NEDERLANDS OOST INDIE (INDONESIE).
Door Adriaan Kannegieter

In de vroege morgen van woensdag 9 oktober 1940 meerden we of aan de kade van Priok de haven van Batavia (Jakarta).
Onze divisie had de (ree)wacht. Omdat het zgn. zondagsdienst was, gingen de meeste bemanningsleden die geen wacht hadden passagieren in Batavia 10 km. vanaf de haven. We hadden de laatste weken Maleise taalles gekregen zodat we ons enigszins verstaanbaar konden maken. De mannen van de wachtdivisie die niet actief op post stonden, waren aan dek om te kijken wie er allemaal kwamen oplopen (bezoeken).

Er kwam een korporaal vliegtuigmaker de loopplank op, die me bekend voorkwam. Ik liep naar hem toe en voor er nog maar iets gezegd was, zei hij: "Kannegieter" en toen zag ik het ook "Teun de Gruijter" uit Hillegersberg. Hij is tot's avonds aan boord gebleven. We hadden een uitgebreide rijsttafel en omdat er maar weinig passagiers naar boord terugkwamen om te eten, was er voldoende voor de gasten. Het was een gezellige dag. Zondag 13 oktober zijn we met een hele ploeg met paar taxi's naar de gereformeerde "Kwitankerk" in Batavia gegaan. De volgende morgen zijn we om 7.00 uur v.m. vertrokken.
Op woensdag 16 oktober 1940 om 7.00 uur v.m. arriveerden we op de rede van de marinebasis to "Soerabaja" (Oost Java).
Ik had grote verwachting om oom. Adrie, tante Alberdien, Corrie en Rein te ontmoeten. oudere matrozen, die al eerder een term in Indie hadden gemaakt zeiden echter, dat ik me er maar niet teveel van moest voorstellen. De burgers keken de militairen nog met met hun nek aan en dat de meeste goede horecabedrijven niet toegankelijk waren voor militairen in uniform.
Op het mededelingenbord was aangekondigd, dat we in 3 ploegen 10 dagen met vakantie zouden gaan naar het "marine vakantieoord" in Malang.

We zouden gaan afmeren aan de kade voor gebouw F "De oude loods". Ik hoorde een oudere matroos zeggen: "Dat is de loods waarin het marinepostkantoor is". Ik dacht, dat is mijn kans. Ik ging naar opperschipper "Hekelbeke" en vertelde dat m'n familie in Soerabaja woonde en vroeg `of ik kon worden ingedeeld in de "meerploeg" om te kunnen opbellen voordat de "Sum" de basis was binnengesleept. En weer had ik geluk, daar was ik tenslotte voor in de wieg gelegd. Zo ging ik met onze sloep naar de wal, maar daar stond al een meerploeg uit de kazerne. Het kon gewoon niet mooier. Ik naar het postkantoortje en vertelde m'n verhaal. De beambte zei, dat het niet de gewoonte was, maar omdat ik net uit Holland kwam, wilde hij wel een keertje een uitzondering maken. Hij zocht het telefoonnummer op "draaide" het en gaf de haak over de balie heen aan mij. Ik kreeg tante Alberdien aan de lijn. Ze was zeer verbaasd, dat ik in Soerabaja was. Tot m'n grote opluchting vroeg ze tegelijk "Wanneer kan je naar ons toekomen" ?
Ik zei: "Vanmiddag, maar morgen moet ik voor 10 dagen met vakantie naar het marinevakantieoord in Malang". Toen zei tante: "Wij gaan zaterdag ook 7 dagen met vakantie naar Poedjon in de bergen. We hebben daar een vakantiehuis van een kennis gehuurd, je gaat maar met ons mee. Je vraagt het maar. Je moet zeggen dat je oom hoofdingenieur is bij de droogdok en dat hij ook zal proberen dat je met ons meegaat". 

