleine mannetje was korporaal machinist. Dit kon je alleen maar zien, wanneer hij ging passagieren. Op z'n werkkleding waren de uitmonsteringen niet meer te herkennen. Overigens had hij vast een dorstig beroep, waartegen, naar hij zei, hij op doktersadvies veel bier moest innemen. Korporaal Konstabel Samson, een Jodenman, deed ook het werk van een bottelier. Dan herinner ik me nog een paar matrozen 1e klas, de Vlaming, Kees Ottevanger en m'n latere vriend Toon v.d. Burg. De meeste hadden het brevet kanonnier en werkten veel met vet en olie en dat kon je zien aan hun werkkleding, het waren echte vetvlekken. M'n eerste indruk was dan ook "wat een rotzooitje". Na een paar dagen was ik er al achter, dat dit een hele andere marinewereld was, met de naam "de Mijnendienst". Mannen, die hard werkten en niet bang waren om vuile handen to krijgen en ...".echte zeelui", die op deze notendop geen problemen hadden, wanneer er een hoge zee stond. Het belangrijkste was wel, dat het een team was. Ze konden op elkaar rekenen. Natuurlijk waren er enkele uitzonderingen.

Een ervan was korporaal- telegrafist Bob Bouguet. Nee, alsjeblieft geen korporaal, dat is alleen maar belangrijk voor m'n gage, ik ben in feite koopvaardij officier. Omdat ze thuis de opleiding telegrafist niet konden betalen, heb ik op kosten van de marine m'n opleiding gehad bij het opleidingsinstituut voor de koopvaardij "Radio Holland". Daarvoor moet ik 5 jaar dienen bij de marine in de tropen. Hij had verkering in Soerabaja. Een telegrafist en een seiner hadden veel dingen gemeen. We moesten onberispelijk gekleed zijn. We hadden geen eigen naam, maar werden telegrafist en seiner genoemd. We waren op zee niet ingedeeld in een wacht, maar waren dan 24 uur "stand by" en we hadden wat de communicatie betreft dezelfde chef nl. de commandant van de radiodienst/radioschool. Bob speelde dikwijls op z'n ukelele, waarbij velen van de bemanning meezongen. Bob had al lange tijd verkering met Rietje Brand. Ze was een dochter van een sergeant-majoor machinist van de Koninklijke Marine en woonde op de Reiniersboulevard in wijk Darmo in Soerabaja. Bob vertelde, dat matroos 1 Toon v.d. Burg verkering had met een nichtje van Rietje, die naast hun woonde.

Het brughuis, waar je omheen kon lopen, was verdeeld in het stuurhuis, wat ook "de brug" werd genoemd, de kaartenkamer en de radiohut. Boven het brughuis was het seindek. Op het seindek stonden de vlaggenkasten. Vanaf het seindek kon je in de stalen voormast klimmen. Boven op de mast was een klein platform met een hekwerk eromheen en midden op een zoeklicht. Omdat de oorlogsdreiging toe nam, was de divisie bezig met het leggen van mijnenvelden in de Javazee, voor de ingang van het "Westervaarwater". Het Westervaarwater was een breed water tussen Java en het eiland Madoera. Vele kilometers landinwaarts lag aan het Westervaarwater de marinebasis en de stad Soerabaja, met de haven "Perak". Nadat de mijnenvelden waren gelegd, werd onze divisie ingezet als binnen- of buitenbewakingsvaartuig of voor het konvooieren van koopvaardijschepen.

Als "buitenbewakingsvaartuig" voeren we een week ongeveer 20 mijl uit de kust voor de ingang van het Westervaarwater. Wanneer er een schip het Westervaarwater op wilde, gaf ik een vlaggencombinatie uit het internationale seincodeboek "Wachten op verdere orders". Het binnenbewakingsvaartuig de "Van Amstel" had dan een week als taak schepen vanuit zee of vanuit Soerabaja, door de mijnenvelden te loodsen. De week daarop waren wij "binnenbewakingsvaartuig en de Van Amstel buitenbewakingsvaartuig". De volgende 14 dagen was het de beurt van de Crijnssen en de Dubois en dan waren de Amstel en de Pieter de Bitter "stand by" voor konvooidiensten. Ongemerkt was ik een geroutineerd seiner geworden en ik had geen enkel probleem, maar wel veel plezier in mijn werk.

Op een keer moesten we een KPM schip met machineschade dat gesleept werd door een sleepboot, konvooieren. Het schip was geladen met torpedokoppen en moest naar Priok (Batavia). Bij vertrek stonden de commandanten te overleggen over het optisch doorgeven van de zig-zag koers. Ik zei hoe het moest. Meneer Dekker (de Cdt. ) greep z'n kans en zei: "Gijs, de seiner komt net van school, die weet heus wel hoe het moet". Enige tijd later gaf de divisiecommandant mij het originele blad uit het doorschrijfboek met een vlaggensein uit het internationale seincodeboek. Ik bekeek het en zei, dat het niet goed kon zijn. Toen ging hij op zijn strepen staan. Waarop ik niet anders kon doen dan de opdracht uit te voeren. Toen het sein over was, kreeg ik als antwoord vlaggencombinaties, die ik inschreef in het doorschrijfboek, waarna ik het origineel, door mij ondertekend aan meneer Lebeau gaf. Nadat hij in de kaartenkamer de betekenis van de code in het internationale seinboek had opgezocht, liep hij blauw aan en zei, dat ik de zaak moedwillig in het honderd had laten lopen. Ik vertelde, dat ik niet wist wat de inhoud van ons bericht was en ook niet wat het antwoord was. Hij brulde dat ze de vlaggen hadden herkend, maar het sein niet hadden begrepen. Dit was m'n kans om die grote mond te laten inbinden. Ik pakte het doorschrijfboek en zei: "Ik ga erin schrijven, dat ik u van tevoren heb gewaarschuwd en ook wat u tegen me gezegd heeft". Er was nu haast bij, want het sein moest eruit, dus vroeg hij me hoe ik zonder meer kon zien, dat het sein fout was, waarop ik zei, dat er geen begin en geen eind aan zat en dat er geen scheidingsvlaggen tussen zaten enz. Na een paar kleine correcties werd het bericht zonder verdere problemen verzonden en ontvangen. Met toch wel een beetje trots dacht ik: "Je bent seiner of je bent het niet".

