De ondergang van Hr.Ms. Deneb

Bron: Vastwerken - Bewerkte overname uit Alle Hens van april 1950. Chris Mark. 

Op 1 september 1939 werd de gehele vloot van de Gouvernementsmarine gemilitariseerd. `Vloot' is misschien wel een wat weids begrip voor dit conglomeraat van allerhande kleine scheepjes die, slechts voor een deel van zeer lichte bewapening was voorzien, plotseling als Hr.Ms. Schepen van oorlog moesten fungeren. De Kapal Poetih, die met hun helder witte kleuren en gele schoorsteen vaak zo een fleurige tint hadden gegeven aan menige baai of haven in ons voormalige tropische eilandenrijk, verdween en het sombere oorlogsgrijs kwam er voor in de plaats. Voor de schepen waren verschillende functies: een deel was ingeschakeld bij de bewakings- en onderzoekingsdienst of deden dienst bij de bebakening en kustverlichting, weer andere waren ingedeeld bij escorte- of bevoorradingsdiensten en de overige stonden ter beschikking van de plaatselijke marinecommandanten en bestuurshoofden. Zij lagen als regel op veraf gelegen posten en hadden tot taak gouvernementsambtenaren, politie of troepen over te brengen, alsmede goederen, munitie, benzine en voorts de bemanningen van bepaalde kustlichten af te lossen.

Hr.Ms. Deneb behoorde tot de groep van voormalige gouvernementsschepen die ter beschikking stond van een commandant maritieme middelen en wel in de Riouw Archipel. En zo lag dit schip op 4 februari 1942 circa 500 meter ten westen van het eiland Zuid-Broeder in Straat Doerian ten anker, waar men juist bezig was met het aflossen en aanvullen van het personeel van de kustwacht. In de nabijheid lag een klein gewestelijk vaartuig, de Martha.


Het gimilitariseerde vaartuig van de gouvernementsmarine Hr.Ms. Deneb
ging na een moedige, doch ongelijke strijd tegen de Japanners op 4 maart
in Straat Doerian ten onder ( fotocoll.IMH )

Plotseling hoorde men vliegtuigen naderen. Daar kwamen ze: zeven twee-motorige bommenwerpers met de bekende rode schijf op de vleugels en romp: Japanners!
Men schonk er niet zo veel aandacht aan: er kwamen hier geregeld Japanse vliegtuigen over als zij een bezoek gingen brengen aan de haven en marinedokken in Singapore. Doch nu vlogen zij wel rg laag. Geen wonder: Hr.Ms. Deneb bezat twee kanonnetjes van 3,7cm, daterend uit het jaar onzes Heren 1890, die niet waren ingericht voor het vuren op luchtdoelen en andere middelen om het vuur op de aanvliegende Japanners te openen, bezat Hr.Ms. Deneb niet! Men zag de kleppen in de romp van de vliegtuigen opengaan en daar kwamen de bommen aan: tegelijkertijd werd met alle mitrailleurs waarover de vliegtuigen beschikten, het vuur op de ongelukkige Deneb geopend.

Rondom het nietige scheepje rezen plotseling de waterfontijnen omhoog; het waren de near misses, die de nog geen 800 ton metende Deneb deden schudden en kraken. Drie bommen troffen het schip en richtten een vreselijke ravage aan. Niettegenstaande de vrijwel hopeloze positie waarin het stilliggende schip verkeerde, vuurden de oude kanonnetjes aan boord van de Deneb dat het een lieve lust was. Doch de Jappen waren met deze eerste aanval niet tevreden; het schip dreef nog en in een sierlijke boog keerden de vliegtuigen terug, nogmaals hun bommen richtend op de roerloze Deneb, die in Straat Doerian lag te zieletogen.

Een aantal van de opvarenden was, hun eerste opwelling tot lijfsbehoud volgend, over boord gesprongen om aan deze hel te ontkomen en zwemmend probeerden zij zo goed en zo kwaad als het ging de vaste wal te bereiken. De tweede aanval had - voor de Japanners althans - meer succes: niet minder dan 10 bommen sloegen aan boord van de Deneb krakend in, waaronder ook een brandbom, die het gehele achterschip in een oogwenk in lichtelaaie zette. Toch bleef de bemanning met het overgebleven stuk drvuuren: al was het dan moeilijk met deze kanonnetjes de vliegtuigen te raken, dan wilde men toch door het afweer de vijand dwingen om hoger te vliegen en zo de trefkans geringer te maken. Het mocht echter niet veel baten: de talloze treffers hadden twee leden van de bemanning gedood en een twintigtal lag zwaar gewond op het dek. En diegenen, die zwemmend trachtten de vaste wal te bereiken, bleken ook geen rekening te hebben gehouden met de krachtige stroom in Straat Doerian.

Aan boord van het gewestelijk vaartuig Martha had men de laffe Japanse aanval gezien: de opvarenden van dit scheepje hadden zich met de beide jollen naar de wal begeven en zich daar in veiligheid gebracht. Zij balden de vuisten en velen konden een krachtterm niet onderdrukken. Wezenloos keek men enkele ogenblikken naar deze afslachting. Toen werd het twee Hollandse matrozen te machtig. Zij sprongen in de langszij van de Martha liggende motorsloep; het aanzetten van de motor was het werk van een ogenblik en weg vloog de boot in de richting van de brandende Deneb. In enkele minuten hadden zij het wrak bereikt en hun eerste zorg gold hun zwaar gewonde kameraden die op het dek lagen.