Om 10.00 uur v.m. werd de "oude Sum" afgemeerd en was er een eind gekomen aan de langste reis die een schip van de Koninklijke Marine ooit gemaakt heeft. T.w. Vlissingen-Soerabaja, 25045 zeemijlen. Zodra ik de loopplank op kon, ging ik naar m'n divisiechef en deed m'n verhaal. Het maakte wel indruk, hij was al eerder een term in Indie geweest en wist hoe de zgn. "Simpang societeit" (upper ten) werkte. Hij zei: "De lijsten met namen zijn nog aan boord en ik zal kijken of het te regelen is".
Inmiddels was, zoals gebruikelijk in een haven, de telefoonverbinding aangesloten, waardoor de commandant, de eerste officier en de 0.0. van de wacht bij de loopplank, een telefoontoestel ter beschikking hadden. Enige uren later werd er omgeroepen, dat ik bij m'n divisiechef moest komen. Het was geregeld. Ik kon naar het scheeps-bureau gaan om m'n verlofpas en m'n "katje" (gage) te halen. Na "vast werken" mocht ik met verlof. Op m'n verlofpas stond het adres en telefoonnummer van de familie Cameron. Ik belde tante op maar ze wist al dat ik met hun meeging. Je vader weet ook al dat je hier bent (Dus binnen een paar uur ook in Holland). Het gezegde "Dat het niet uitmaakt wie je bent, maar wel wie je kent" was hier zeker van toepassing. Tante zei nog, dat zij de taxi zou betalen. 

Nu ging ik maar vast inpakken en zo links en rechts afscheid nemen. Giel had er de smoor in, we waren ook steeds op elkaar aangewezen geweest. Hij zei: "Wat heb jij toch altijd geluk. Het is toch niet te geloven, dat jouw familie ook juist deze week met vakantie gaat". Na "vastwerken" dus voor de vette hap ging ik de loopplank of van mijn toch wel zeer geliefde "ouwe Sum". Op de kade stonden al een rij taxi's te wachten. Mijn bagage werd overgenomen door de Javaanse taxichauffeur. Ik liet hem het adres op het pasje zien. Het was een lange rit en aan de inmiddels hete zon te zien, was hij rondjes aan het rijden. Toen we eindelijk voor de deur in de Baritosstraat stopten, stond de katjong (tuinjongen) op post. Hij pakte mijn bagage uit de auto en bracht die naar mijn kamer. Tante kwam naar buiten gesneld en omhelsde me. Toen ze de taxichauffeur betaalde ging die tekeer als een "wild zwijn". Tante zei iets tegen hem en toen was hij zo vertrokken. Die taxichauffeur had de rit extra lang gemaakt en gedacht dat baroetje (nieuweling) kan ik wel even te pakken nemen. 

Neef Rein studeerde op de Technische Hogeschool in Bandoeng (Midden Java). Hij kwam niet zo dikwijls thuis, mede omdat hij ook daar verkering had met Tetta Tjaarda. Zijn kamer kon ik gebruiken wanneer hij niet thuis was. Het is nooit voorgekomen, dat wij tegelijk de kamer nodig hadden. Bert ging nog in Nederland op school en woonde bij oma Cameron. Corrie ging in Soerabaja op de HBS.
Kort nadat ik binnen was, kwamen oom Adrie en Corrie thuis. Het was een fantastisch weerzien. En daar moest op gedronken worden en dat deden we op het terras. De baboe kokkie kwam vertellen, dat de tatei klaar was en dat ze er een feestmaal van had gemaakt voor de jonge toean Adrie. Tante Alberdien had een groot sierbord van de wand gehaald en dat bord was voortaan voor mij, omdat ik vroeger altijd zoveel at. Het bleek dat daar nog geen verandering in was gekomen. Wat was het gezellig na zo'n 6 maanden weer eens in een normale omgeving te zijn. Nee, de echte militair was in mij nog niet geboren. Na het eten gingen we allemaal een paar uur naar bed, zoals dat in IndiŽ gebeurde. Nadat ze me geroepen hadden ging ik mandieŽn (douchen). De katjong zorgde ervoor, dat de mandiebak altijd vol water stond. Het was een betonnen bak van ongeveer 1 m. lang x 1 m. breed x 1 m. hoog. Het water werd geput uit een diepe waterput en was lekker koel. Met een steelpannetje schepte je water en goot dat dan over je heen om je te wassen. Ja, zo heeft ieder land z'n gewoonten. Zo ging ik naar de wc, maar zag geen closetpapier. Ik vroeg aan tante hoe dat zat. Ik had wel allemaal flessen zien staan. In IndiŽ gebruikten ze geen papier, maar de "bottle tjebok" je goot het water achterlangs en maakte je achterste schoon met je vingers. De katjong zorgde ervoor, dat de bottles altijd vol waren. 