De voetbalcompetitie lag stil, omdat veel burgers waren opgeroepen voor de militaire dienst. De heer de Best, die me naar de v.v. Brantas haalde en stuurman was bij de K.P.M., was nu luitenant ter zee 2 bij de marine. M'n neef Jan Kannegieter was met meerdere collega machinisten van de K.P.M. opgeroepen en als machinist geplaatst op de motortorpedoboten. Ze lagen bij de mijnendienst en daardoor zagen we elkaar nogal eens. Zijn collega Schepens was inmiddels getrouwd met Mies van Oosten. Wanneer we aan de kant lagen, was er altijd wel een reden te vinden om de wal op te gaan. Ik moest dikwijls naar het centraal magazijn om kapotte vlaggen te ruilen of naar de optische dienst, omdat er een verrekijker was gestoten, waardoor de prisma's verschoven waren en uiteraard naar de verbindingsdienst om bv. een vol inschrijfboek in te ruilen. Ik meldde dan aan de onderofficier v.d. wacht waar ik heen ging. Ik kon wel zeggen, dat ik een vrijgevochten leventje had.

Op 7 december 1941 had Japan onverhoeds op de meest lafhartige wijze de grote Amerikaanse marinebasis "Pearl Harbour" gebombardeerd, waardoor het grootste gedeelte van de Amerikaanse Eastern Fleet, verloren ging. Hierdoor werd nu ook Amerika in de oorlog betrokken. Er kwam ook een einde aan het briefverkeer tussen Nederland, Amerika en Ned. Indie. Ik had nog wel en brief van moeder ontvangen dat ze verhuisd waren, naar de Krispijnseweg in Dordrecht. Ik werd er koud van en kon wel janken. Ook Nederland kon niets anders doen, dan de oorlog te verklaren aan Japan. Er kwamen beschadigde Amerikaanse oorlogsschepen naar Soerabaja. De communicatie ging in "klare taal". Met seinlampen en uiteraard in het Engels. Maar ook dat leverde geen problemen op.

Op een keer voeren we bij zware storm van de Javazee het Westervaarwater op. Op de westpunt van Madoera aan de zeezijde was een wachtpost. Ik zag, dat de Nederlandse vlag omgekeerd aan de stok hing, wat betekende, dat er dringend hulp nodig was. Er werd op geen sein van ons gereageerd. Door onze kijkers zagen we geen enkel teken van leven. De commandant besloot om te gaan kijken wat er aan de hand was.
Niettegenstaande het schip hevig slingerende, moest de metorsloep te water gelaten worden. Juist toen de Davids, waarin de sloep hing, naar buiten waren gedraaid en de sloep vrij van de 2 kussens hing, kwam er een grote roller, waardoor het schip een slagzij maakte van 45 graden. Toen het schip weer terugkwam, slingerde de sloep met z'n volle gewicht tegen de kussens, waardoor deze kussens twee grote gaten in de sloep drukten. Door de klap raakten de matrozen Toon v.d. Burg en van Wijk te water. Gelijk werden er reddingsboeien in hun richting gegooid, maar de stroom was zo sterk, dat ze. in een mum van tijd in de richting Javazee waren verdwenen. De drenkelingen probeerden naar ons toe te zwemmen, maar gingen door de stroom langzaam, maar zeker achteruit richting mijnenveld. De commandant kon hierdoor niet verder achteruit varen. 

De schipper had inmiddels een lange lijn (dunne tros) aan een reddingsvlot laten knopen en het vlot overboord gezet. Nadat het vlot enkele meters vanaf de drenkelingen was voorbij gedreven, konden ze nu met de stroom mee het vlot te pakken krijgen en tot grote opluchting van iedereen zaten ze weldra in het vlot. Toen de lijn werd ingehaald en aan het vlot werd getrokken, brak de lijn. De stroom nam bezit van het vlot, dat nu snel over het mijnenveld, de Javazee in dreef, langs de noordzijde van Madoera. De commandant gaf een noodsein door aan Soerabaja. Ik bleef vanaf het seindek met m'n kijker het vlot volgen, wat door de hoge golven erg moeilijk was. Weldra waren ze uit het zicht verdwenen. Kort hierna vloog er een Catalina watervliegtuig van de M.L.D. (Marine Luchtvaart Dienst) laag over ons en over de Javazee. In een grafstemming voeren we naar Soerabaja. Het was inmiddels donker geworden en de zoektocht van het watervliegtuig had niets opgeleverd. De commandant sprak met schorre stem. De divisiecommandant zei geen woord. De volgende morgen kwam het bericht binnen, dat onze collega's ongedeerd op Noord Madoera waren. De stemming sloeg om en toen de twee in geleende kleding en schoenen aan boord kwamen, was het feest compleet. Ze waren 's nachts aangespoeld en in het vlot gebleven. Toen het licht werd, zijn ze langs de kust gaan lopen en zoals het hoort zijn ze door de kustwacht opgemerkt. De heer de Best was commandant van deze kustwachtpost en ik kreeg de groeten van hem.