Ver weg, op veilige afstand, zagen de Jappen dat hun werk nog niet volkomen was en dat er hulp - zij het op bescheiden schaal - opdaagde. Dat konden zij niet op zich laten zitten; niet alleen het schip, ook het moreel moest kapot. Weer zwenkten zij en nogmaals namen zij het wrak van de Deneb onder vuur en bedekten de zee rondom het bootje met hun moordend lood en brandbommen. Doch, als door een wonder ontsnapten de inzittenden van de boot aan deze Japanse aanval; de motorsloep vol gewonden keerde behouden terug.

De overige bemanning van de Martha was intussen ook van de schrik bekomen en stond gereed hun gewonde kameraden aan land te brengen en te verzorgen. Nauwelijks was de laatste uit de sloep getild, of de beide inzittenden, de milicien matroos seiner-kustwachter 2e klas Th.J. Zitter en de milicien matroos seiner-kustwachter 3e klas W.C.C. van Casand, waren alweer op weg naar de Deneb. Toen zagen zij echter, dat zij, die overboord waren gesprongen om zwemmend de vaste wal te bereiken, het niet konden bolwerken tegen de sterke stroom en steeds verder afdreven om de zuid. Daarom zetten zij eerst koers naar de zwemmers, van wie enkelen al bijna uitgeput waren, toen de sloep hen bereikte. Twee krachtige knuisten grepen hen n voor n in hun kraag en hesen hen aan boord van de sloep.

Opnieuw gingen zij naar de landingsplaats, doch voor het zover was, kwamen de Jappen nog even over, de motorsloep nog eens met hun mitrailleurs besproeiend. Doch het oude spreekwoord, dat alleen de dappere geluk heeft, bleek op waarheid te berusten: de motorsloep met de vele inzittenden bleef weer gespaard en veilig werden de drenkelingen aan land afgeleverd.
En weer kwamen Zitter en Van Casand in actie: weer begaven zij zich op weg naar de Deneb. Aan boord van dit schip was men er intussen in geslaagd een niet al te ernstig beschadigde sloep te strijken en met deze probeerden de overgebleven opvarenden het vege lijf te redden. Doch toen zij zagen, dat de motorsloep nogmaals naar bet brandende wrak terugkeerde, draaiden zij ook weer om en begaven zich naar het schip, hoewel de Japanners, blijkbaar verontrust dat er nog Nederlanders over waren, zich gereed maakten de vijand nogmaals aan te vallen.

Zo goed en zo kwaad als het ging baanden Zitter en Van Casand zich een weg over het met wrakstukken bezaaide en gehavende dek en zij mochten het genoegen smaken toch nog een gewonde te vinden. Ook deze werd in de sloep gebracht en toen werd eindelijk koers gezet naar de wal, waar men behouden aankwam, terwijl het gebrom van de vliegtuigen in de verte wegstierf.
Zo verrichtten twee Nederlandse matrozen, Zitter en Van Casand, een onverschrokken daad. Op een moment, dat in hun onmiddellijke omgeving ouderen en meer ervarenen door de zucht tot lijfsbehoud werden overmeesterd, gaven zij blijk van een zelfbeheersing, vastberadenheid, handigheid en beleid, die menigeen ten voorbeeld kan worden gesteld. Zonder de minste aarzeling stelden zij alle pogingen in het werk het leven van hun kameraden te redden, daarbij in het geheel niet achtend op eigen lijfsbehoud en met slechts hen doel voor ogen: hun kameraden hulp te bieden, waar hulp nodig, ja dringend nodig was.

De menslievende daden van deze twee seiners-kustwachters raakten niet in het vergeetboek. Nauwelijks een maand later was de Slag in de Javazee gestreden en enkele dagen later capituleerde Java. Toen viel een lange nacht over Indie, die eerst vele jaren later zou wijken voor een mistige, grauwe schemering. In deze lange nacht, waarin de gevangen genomen Nederlandse militairen vele ontberingen moesten doorstaan, vond ook de matroos seinerkustwachter Van Casand zijn einde: op 13 juni 1943 overleed hij in Thailand.
Ruim vijf jaar daarna, bij Koninklijk Besluit van 29 december 1948 nr. 60, werd de Bronzen Leeuw toegekend aan de toenmalige matroos Zitter en postuum verleend aan Van Casand. Zo werd hun onverschrokken daad toch uiteinde lijk beloond zoals alle goede daden beloond zullen worden.

Hr.Ms. Deneb
Bouwwerf. Ned. Scheepsbouw Mij to Amsterdam, 1915
Afm. 47.78 x 8.40 x 2.70 m 
Waterverplaatsing 623 ton 
Machinevermogen 820 ipk 
Max. snelheid 12 knopen 
Bemanning 45 koppen 
Bewapening 2 kanons van 3_7 cm