Tijdens theedrinken zei tante: "Je neef Jan Kannegieter woont ook in Soerabaja. Je moet maar eens bellen misschien is hij thuis". Het was wel weer geluk, Jan was een paar dagen thuis. We spraken af, dat ik de volgende dag bij hem zou zijn. 's Avonds zaten we gezellig op het terras bij een grote schemerlamp, die op het laatst zwart zag van de beestjes. Om de muggen te verdrijven stond eronder de tafel een langzaam opbrandende spiraal, die rookte. Ook stonden er daarvoor 2 ventilatoren op de benen gericht met het gevolg, dat, wanneer iemand opstond hij/zij stijve benen had. Omdat de dag vroeg begon, ging men ook bijtijds naar bed. Toen ik de volgende morgen opstond, hadden de anderen er al een paar uur opzitten. Ze hadden me laten liggen, want toean Adrie had na alles wat hij had meegemaakt rust nodig. Toen ik het ontbijt zag, zei ik: "Dat ik rust nodig had is wel duidelijk, maar ik ben niet uitgehongerd". Tante en de baboe moesten er hard om lachen. Na het ontbijt ging ik met een taxi naar Jan toe. Tante had gezegd: "zorg altijd, dat je genoeg gepast geld bij je hebt voor de taxi, want ze hebben nooit wisselgeld om terug te geven". Ze vertelde hoeveel ik moest betalen.

Toen ik bij Jan voor de deur uitstapte, betaalde ik en de taxichauffeur zei: "Trima cassi banjak (hartelijk bedankt) ". Omdat ik het zo weinig vond, had ik 10 cent meer gegeven. Jan, die een paar jaar ouder was dan ik, woonde met zijn vriend, machinist Schepens in de tot woongelegenheid omgebouwde garage van de familie Heringa. De heer Heringa was inspecteur van politie en ouderling van de Gereformeerde kerk. Zodoende waren ze ook kennissen van oom Adrie en tante Alberdien. Jan vertelde, dat hij geslaagd was voor de ambachtsschool op de Beukelsdijk in Rotterdam. Hij wilde machinist worden, maar doordat oom Gijsbert werkeloos was, kon hij dat niet bekostigen. Omdat hij geslaagd was met hoge cijfers, kwam hij in aanmerking voor een beurs van de K.P.M. (Koninklijke pakketvaart Mij.). Hierdoor kon hij intern op de machinistenschool "M.A de Ruijter" op de boulevard in Vlissingen een machinistenopleiding volgen. Er stond wel tegenover, dat hij na het examen verplicht was, 5 jaar to varen voor de K.P.M. in Indie. Hij had een verrassing voor mij. Er kwam een dame op visite, ze kwam lachend naar me toe en stelde zich voor "Mies van Oosten" en ik zei gelijk: "Uit Barendrecht het vriendinnetje van zus". Ze was onderwijzeres op de Christelijke school van Soerabaja. De school lag naast het zwembad aan de Tegalsari, met als hoofd de heer Kuijken. Ze had een kamer in het woonhuis van de familie Heringa. We zijn met elkaar ergens wezen eten en het kostte me niets. Zij verdienden veel meer dan ik, een "puppes 3". Later ben ik nog dikwijls in de garage geweest en het waren altijd kleine feestjes. 

De volgende dag, vrijdag 18 oktober 1940, ging ik met oom Adrie mee naar het Droogdok. Hij stelde mij voor aan zijn directeur en aan ieder die we tegenkwamen. We liepen door de kantoren en over de dokken. En heus, ik liep in het uniform van een matroos. Het mocht ook niet anders, want er stond een zware straf op, wanneer je geschaakt werd in burgerkleding.
Op zaterdag 19 oktober werd de auto, een Plymouth, volgestouwd en gingen we met z'n vieren op vakantie. Ik mocht voorin naast oom Adrie zitten. We reden richting Malang over een langzaam oplopende geasfalteerde weg. Bij Lawang sloegen we rechtsaf. Even buiten deze plaats werd het een slecht verharde weg. Omdat er een auto voor ons reed, zijn we een poosje gestopt, om niet steeds in een stofwolk te rijden. De omgeving was prachtig. We reden tussen de bergen door met mooie vergezichten. De temperatuur was heerlijk, terwijl de zon fel scheen. Het was goed te voelen, dat we behoorlijk hoog boven de zeespiegel waren. Zo kwamen we in het mooie, maar wel eenvoudige vakantiehuis in Poedjon. Achteruit keken we over een dal. In het dal was een dessa met een pasar. Alles was heerlijk groen en er waren veel mooie in het wild groeiende bloemen. 