Op 19 januari 1942 kregen we de opdracht om met de "van Amstel" en 2 motortorpedoboten (MTB's)" het SS"Tasman" (K.P.M.) en de "Sinkep" (mij. Nederland), die moesten uitwijken naar Australië te konvooieren. De Tasman had ruim 100 vrouwen, kinderen en evacuees uit Malakka aan boord en de Sinkep was tot aan het zeemerk geladen met suiker. Tegen dat het schemer werd vertrokken we en voeren in kiellinie langs de zuidkust van Madoera door het Westervaarwater. Voorop de Tasman, achteraan naast elkaar de Hr.Ms."Pieter de Bitter" en de Hr.Ms."Jan van Amstel". Aan iedere zijde in het midden een M.T.B.. De volgende avond zijn we dicht onder de kust van Madoera, vlak achter het mijnenveld, ten anker gegaan. Op 21 januari toen het licht begon te worden werden de ankers gelicht en zijn toen door straat Bali naar de Indische Oceaan gevaren. Op 22 januari werd het konvooi ontbonden. 

Toen we op de terugweg naar Soerabaja door straat Madoera voeren meldde de uitkijk "bellebaan" een periscoop. Het uiteraard nog steeds bezette geschut werd in stelling gebracht. Ik bleef door mijn kijker zoeken of ik een of ander teken kon ontdekken. De commandant liet ons schip een zwenking maken om de onderzeeboot te rammen. De onderzeeboot kwam omhoog en nog maar net was de toren boven water of er kwam een blanke matroos bovenuit die zwaaide met de Amerikaanse vlag. Ik gilde: "Het zijn Amerikanen". De commandant riep "Bakboord aan boord", waardoor we op nog geen 10 m. langs de nu geheel boven water gekomen onderzeeboot voeren, waarvan de gehele bemanning inmiddels naar het bovendek was gevlucht. De van Amstel had een omtrekkende manoeuvre gemaakt en voer in stelling. De communicatie ging per megafoon. Het waren Amerikanen die met machineschade onderweg waren van Pearl Harbour naar Soerabaja.

De van Amstel kreeg van de divisiecommandant opdracht de onderzeeboot naar Soerabaja to begeleiden. In Soerabaja moest ik zoals gewoonlijk een paar zaken op het etablissement regelen al was het alleen maar om even langs de O.D. (onderzeedienst) te lopen om te kijken of de K 14, waar Giel op zat, binnen was. De ontmoeting was zeer emotioneel, omdat Giel door het oog van de naald was gekropen. Ze hadden een paar Japanse schepen getorpedeerd. Hierna zijn ze aangevallen, waarbij een dieptebom zo dichtbij explodeerde, waardoor het op het bovendek staande kanon geheel ontzet was en er een gat in de loop zat.

Op 3 februari 1942 om 0.00 uur moesten wij met de Van Amstel het K.P.M. schip "van Lansberge" konvooieren om 38 Banjo's (inlandse vissers) naar Makkassar (Celebes) to repatriëren en om 1000 Nederlandse evacues op te halen. De volgende morgen 100 mijl ZW van Makkassar meldde ik aan mijn commandant, dat er tientallen Japanse bommenwerpers zeer hoog overvlogen. De divisiecommandant zei toen: "Je kan toch wel zien, dat het Amerikanen zijn". Ik zei: "Nee meneer, het zijn Jappen". Toen zei mijn commandant: "Als de seiner zegt, dat het Jappen zijn, dan zijn het Jappen". Hij schreef een radiobericht "Soerabaja air attack expecting from the north" en gaf het briefje door het luikje aan de telegrafist. Door mijn vastberadenheid, was Soerabaja in een vroeg stadium gewaarschuwd voor het eerste bombardement door maar liefst 60 vliegtuigen. Hierdoor kon vroegtijdig luchtafweer in stelling worden gebracht en luchtalarm gegeven worden, waardoor een catastrofe is voorkomen, alhoewel er toch nog 60 doden waren. 
De bommenwerpers hadden ook ons waargenomen en we werden dan ook 's middags ruim 2 uur aangevallen door duikbommenwerpers. Bij de eerste aanval stond de "van Lansberge" in lichter laaie. Er ging een bericht naar Soerabaja, dat we zwaar werden aangevallen door duikbommenwerpers en dat de "van Lansberge" in brand stond. Het was helder weer en je zag de bommenwerpers, die iedere keer van een andere kant kwamen aanvliegen, gelukkig al van ver aankomen. We riepen dan: "Daar komen ze weer". De commandant zette de telegraaf op hoofdvaart en schreeuwde koersveranderingen. Wanneer de vliegtuigen dichtbij waren riep de commandant "Dekken". De roerganger dook ook omlaag, maar hield het roer met beide handen vast. Direct erna hoorde je de mitrailleurkogels tegen het pantser ketsen en daarna vielen de bommen en ik zag de waterzuilen van de vlak naast ons ontploffende bommen.