's Avonds was er feest in de kampong met muziek en zingende mensen. Toen ik in de kamer, aan de straatkant, op bed lag kon ik er niet van slapen. De muziek werd wilder en de massa begon steeds harder to schreeuwen. Het leek net alsof er steeds meer mensen langs het raam van m'n slaapkamer liepen, die met elkaar aan het praten waren. Voorzichtig keek ik door een spleetje tussen de gordijnen door. Het was stikdonker, maar ik zag wel veel schaduwen voor het huis. Ik begon hem behoorlijk te knijpen. De muziek werd steeds heviger en zo te horen werden de mensen opgezweept.
Het werd almaar drukker voor het huis. Net toen ik dacht, wat zijn ze met ons van plan, hield de muziek op. Er kwamen steeds meer mensen bij ons huis. Ik luisterde en wachtte af op de dingen, die zouden gaan gebeuren ...... . Toen werd er op de deur geklopt. "Het is tijd om op te staan". Ik schoof de gordijnen een stukje open en keek de zon die juist over de bergtoppen kwam kijken, midden in zijn gezicht. Het leek wel of dat ik werd uitgelachen. Boven het land hing een blauwe nevel, die als een sluier het mystieke van de "goena goena (de geheime kracht) bedekte". Ja, dit was het "echte Java", waar lieve mensen woonden die geen mens "kwaad" deden. 

Tijdens het ontbijt vertelde ik m'n bevindingen van de afgelopen nacht. Ze begonnen te lachen en hadden niet veel van het feest gehoord. Oom Adrie legde uit, dat er een feest was en de Javanen van de omliggende dessa's langs ons huis waren gelopen. Heel laat werd met de gamelan een spel opgevoerd, waar naar een climax werd toegespeeld en waarbij de mensen geheel in het spel opgingen. Ik was weer een ervaring rijker. Corrie en ik hebben dikwijls lange wandelingen gemaakt. Eenmaal zijn we over smalle paadjes naar beneden gelopen, toen door het dal en aan de andere kant weer de berg opgewandeld naar de plaats Batoe en zijn vandaar met de bus teruggegaan. Wanneer we wat wilden drinken vroegen we in een kampong om klapperwater. Een Javaan klom dan een hoge kokospalm in en met een kapmes hakte hij dan een noot los. Het was dus zaak om niet onder die palm te gaan staan. Hierna hakte hij de noot open en wij dronken dan uit de noot het heerlijke, maar vooral zuivere klapperwater. we gaven ze 2 cent en de hele familie bedankte ons met een diepe buiging. Ook maakten we trips met de auto langs de thee, koffie- en rubberplantages. Na 7 heerlijke dagen reden we door het prachtige bergland terug. Hoe dichter we bij Soerabaja kwamen hoe warmer het werd. Toen we weer thuis waren voelden we pas echt goed hoe warm het was. Er lag een brief voor me dat ik was overgeplaatst naar de M.K.O. (Marine Kazerne Oedjoeng).

's Zondags gingen we naar de kerk aan de Pregulan Boender. Er waren veel militairen in uniform. Na afloop werd ik aan ds. Henk Meynen en z'n vrouw Cootje voorgesteld. Ik mocht ten alle tijde bij hun binnenlopen. Veel militairen bleven koffie drinken. Bekenden van oom en tante kwamen naar ons toe om kennis met me te maken. Ik ging later bij ds. Meynen naar de catechisatie wanneer ik aan de wal was.

M.K.O. (Marine Kazerne Oedjoeng) Op maandag 28 oktober 1940 melde ik me in deze prachtige witte kazerne welke naast de ingang, buiten het Marine Etablissement (ME) stond. Ik werd ingedeeld in een wachtdivisie en kreeg opdracht m'n eigendommen van de "Sum" over te brengen naar de dependance gebouw F "de oude loods" binnen het ME alwaar ik gehuisvest werd. Toen ik op de "Sum" kwam was het maar een trieste boel. Overal aan dek waren ze aan het slopen. De verblijven waren leeg en bijna alle kastjes stonden leeg open. Er liepen nog maar een paar bemanningsleden rond voor bewaking en toezicht. Alle kastjes moesten voor 31 oktober leeg zijn omdat dan de "Sum" officieel "buiten dienst" werd gesteld. De eerste partij verlofgangers was zaterdag teruggekomen en dezelfde dag overgeplaatst naar de vloot. De tweede partij was zaterdag naar Malang vertrokken en zouden bij terugkomst gelijk worden overgeplaatst. Hierdoor heb ik de meeste jongens van m'n blikkie (opleiding) nooit meer teruggezien. 

In de oude loods kreeg ik een kastje en een bed met een klamboe toegewezen. Het was een oude troep. De keuken had nog een kolenfornuis en we aten buiten onder een afdak. Het was er niet alleen gezellig maar ook een vrijgevochten bende zonder kazerne discipline zoals in de M.K.O.. Er was niet veel to doen. Toezicht houden op de "Sum" en op dagelijkse werkzaamheden wat door inlands personeel werd gedaan. Zo nu en dan wachtlopen en minstens 1 x per week met een bus naar de schietbaan waar het ziedend heet was. We gingen
veel sporten en zwemmen in het prachtige overdekte marinezwembad. Om 13.30 uur was het "vast werken" eten en daarna over het algemeen slapen tot 16.00 uur. Om 17.00 uur was het avondeten. Het ME was rondom afgesloten en stond onder toezicht van de ME politie. Het centrum van Soerabaja lag 9 km. van de basis waar we om financiele redenen meestal met 3 man met een taxi naar toe reden, we waren uiteindelijk nog maar "puppes 3e klas". Oom en tante woonden nog 4 km. voorbij het centrum in de wijk Darmo. Het kon niet uitblijven, dat ook ik werd overgeplaatst.

Hr.Ms.BANCKERT

Op 9 december 1940 stapte ik aan boord van deze torpedojager. De "Sum" was al verhaald naar de andere kant van het bassin. De bemanning van de "Sum" was uiteengerafeld over de gehele vloot en op een enkeling na, die ik later toevallig zou tegenkomen heb ik ze nooit meer teruggezien. Giel was overgeplaatst naar de onder-zeedienst op de K XIV. Toen ik me aanmeldde hoorde ik, dat ik de enige van de "Sum" was. Ik was op dit schip dus de jongste in nummer en de laagste in rang.
Dit had ook weer zijn voordeel, omdat iedereen wist dat ik het minste had te verteren. 

Mijn werk werd "paai (onderhoudsbaas)" van wc's en wasruimte inclusief die van de onderofficieren. Ik kon het niet beter treffen, ik was mijn eigen baas en had met het eigenlijke militaire gedoe niets te maken, derhalve.een zgn. "baantjes gast" en vrij van wacht op zee. Daar stond wel tegenover dat ik de stront en/of kots van een ander moest opruimen, maar dat had ik er graag voor over. Wel moest ik 's avonds de zaak nog een paar keer nagelopen en de wasruimten nog een beurt geven. Het is, vooral in de tropen, erg belangrijk dat de toiletruimten schoon zijn. Daar zorgde ik wel voor en oogstte veel dank. Menigmaal en vooral door onderofficieren werd mij een consumptie uit de toko aangeboden. Het gebeurde, dat er soms meerdere op de lat stonden en dan kocht ik maar sigaretten en omdat ik niet rookte werden die weer verkocht. 

De Banckert was ingezet om schepen te controleren op zgn. "contrabanden (verboden waar)". We maakten lange reizen en ik ben daardoor wel in alle hoeken en op vele eilanden van de Archipel geweest. Zo waren we op Sabang een eiland ten westen van Sumatra, Op Poeloe Sambo en Pinang een belastingvrij eiland t.o. Singapore, in Tarakan (noord oost Borneo), de Obi eilanden, FakFak op nieuw Guinea en op het eiland Ceram. Verschillende malen kwamen we op smalle doorvaarten tussen eilandjes een vrij groot Japans koopvaardijschip tegen. Er ging dan met onze sloep een gewapende groep naar dat schip om de papieren en lading to controleren. Ik heb gezien, dat van hele kleine onschuldige zeil-, vissersbootjes apparatuur etc. overboord werd gezet, wanneer ze merkten, dat wij ze wilden controleren. Na de Japanse bezetting bleek, dat het geen vissers waren, maar marine officieren, die alles o.a. dieptes in kaart aan het brengen waren. 

Verschillende malen hadden we een "Rendez vous" (Ontmoetingsafspraak) waar de tanker "Marpessa" van de Shell lag, zodat we konden tanken. Op die plaats landde ook een Catalina of Dornier watervliegtuig van de marine, die veel goederen voor ons kwam brengen en de post. Dan waren er dikke enveloppen bij voor mij van m'n vader, waarin natuurlijk ook een brief van m'n moeder, maar ook veel voor m'n maten van familie uit Holland in zaten. Ik deed er enveloppen om met de namen en stamboeknummers van de maten erop en gaf die weer met het vliegtuig mee en het stafbureau zorgde ervoor, dat de brieven naar de desbetreffende personen werd doorgezonden. 