Onze kanonniers vuurden met het afweergeschut en zullen zeker wel treffers gemaakt hebben. Eenmaal zag ik in de verte een wegvliegend vliegtuig roken. Bij een very close near-misser leek het wel of ons achterschip uit het water werd getild. Bob reageerde gelijk en telegrafeerde "Btr. hit by bombs". De vrij dikke houten steng brak van de stalen mast af, waardoor onze radioantenne ook afbrak en ons bericht niet verder doorkwam dan "Btr. hit". Ltz 2 E.Eijlers werkte bij de staf. Hij was een vriend van mijn nichtje Corrie en had gezegd, dat de kans groot was, dat ik niet meer terug zou komen. Tussen de aanvallen door begonnen Bob en ik om met touw de antenne weer omhoog en strak te krijgen. Ik zag, dat we een oliespoor achterlieten en meldde dit aan de commandant. Er was een mitrailleurkogel door het pantser gegaan in een olietank. Op dat moment kwam er een nieuwe aanval en we zagen zwarte rook uit de schoorsteen van de "Amstel" komen en dachten dat hij geraakt was. Dat dachten de Jappen ook en ze hadden ook ons oliespoor gezien. Ze kwamen niet meer terug. 

Later hoorden we, dat het Japanse nieuws had gemeld, dat er twee lichte kruisers en een koopvaardijschip tot zinken waren gebracht. Bij de laatste aanval was bij de "Amstel" met het overgaan op hoofdvaart iets misgegaan, waardoor er zwarte rook uit de schoorsteen kwam. Zij hadden 3 lichtgewonden door mitrailleurkogels. Wij hadden naast de gebroken steng, schade aan de dieptebommeninstallatie, het houten dek en veel kogelgaten. Zo vond ik kogels op de brug en in de laden voor de zeekaarten. Ook vonden ze in de machinekamer diverse kogels en later nog een in een bus met vet. De olie uit de lekkende tank werd overgepompt. Nog voor het donker was hadden we geen oliespoor meer en was de radioverbinding hersteld. Nadat de aanvallen waren beeindigd, stond het hele middenschip van de Van Lansberge in brand. Rondom dreven reddingssloepen met overlevenden. maar ook veel mensen, die zich met reddingsboeien, reddingsvesten of drijfhout boven water hielden. We hadden gezien dat, nadat de Jappen hun bommen hadden afgeworpen ook nog eens een mitrailleurronde over de drenkelingen maakten.

Beide schepen lieten de motorsloepen te water om de drenkelingen op te pikken. Omdat ik in feite de enige was, die geen werk had, vroeg de commandant aan me of ik me over de gewonden wilde ontfermen. Er waren al extra mensen nodig voor de motorsloep, terwijl uiteraard alle stukken bemand moesten blijven. Ik ging naar de ziekenboeg en scheurde een paar lakens in lange repen, terwijl de eerste 4 zwaargewonden werden binnengedragen.
Ik maakte de wonden schoon met water en verbond ze met baddoeken en repen van het laken. De volgende gewonden werden in het gangboord gelegd. Van de ergst gewonde duwde ik de naar buiten hangende darmen naar binnen, legde er een stuk laken over en een omgekeerd wasblik erop. We hadden alleen inlandse geredden. Alle Europese geredden waren op de "Van Amstel".

Terwijl de " Van Amstel" en de sloepen doorgingen met het zoeken naar drenkelingen, begonnen wij met ons 71/2 cm. kanon te vuren op de "Van Lansberge" om het schip tot zinken te brengen, zodat het niet in handen van de vijand zou vallen. Tijdens het vuren, zag ik door mijn kijker, dat er op het achterschip met de Nederlandse vlag werd gezwaaid en ik riep: "Commandant, er staat nog iemand op het achterschip". De commandant gaf order "vast vuren". Ik hees de afgesproken vlag, dat de sloep met spoed naar boord moest terugkomen. De sloepcommandant kreeg opdracht om de persoon op te halen, echter wanneer onze scheepsirene ging, moest hij rechtsomkeert maken en terugkeren. Toen de sloep de "Van Lansberge" was genaderd begon hat schip te zinken. We lieten de sirene gaan waarna de sloep rechtsomkeert maakte. Nadat hat schip was gezonken, maakte onze sloep nog een ronde over die plaats. Er werd een drenkeling opgepikt met een reddingsvest aan. Toen hij aan boord kwam, zat hij vol met water dat we geprobeerd hebben eruit te drukken. Hij vertelde, dat hij de man was, die met de vlag had gezwaaid. 

Tegen de avond voeren we terug naar Soerabaja. De volgende dag hebben we vijf inlanders, waaronder de man met de darmen en die van de vlag, een zeemansgraf gegeven. Door de gewonden hing er een verschrikkelijke stank aan boord. Om de vele mensen eten te geven werd er veel brood gebakken en veel rijst gekookt in onze kleine keuken. Water mocht uitsluitend gebruikt worden voor consumptie. Toen ik bij tante naar binnen stapte kon ze haar ogen niet geloven. Toen de rekening was opgemaakt bleek dat de van Lansberge 20 doden en 29 gewonden had.