Tijdens een reis werd er minstens eenmaal een belastingvrije haven aangedaan en dan werd er behoorlijk ingeslagen. Uit hoofde van mijn baantje had ik een klein afsluitbaar werkhok en in dat hok twee afsluitbare kastjes voor klein schoonmaakmateriaal. Nu was het voor de maten niet zo fris om bijv. rookwaren e.d. in hun kastje te bewaren, omdat daar ook hun toiletartikelen in lagen. Nu had ik een van de twee kastjes leeg en schoongemaakt en konden liefhebbers daarin hun koopwaar opbergen. Voor de goede hulp schoot er altijd wel iets voor mij over en daar wist ik wel raad mee. Ik weet dat ik nogal eens "Swan" dames- en herenzakdoeken, parfum en Amerikaanse Camel (Straitse Camel was van mindere kwaliteit) kocht en had in Soerabaja in de kennissenkring voldoende liefhebbers hiervoor. 

Tussen de reizen door waren Giel en ik een keer gelijk binnen. We zijn toen naar het Chr. Marine Tehuis (C.M.T.) in de Hofmanstraat gegaan. Het echtpaar Tussenbroek was daar de vader en moeder. Op de eerste etage was een groot aantal 2 persoons kamers voor verhuur aan militairen. We lieten ons inschrijven als belangstellenden voor een kamer.
In de meeste havens waar we aangingen speelden we een voetbalwedstrijd tegen het garnizoenselftal van het Indische leger. De soldaten werden daarna bij ons aan boord uitgenodigd en hadden dan ook weer eens iets anders. Bovendien verdienden ze niet veel, dus was een gratis (drank) feestje bij ons aan boord een welkome afleiding. voetballen was de enige collectieve activiteit waaraan ik heb meegedaan.

Van het schip kan ik me alleen maar herinneren de oefeningen met de drie andere torpedojagers. we voeren dan op volle snelheid naast elkaar en dan tegelijkertijd maakten alle vier de schepen een welhaast haakse bocht naar bak- of stuurboord, waarbij het schip zo schuin ging, dat het dek aan een zijde liet boven het water bleef. Hierna voeren de vier schepen achter elkaar. M'n commandant was Ltz.I Gosling. Of er een opper- of schipper was, weet ik niet en ook herinner ik me geen enkele naam van een collega. Ik heb niet zo lang op dit schip gevaren. Toen er op het publicatiebord een mededeling stond, dat er kandidaten gevraagd werden voor de opleiding tot seiner, heb ik hiervoor een verzoek ingediend.

DE OPLEIDING SEINER.

Op 31 mei 1941 werd ik geplaatst in de M.K.O. (Marine Kazerne Oedjoeng)
We moesten op de 5 werkdagen `s morgens om 7 uur op het ochtendappel aanwezig zijn. Na het appel moesten alle leerlingen van de telegrafisten- en seineropleidingen afmarcheren naar de radioschool die gevestigd was in houten barakken buiten het ME. De commandant van de radioschool was een Indisch man en had de rang van overste. Het was een prachtkerel, een man die voor zijn mensen door het vuur ging. Later op de vloot als seiner bleef hij je "chef communicatie". Onze leraar was korporaal Priester, een oudere tactische, maar ook zeer gewaardeerde man. Uit onze klas herinner ik me nog de namen. Nico Kip uit Dordrecht, Stoop uit Heerhugowaard, Jantje Sinke, allemaal matrozen le klas en een Javaanse matroos. Tijdens de theorielessen zaten we in schoolbanken. De praktische lessen vlag- arm- of lampseinen gebeurden meestal buiten. De school was 5 dagen per week en duurde tot 12.30 uur. 

Ik was uiteraard ingedeeld in een van de drie wachtdivisies. Omdat er veel mensen in de kazerne geplaatst waren had ik nogal eens een "vrije prik". Alleen wanneer ik de wacht had, altijd buiten de schooltijd, sliep ik in de kazerne. De vaste onderofficier van de wacht was kwartiermeester Geerse. Matroos I Bas v.d. Horst was tokobaas. Een spannende "wachtpost" was die aan de buitenkant van het "Marine Etablissement" bij de prauwenhaven. Om de beurt gingen we vanuit die post met 2 man op patrouille buiten het hek van het etablissement. We gingen met geladen geweer en 2 patroontassen.
Wanneer we langs de met fruit en vis geladen prauwen liepen, kochten we voor een paar centen mango's of andere vruchten en zo hadden we daar altijd wel wat te eten.

Soms hadden we een week verlof Wanneer ik geen wacht had, ging ik na het middagslaapje sporten. Ik werd lid van de marinevoetbalvereniging "Zeemacht" en was reservekeeper van het eerste elftal, dat in de regionale competitie speelde. Ik trainde minstens 3x per week. Onze sportleraar was de korporaal der Mariniers Derksen, die zelf in het elftal van de Mariniers "MKG" (Marine Kazeme Goebeng, de kazeme van de Mariniers) speelde. Toen ik een keer moest invallen bij de wedstrijd tegen de v.v. "Brantas" kwam ik in de rust in gesprek met de heer de Best, een stuurman bij de K.P.M.. Ik vertelde over mijn vader en dat ik het niet leuk vond om steeds reserve te staan. In feite een rechtstreekse sollicitatie. Na de wedstrijd kwam hij naar me toe "Of ik vaste keeper bij hem wilde worden". Nu, dit was m'n kans om onder het militaire gedoe uit te komen. Tenslotte was ik bij "Zeemacht" ook maar een ondergeschikte puppes 3e klas. V.V.Brantas had als clubleden politiefimctionarissen, koopvaardijofficieren, leraren, waaronder de keeper, een Hongaarse dansleraar, die bang was voor zijn dure benen. Ik zou worden afgehaald. Na een wedstrijd was er in een dure zaak een natje en een droogje en daama werd er gezorgd, dat ik thuis kwam, wat meestal een taxi was. 
Natuurlijk ging ik op het aanbod in. De heren van Brantas regelden de overschrijving. Wel bleef ik trainen bij korporaal Derksen, want hij was sportleraar van de marine en dat stond buiten de V.V. Zeemacht. Toen Brantas tegen M.K.G. moest spelen op het veld van de kazeme, had M.K.G. bij winst nog kampioenskansen. Vlak voor het einde was het nog 0-0, toen M.K.G. een strafschop kreeg toegewezen. Derksen gaf de bal een poeier, maar ik stompte de bal corner. Dit heeft uiteindelijk het kampioenschap van M.K.G. gekost en dat heb ik nog lang moeten horen. 

De middagen dat er voor het marine personeel geen trainen was, ging ik meestal in het overdekte marinezwembad zwemmen. Na het sporten ging ik in de kazeme eten, waama ik naar oom en tante ging. Nadat Giel en ik een kamer hadden in het C.M.T. ging ik veel naar m'n kamer, om daar te ovemachten, dan hoefde ik 's morgens niet zover te fietsen. Van de extraatjes op de Banckert had ik bij de PTT gespaard. Ik had voldoende geld om de eerste aanbetaling van een, voor mij, toch wel dure fiets te doen. Tenslotte hoefde ik nu geen taxi's meer te nemen. Wanneer ik `s avonds bij tante vandaan naar m'n kamer fietste, ging ik over de Kedong doro waar de Hollandse boerderij was. In de voortuin van deze boerderij was een zgn. tearoom waar je allerlei zuivellekkernijen kon bestellen. Ik stapte daar nogal eens of en gebruikte dan koude chocolademelk met slagroom of aardbeien met slagroom. Tijdens deze walplaatsing was ik in de weekenden veel bij oom Adrie en tante Alberdien. Wanneer Giel binnen was, gingen we samen naar de kerk en daarna bij ds. Meijen of ds. Plomp koffie drinken met nog 10 a 20 andere militairen. In deze kerk maakte ik op zondag 8 juni 1941 het 50 jarig jubileum mee. Namens de Marine moest ik een toespraak houden.

Als er een schip van de Holland Amerika Lijn Soerabaja aandeed werd ik via tante Alberdien uitgenodigd voor een dineetje aan boord. Ik belde dan om een afspraak te maken. Soms was het een bekende, zoals de oudere broer van Joop Terlaak uit de W. v. Hillegaersbergstraat t.o. de "Overdekte". Hij was kok en had me uitgenodigd op de avond dat de officieren een party hadden met gasten. Ik heb ervaren, dat ik het in de keuken meer naar m'n zin had, dan bij de officieren. Altijd kreeg ik de groeten van vader en een pakket. Wanneer iemand een onbesproken gedrag had kon hij bij O.S.en 0. (ontwikkeling, spel en ontspanning) een weekend of een week verzorgde vakantie aanvragen. Er reden zaterdags een paar bussen die hun passagiers bij verschillende ondememingen afleverden en zondagsavonds weer terug haalden. 