Op 15 februari 1942 viel de onneembare Engelse vesting Singapore toch in handen van de Japanners. Het was duidelijk, dat de toestand steeds moeilijker werd. Op 17 februari gaf de marinecommandant van Soerabaja, Schout bij nacht Koenraads de opdracht aan de commandanten van de 4 grote mijnenvegers om na een bepaald codesein naar Australia uit te wijken. Het marine etablissement werd welhaast dagelijks gebombardeerd. Wanneer we aan de kant lagen renden we met luchtalarm naar een van de, sigaarvormige boven de grondstaande, betonnen schuilbunkers. Erg veilig voelde men zich hierin niet. Wanneer er een bom in de buurt viel stond hat gebouw heen en weer te schudden en je was bang, dat het zou omvallen. Daarom gingen we met luchtalarm meestal zo vlug mogelijk naar buiten en voeren dan heen en weer op het Westervaarwater ten oosten van Soerabaja.

Op 18 februari 1942 waren we tot ons geluk weer uitgevaren tijdens het negende bombardement op de marinebasis. Door m'n kijker zag ik de bommen op het etablissement terecht komen. Toen we na de aanval weer binnenkwamen lag de Soerabaja (ex Zeven Provincien) scheef aan de kade. Onder de diverse dekken van dit oude pantserdekschip zat je normaliter veilig. Helaas was er een bom door de schoorsteen gegaan en ontplofte in de onderste toch wel veiligste ruimte. In de machinekamer zaten de buitenboord kleppen, die door de ontploffing kapot sloegen, waardoor hat bassinwater vrij naar binnen kon stromen. Er waren enkele doden en twintig gewonden. De kernbemanning van de onderzeeboot K-VII dacht aan boord, in het bassin onder water, een veilige schuilplaats te hebben. Er vielen twee voltreffers op deze boot. Alle elf bemanningsleden kwamen hierbij om het leven. Veel gebouwen waren beschadigd. 

Na dit bombardement had het Europese personeel van hat marine etablissement opdracht gekregen om naar Tjilitjap, de havenplaats aan de zuidkust van midden Java te gaan, waar schepen gereed lagen om evacue's naar Australia te brengen. Regelmatig kwamen de Ruyter, de Java en andere schepen binnen om te tanken en er kwamen steeds meer buitenlandse grote en kleinere oorlogsschepen bij. Je zag de vloot groeien.

Op 19 februari 1942 zijn Hr.Ms."Crijnsen" en de Hr.Ms."Dubois" in de middag vertrokken om de "Tjisadane" van de J.C.J.L.(Java-ChinaJapan Lijn) te konvooieren. Dit schip moest met enkele honderden evacuee's, waaronder 203 marinemensen, naar Australia uitwijken. Omdat de kortste vaarweg langs Bali te riskant was voeren we langs de noordzijde van Java. Op 21 februari waren ze in straat Soenda, tussen Java en Sumatra en bereikten op 23 Februari de Indische Oceaan. Ze waren toen in feite ontsnapt uit de Javazee en de weg naar Australia lag open. Juist in deze tijd moet het zijn geweest dat de admiraliteit plannen maakte hoe ze Java konden ontvluchten, moesten de Crijsen en de Dubois terugkeren naar Soerabaja waardoor de "Tjisadane" aan haar lot werd overgelaten maar bovendien werden ze teruggestuurd in de fuik die Javazee heet.

Op 1 maart vertrok admiraal Helfrich met zijn staf met vier Catalina watervliegtuigen naar Colombo. Uit hat dagboek van Piet Vermeulen, onze bakker op de Sumatra, lees ik dat hij op de "Tjisadane" dienst moest doen als "chef kok" en dat ze met een grote bocht onderlangs de Cocoseilanden Australia bereikt hebben.

Toen wij op 22 februari in de marine basis afmeerden lag de Hr.Ms."Tromp" aan de kant. Het schip was boven de waterlijn ter hoogte van de brug zwaar beschadigd door Japans kanonvuur tijdens een raid door Straat Bandoeng. Op de kade lagen hoopjes persoonlijke eigendommen, zoals gasmaskerbussen, kleding etc. van de 10 omgekomen en 28 gewonde bemanningsleden. Het schip werd gereed gemaakt om voor reparatie naar Australia uit te wijken. De Tromp kon nog een aantal matrozen gebruiken. Ik mocht niet mee omdat ons schip nog operationeel was en ook voorbestemd was om naar Australia uit te wijken. Bovendien was ik de enige seiner. Ik had in deze hectische tijd gemakkelijk kunnen zeggen dat ik een los lopende matroos was uit de kazerne, maar dan was ik wel deserteur geweest. 

Op 27 februari voeren we buiten het mijnenveld, toen ik op het zoeklichtplatform in de mast stond, zag ik door m'n verrekijker in N.W. richting de Striking Force. Het was een machtig gezicht die kruisers en al die torpedojagers er omheen. In noordelijke richting zag ik net boven de horizon een groot aantal rookpluimpjes. Ik ging vlug de mast uit en meldde op de brug wat ik gezien had. Het was natuurlijk weer de divisiecommandant, die reageerde: "Je kan toch wel zien, dat het de gevechtstoren van de Ruyter is". Ik zei, dat ik de gehele vloot al had gezien, maar dat de rookpluimpjes noord ten oosten achter de horizon waren. Hierna klom meneer Lebeau de mast in en kwam in de kortste tijd wear op de brug en riep: "Dat zijn ze". Niet lang daarna passeerde de "Combined Fleet".