Zo kreeg ik een uitnodiging met nog een man of 8, voor een weekend op de plantage van de familie de Hollander in de bergen aan de zuid-oostkust van Java. Het was daar prachtig. We werden met een terreinauto door de plantage gereden. Naar gelang de hoogte groeide er rubber, koffie of thee. Ook bezochten we de rubberrokerij. Alles werd tot in de finesses uitgelegd. Voor het prachtige woonhuis lag een grote groene grasmat, die de gehele dag werd besproeid. Water was er voldoende, want dat stroomde van de bergen en ook door een grote teil om flesjes bier te koelen. De maaltijden waren zeer uitgebreid. Het kon dan ook niet anders, dan dat we na dit weekend zeer voldaan huiswaarts keerden. Ook heb ik het geluk (weer het woord geluk) gehad om uitgeloot te worden, voor een week naar hotel Lawoe van de B.P.M. aan het kratermeer van Serangan. Deze plaats ligt 40 km voorbij Madioen op de berg de Lawoe op 1500 meter hoogte. Alleen een auto met een sterke motor kon deze plaats via een sterk oplopende weg bereiken. We werden hier als oliebaronnen behandeld. We kregen een prachtige kamer voor 2 personen met w.c.,ligbad met warm en koud stromend water. `s Morgens kregen we thee op bed. Onze schoenen waren gepoetst en ons wasgoed was opgehaald en lag `s middags gewassen en gestreken op onze kamer. 

In de vroege morgen zaten we boven de wolken en was het koud. Maar al vrij snel kwam de zon ervoor en was het heerlijk. Al spoedig waren we lekker bruin gebrand. De top van de Lawoe was nog 1000 meter hoger. Er werd veel gewandeld. Op veel plaatsen waren zwavelbronnen en spleten waar kokend water en zwaveldamp uitkwam. Een keer ben ik met paardje met een lopende Javaanse "jongen" (gids) ernaast, een eindje de berg opgegaan. Dat koste wel geld, maar dat was het enige wat ik uitgaf. De gastheer en gastvrouw het echtpaar Drost zorgde ervoor dat we niets tekort kwamen. In het meer kon je niet zwemmen, omdat het water te koud was. In onze groep zat ook adjudant monteur van Breugel, die op "de Sumatra" preekte en catechisatie gaf. Hij droeg altijd een tropenhelm. In deze koele, maar zonnige omgeving was het heerlijk, zeker wanneer je in het hete Soerabaja woont. 

In Soerabaja ging ik nogal eens naar de marinekantine in het centrum van de stad. Daar kon je alleen maar op rekening, t.w. je stamboeknummer, bestellen. Het werd dan later van je katje ingehouden, volgens de daarbij gaande rekening. ledere avond stond daar een sate-Javaan voor de ingang. De matrozen bestelden en hij bracht alsmaar rond. Soms moest je wachten, omdat ze nog niet gegrild waren boven het houtskoolvuurtje. Als je genoeg had of wanneer je wegging betaalde je het aantal stokjes en gaf dan 10 cent fooi. Nooit heb ik een discussie gehoord, dat het niet goed was. Een gelegenheid waar ik ook wel eens naar toe ging, was een Indische zaak waar in de prachtige tuin, een grote overdekte dansvloer was. Hier kwamen ook veel onderofficieren in het burger met hun gezin waar uiteraard dochters bij waren en veel Indische mensen. Ik zat dan alleen aan een tafeltje en daar dronk ik bier, dat paste bij de heerlijke romantische sfeer met krontjongmuziek. Ik kon daar intens van genieten.

Op 1 juli 1941 werd ik gepromoveerd tot matroos 2e klas.
Ter afsluiting van de opleiding seiner hield de commandant een toespraak. Hij begon erop te wijzen, dat we gebonden waren aan de bepaling van geheimhouding. Voorts verwachtte hij van ons, dat we een voorbeeld zouden zijn in gedrag en ook altijd schone werkkleding zouden dragen, en benadrukte hij nog eens, dat er geen opdracht mocht worden uitgevoerd zonder dat deze in het genummerde doorschrijfboek was ingeschreven en door een bevoegde was ondertekend. Verschillen over opdracht en uitvoering moesten direct na binnenkomst in de basis aan hem worden voorgelegd en we konden daarbij op volledige steun van hem rekenen. Hierna deelde hij de resultaten van het eindexamen mee.
De Javaanse matroos was de beste. Ik was tweede en kreeg een zelfstandige baan nl. enige seiner op de Hr. Ms."Pieter de Bitter" een van de 4 grote mijnenvegers. Het "brevet seiner" leverde me een loonsverhoging op van 24 cent per dag.