In de namiddag hoorden we het gerommel als van een zwaar onweer. De slag in de Javazee was begonnen. Wij zijn daarna naar binnen gegaan en meerden of aan de buitenkant van de kruiserkade, dus in het Westervaarwater.
De dag daarna begon de zgn. "verschroeide aarde politiek". Veel gebouwen en schepen op het etablissement en in de haven (Perak) stonden in brand. Brandende olie stroomde het Westervaarwater in. De brandende olievlek werd steeds groter en dreef met de getijdenstroom op en neer en dan langs de ene oever en dan weer langs de andere. De gebouwen op het ME waren verlaten en door de beschadigingen kon je aan alle kanten naar binnen. Bob en ik gingen dan nogal eens op strooptocht om te zoeken naar aantrekkelijke dingen om te verpatsen wanneer we naar Australia zouden uitwijken. Zo gingen we kijken in het beschadigde gebouw van de Marine radiodienst naast het torpedoatelier van de onderzeedienst. We zagen een marineofficier en een burger bij het torpedoatelier naar binnen gaan. Bob vond veel radio onderdelen en deed die in een zak. We waren nog maar net uit het gebouw, toen het torpedoatelier met een onweergeefbare knal de lucht in vloog en het door ons verlaten gebouw deels instortte. Later hoorden we, dat hierbij de directeur van het Marine Etablissement en Ltz. v.d. Well Groeneveld, een onderzeeboot commandant, die veel Japanse schepen tot zinken had gebracht, waren omgekomen. Slechts enkele minuten hadden mij weer geluk gebracht. 

In een ander gebouw vond ik later een grote uitgebreide passerdoos. We waren nog maar net het gebouw uit of de eerste bommen vielen in onze omgeving. We werden verrast, omdat er geen luchtalarm meer werd gegeven. We gingen plat op de grond liggen langs een trottoirband. Een bom viel niet ver van ons vandaan in de grond en het stof stoof over ons heen. Een deel van de bemanning was er met een ploegje op uitgetrokken, ze wisten een magazijn met o.a. sigaretten en drank. Ze hadden behoorlijk getankt. Roselaar had, volgens zijn gebruikelijke smoes, op doktersadvies ingenomen, maar wel een overdosis. Tijdens een luchtaanval waren ze een magazijn ingevlucht en vonden daar muziekinstrumenten. Zo liep het stel in een rij achter elkaar, hoempa, hoempa naar boord terug. De kleine Roselaar had een grote koperen soesafoon om z'n nek en liep voorop. Bij de loopplank stond schipper Plekker, als een wassen beeld de vrolijke, troep op te wachten. Als een robot haalde hij het koperen ding van de schouders van Roselaar en liet het tussen wal en schip in het water vallen en zo ging het ook met de andere muziekinstrumenten. Van Bob z'n zak en mijn doos bleef hij af, hij dacht vast, die zijn nuchter, als ik daar aankom ga ik tussen wal en schip. Bob borg de gevonden spullen steeds op in de radiohut en nam die, wanneer hij tussendoor even weg mocht, mee naar huis. Ik legde alles in de ruimte onder de onderste kaartenlade en dacht aan Australia. 

Er was al een paar keer een Japans watervliegtuigje enkele meters over de bergen van Madoera komen aanvliegen, zodat je hat niet zag aankomen, waardoor onze mitrailleurs geen tijd hadden om het toestel in hat vizier te krijgen.
Ik zag met het blote oog hoe met de hand bommetjes werden gegooid, die door de snelheid ver over ons heen gingen. Om buiten de brandende olie te blijven en ook in verband met het vliegtuigje gingen we aan de overkant van het Westervaarwater tegen de oever van Madoera dobberen. Toen het vliegtuigje weer kwam zagen we hem eerder dan hij ons. Nu kon ons afweergeschut tijdig reageren, waardoor het op afstand bleef om ons in de gaten te houden. 

Op het Westervaarwater lagen tientallen verlaten koopvaardijschepen en tankers voor anker. Op 2 maart 1942 hadden we opdracht deze schepen met ons 71/2 cm. kanon tot zinken te brengen. Toen we op een K.P.M.er aan het vuren waren, was er plotseling een enorme ontploffing, waarbij het schip in stukken de lucht in vloog. Ons schip ward opzij gedrukt en ik bukte onder de uitgeklapte stuurboordzitting onder het peilinstrument. Overal om ons heen kwamen brokstukken naar beneden. Dit was het schip, dat geladen was met torpedokoppen, dat we enige tijd daarvoor hadden gekonvooieerd naar Priok (Batavia). Na de val van Singapore was dit schip naar Soerabaja teruggezonden. Het was gewoon om gek van te worden. De hele dag het geknal van ons kanon toen weer dat schip, dan weer bommen, die overigens ver af vielen en mogelijk voor de van Amstel, de Dubois en de Crijnsen bedoeld waren. Na enige uren leek het wel of de wereld verging. Een stuk Madoera vloog met een aantal verschrikkelijke harde ontploffingen de lucht in. De gehele omgeving was een stofwolk. Het bleek dat de ondergrondse pyrotechnische werkplaats (kruid en munitiefabriek) was opgeblazen. Ook van de Javaoever hoorden we onafgebroken ontploffingen, vele veroorzaakt door brandende olie en/of benzinevaten in het havengebied. 

Tussen de bedrijven door gingen we afmeren aan de kruiserkade en enkelen mochten even naar hun gezin of familie. Bob ging dan even naar Rietje en nam weer wat spullen (radio) mee en ik ging eenmaal naar tante, waar ik hoorde, dat de hele staf van de droogdok naar Tjilitjap was vertrokken. Onze commandant had het inlands personeel toestemming gegeven om naar huis te gaan.
Op 6 maart 1942 moest de gehele bemanning gewapend op de wal komen. De meesten zaten op balken en/of ijzeren binten, die op de kade lagen, toen onze commandant meneer Dekkers een toespraak hield. Hij had een nogal twijfelachtige opdracht ontvangen om naar Australia uit te wijken, maar wenste geen verantwoording te nemen om zijn bemanning willens en wetens de dood in te jagen. Daarom had hij besloten ons schip tot zinken te brengen. Hierna ging korporaal Samson aan boord en hing aan de buitenkant 2 tijdbommen onder de waterlijn. Even later 2 doffe dreunen en langzaam zonk mijn geliefde mijnenveger. Plotseling een hard geblaf, ons scheepshondje kwam naar het dek gevlucht. Matroos 1e klas Fraanje sprong aan boord, pakte hat hondje en was juist weer op tijd aan de wal, voordat de Pieter de Bitter op een oor ging om voor altijd ter ruste te gaan. 

De beslissing van onze commandant was onbegrijpelijk omdat toen al bekend was dat de Jappen alle blanken op Borneo had omgebracht en was derhalve de slechtste van de twee mogelijkheden. Ik dacht aan de "Tromp" die al lang en breed veilig in Australia was en ik vroeg me of of de prijs die ik betaald had voor koningin en vaderland niet te hoog geweest was. 
Kort hierna deed het verhaal de ronde dat onze commandant door de staf ter dood was veroordeeld wegens "dienstweigering in oorlogstijd". De commandant van de Hr.Ms."Gouden Leeuw" zou het vonnis ten uitvoer moeten brengen, wat in ieder geval niet gebeurd is (dus een dienstweigeraar). Mijn eergevoel was in ieder geval hoger dan dat van onze commandant. Onze hoogste baas in Soerabaja, kwam met z'n golfuitrusting bij de voor de vlucht klaar liggende onderzeeboot K XII. 
Een bemanningslid nam de golfuitrusting bij de loopplank over en brak alles doormidden en liet het tussen wal en schip te water. Matroos 1 T.v.d. Burg, die ook nog mee wilde was woest. Hij kon niet mee, omdat de onderzeeboot overladen was. Voor ons lag de "Crijnsen", die ze met boomtakken aan het camoufleren waren. Ze wilden proberen naar Australia uit te wijken.

Omdat we toch op vervoer moesten wachten, ging ik kwasie helpen en vroeg aan de commandant van de Crijnsen of ik mee mocht. Hij zei, dat ze niet op een seiner zaten te wachten. De Crijnsen is in Australia aangekomen. Ik heb dit nooit goed kunnen verwerken. Daarentegen kreeg de Dubois machinepech, waarna de bemanning overstapte op de van Amstel. De van Amstel werd door een Japanse torpedojager ontdekt en tot zinken gebracht. Er waarn vele doden en gewonden. Natuurlijk hadden we met 4 schepen een kans meer gehad om te ontkomen.

Nadat we een paar uur in de zon hadden gezeten kwam er een open vrachtauto om de nog aanwezige bemanningsleden op te halen. We reden hiermee langs verschillende gebouwen en ik had de indruk, dat we nergens terecht konden. In de late namiddag reden we naar het verlaten adelborsteninstituut in de Baritostraat schuin tegenover m'n tante. De deur was op slot. Ik wist dat de beheerder sergeant der mariniers Ossevoort naast m'n tante woonde. De sergeant was met de adelborsten uitgeweken naar Australia, maar z'n vrouw had de sleutels. We hadden na ons ontbijt nog niets gegeten, daarom begonnen we alle kasten na te kijken en vonden stapels blikken met noodrantsoenen. Na wat gepruts lukte hat iemand om de branders onder de vaste kookketel te ontsteken.
Korte tijd daarna aten we van echte borden. Juist nadat we gegeten hadden kwam er een legerauto met gamellen warm eten, die gelijk weer rechts omkeert kon maken. Tijdens onze zoekacties in het gebouw vonden we ook een kast met textiel. Ik haalde er een aantal stellen ondergoed uit. Gewapend ging ik even naar m'n tante en deed het ondergoed in m'n grote koffer, waarin m'n Europese kleding en m'n fotoalbum zat. Deze koffer lag op het zoldertje in de garage. De wijk Darmo, waarin m'n tante woonde lag aan de rivier de Kali Brantas. Aan de overkant lag de plaats Wonokromo waar de Shell haar installaties had, wat nu een grote vuurzee was. De lucht boven ons was zwart van de smoke met er tussendoor vuurflitsen van de met enorme knallen ontploffende vaten benzine, olie of andere stoffen. De vaten lagen daar huizenhoog opgestapeld.

Plots kwam er een order "Iedereen in de wapens, de Jappen zijn over de Wonokromobrug". We gingen..ongeorganiseerd verspreiden in de tuinen van de huizen in de Baritostraat.
Ik dacht, dat ik het beste naar tante kon gaan. In de voortuin was een half in de grond gebouwde schuilkelder met een berg grond erop. Tante en Corrie vluchtten de schuilkelder in, terwijl ik op mijn buik er bovenop lag. Ik had de trekker van m'n Manlicher repeteergeweer al overgehaald. Het is niet te geloven, maar wel echt gebeurd en achteraf belachelijk. Na een poosje kwam er bericht "Vals alarm". Tegen de avond werden we met een open legerauto overgebracht naar de weg langs de kali Brantas net voorbij de brug naar Wonokromo. Deze weg liep voorbij de Ondaatjeweg, waar een kazerne van het Indische leger was. We moesten stelling nemen achter de verhoogde oever van de kali en lagen ongeveer een meter van elkaar. Bob lag naast me. Dit was "de verdediging van Soerabaja". Lach niet, want het wordt nog komischer. In het licht van het brandende Shellterrein zagen we rijen auto's met soldaten over de brug van Womokromo Soerabaja binnenkomen. Ook achter ons reden auto's met soldaten voorbij. Later bleek, dat ze op terugtocht waarn naar Madoera. Niet lachen s.v.p. het was geen vlucht, maar de bedoeling om daar een "laatste bolwerk" te vormen. Onbegrijpelijk onze mariniers waren de brug overgereden in de andere richting. Het was dus duidelijk, dat marinemensen op het land de terugtocht van de landmacht moest dekken. We hadden de opdracht om op elk levend voorwerp in de rivier te schieten. Na enige tijd kwam er niets meer over de brug en reden er geen auto's meer achter ons langs. De stilte maakte je bang.

We tuurden over de kali en zagen niets anders dan de gebruikelijke grote pollen groen/riet voorbij drijven. We waren doodmoe ook al omdat we 's middags niet hadden geslapen. Je kreeg waanideeen en zag niets anders meer dan Jappen voorbij drijven, alleen ze bewogen niet. Net was ik ingedommeld toen er zowel links als rechts van me werd geschoten met geweren en mitrailleurs. Gelukkig schoot het waanbeeld niet terug en het vuren hield weer op. Niet een keer heb ik iemand gezien die leiding gaf. Ik heb geprobeerd over te brengen, dat het een complete wantoestand was en dat kon ook niet anders, want de "Hoge heren" van de marine zaten al veilig in Australia, Colombo of waren onderweg er naar toe.

Op 7 maart 1942, dus de volgende morgen werd de verdediging van Soerabaja opgeheven. We moesten naar het klooster aan de Darmo Boulevard om onze wapens in te leveren. Onderweg ernaartoe had ik Bob zover gekregen, dat we direct na het afgeven van ons geweer, als er ook maar een kans was, er tussenuit te knijpen. Op het plain voor hat klooster gooiden we ons geweer en patroontas op de grote stapel. Er stond een pater bij to kijken. Ik zag opzij van de stapel een klein pistool liggen, pakte het en deed het in m'n zak. Ik dacht "Voor mij minstens een Jap". De pater zei: "Die mag je niet weghalen". Toen zei ik tegen Bob: "Wegwezen". Het ging allemaal zo vlug, dat ik niet weet of er nog orders waren, of er vervoer was en of er nog collega's waren. Ik zag maar een ding, het hek van het klooster waar ik zo vlug mogelijk weer door naar buiten moest, voordat het niet meer kon. We staken vlug de boulevard over en Bob zei: "Die kant heen". Op een gegeven moment vroeg Bob: "Kunnen we niet beter teruggaan" ? Ik zei: "Nooit" ! Maar als jij wilt, dan ga je maar. Ze kunnen je maar één keer doodschieten en dan maakt het voor mij niet uit "waar". Na maar een kort stukje lopen kwamen we op de Reiniersz Boulevard en even daarna zei Bob: "Hier woont de familie Brand" en we namen voor hat hek afscheid en ik liep door naar m'n tante. Het lijkt allemaal wel erg flink van me, maar toch bekroop de angst me bij de wetenschap, dat de Jappen in Balik Papang op Borneo veel Nederlanders hadden afgeslacht.

Wat stond ons te wachten, wanneer de Jappen Soerabaja zouden binnentrekken. Tante en Corrie waren opgelucht toen ik binnenkwam. Je kon nooit weten wat er allemaal kon gebeuren met alleenstaande vrouwen. Een man in huis gaf toch wat meer weerstand tegen mannen met verkeerde bedoelingen. En tenslotte wist alleen tante, dat ik een pistool in m'n zak had. Oom Adrie had ergens uit Midden Java gebeld, dat hij niet meer had kunnen uitwijken en er geen mogelijkheid was om terug te reizen. Tante had heel veel geld in huis. De directeur van de Java-bank, de heer Colijn, had geld bij tante afgegeven voordat hij met oom Adrie naar Tjilitjap was gevlucht. Het was bedoeld om het inlands personeel van de droogdok-maatschappij door te betalen. Nadat het inlands personeel van tante naar huis was gegaan hebben we het geld en de sieraden van tante in jampotten en flessen gedaan en daarna ingegraven achter de stenen treden onder het terras. De flessen sterke drank werden in de voortuin ingegraven. Die nacht sliep ik slecht. Ik hoorde alsmaar geratel van rupsbanden en motoren van zware auto's.
Hoelang zullen we nog te leven hebben. Ik dacht aan het afscheid van mijn moeder. Ja, dat is waar ook, ze zei: "Vergeet nooit, moeder bidt voor je". Zou ze nog wel leven ?