© Veteranen-online

JAPANS KRIJGSGEVANGENE - 1

Door: Adrie Kannegieter

De hierna volgende verhalen zijn ontleend aan het boek "Adriaan Kannegieter".
Hij beschrijft hier de periode die hij als Japans krijgsgevangene doorbracht tijdens de aanleg van de Burma spoorlijn.
Hieronder: Het echtpaar Kannegieter te gast bij wijlen Z.K.H. Prins Berhard, waarbij deze een exemplaar van Adriaan's boek in ontvangst neemt.

Op het jaarmarktterrein

Het was 8 mei 1942 toen ik zonder ook maar één schot te hebben gelost, krijgsgevangene werd. Onder geleide van een Japanse soldaat gingen we de trappen van het stadhuis af. 
En ja hoor, daar stonden ze weer: Rietje en Annie. Zo sjokten we naar het jaarmarktterrein. Een door een heel hoog hek afgesloten terrein, dat normaliter werd gebruikt voor tentoon- stellingen en feesten. De meisjes waren meegelopen en wisten nu waar we zaten. Even draaiden we ons om en zwaaiden, waarna we door de sierlijke poort naar binnen gingen. Bij het passeren van een "gewapende" wacht moesten we volgens Japanse gewoonte een diepe buiging maken, want hij is een vertegenwoordiger van de keizer. Wanneer iemand niet boog of niet diep genoeg boog, kreeg hij een verschrikkelijke afranseling. We wisten gelijk hoe onze gastheren waren. Achter de poort stonden belangstellenden te kijken of er nog bekenden binnenkwamen. Zo werden we opgevangen door een paar marinecollega's, er waren een aantal geredden van de "de Ruyter" o.a. Arie Deijl en van andere schepen en o.a. de A.R.O. (Asp.Res.Off. ) Dunky Jacobs en de adelborst van administratie Jonker E. Vernede, de naoorlogse secretaris van Prins Bernhard. 

We hadden als onderkomen het grote podium, waar een dak boven was, een achterkant en smalle zijkanten. We lagen dus letterlijk en figuurlijk "te kijk". Het jaarmarktterrein zat stamp- vol, nadat ze op het podium wat waren opgeschoven kon ik er nog net bij. 
Dezelfde dag ervoer ik al, dat de Jappen van nummeren (tellen) een kwelling maakte. Het was aantreden "kiotskee" (geef acht, dus in de houding staan) en alsmaar nummeren, itsji, ni, san, si, go enz. . Na vele, vele keren klonk dan eindelijk jasmee (rust). De algemene toe- stand was er slecht en het sanitair was zeer vies. Na enige dagen werden we als vee op vrachtauto's gestouwd. We vroegen ons af wat de bedoeling was.


 
In de Ondaatje kazerne.


We werden afgeladen op het middenterrein van deze kazerne. Hier zaten uitsluitend marine- collega's en dus ook de  rest van onze bemanning.
Ik heb daar nog dikwijls in de haven gewerkt om schepen te laden. We moesten toen zakken rijst en suiker sjouwen of stouwen in de nog overeind staande gedeelten van loodsen, waar de zakken wel 30 hoog lagen opgestapeld. In deze loodsen lagen dikke plakken caramel, die op de grond waren gevormd door de suiker, die gesmolten was door de hitte van de brand. 

Eén keer hadden een paar mannen tussen de ruïnes vaten met wijn gevonden. Ze hadden zich behoorlijk tegoed gedaan aan de wijn en waren zo zat als een kanon. Toen we in de kazerne kwamen, bleek ook nog, dat ze hun veldflessen gevuld hadden. De Jap zei dat ze van de keizerlijke voorraad hadden gestolen. Ze moesten op het middenveld tegenover elkaar gaan staan en elkaar aftuigen. Wanneer de Jap vond, dat ze niet hard genoeg sloegen gaf hij een demonstratie weg hoe het wel moest. Ook heb ik een aantal keren in de K.E.S. (Koningin Emma School), een ambachtsschool gewerkt. We moesten daar onderdelen van wapens schoonmaken. Er is wel eens een stukje afgebroken en ietsje beschadigd, zonder dat het toch wel strenge Japanse toezicht het zag. Op ons werk en ook wel over de gedek omheining van de kazerne, liet de Jap oogluikend toe, dat we wat etenswaren kochten. 
Een bonkoes (pisangblad) rijst met een stukje vis of vlees en trassie kostte een "kobang" (2~cent), een kakab (soort gerookte makreel) een ketippie (10 cent).

Een keer mocht er 's middags bezoek de kazerne in. Overal zaten mannen, vrouwen en kinderen op de grond. Het leek wel een picknick. Tante en Corrie kwamen ook en brachten blikjes, etenswaren, snoep e.d. voor me mee.

Al vlug zat ik in een ondergrondse beweging, waar ook de marine dokter Lambooy (voor de Jappen Lambojo) in zat. Wat het precies inhield wist ik niet. Het ging erom, voor het geval het nodig mocht zijn. Er zouden ook wapens in het kamp zijn. De Jap kreeg er lucht van. We moesten urenlang op het middenveld staan en hoorden de mannen gillen, die op misdadige wijze door de Kempij Tai (de Japanse Gestapo) werden verhoord. Ook doorzochten ze de hele kazerne. Door dit voorval is het er voor ons niet beter op geworden. Aan het oogluikend contact met de buitenwereld was voorgoed een einde gekomen, waardoor ook het kopen van de broodnodige extra voeding was afgelopen.

Door de eentonige en slechte voeding ging de gezondheid achteruit.
Velen hadden dysenterie en malaria. Gelukkig waren er toen nog door medisch personeel meegenomen medicijnen, waarbij nog kwam, dat de zieken niet behoefden te werken.

Er moest een grote groep op transport, mogelijk waren het alle geïnterneerden uit deze kazerne. Ik was doodziek, omdat ik een hevige malaria aanval had en kon niet meer op mijn benen staan. Ook de Jap constateerde, dat ik zeer hoge koorts had, daarom was ik ook de enige, die boven op een volgeladen vrachtauto mocht meerijden naar het station. Onderweg passeerden we de lange rij lopende krijgsgevangenen.

De vrouwen, kinderen en anderen liepen erlangs mee, waardoor er nog het één en ander kon worden meegegeven. Ik hoorde, dat ook tante en Corrie langs de weg had gestaan. Maar niemand wist waar ik was of dat ik ook nog mee zou gaan. Zodoende bleef ik verstoken van wat extra's. Op het station stond een lange trein van ongeduld te puffen.


In de trein naar Batavia (Djakarta). 16 oktober 1942. (De verjaardag van zus.)


Het was een personentrein met houten zitplaatsen. Ik mocht alvast gaan zitten. Even hierna werd de trein volgestouwd met onze mannen en vertrok daarna. Ik was zo ziek, dat ik niet meer overeind kon blijven, terwijl m'n hele lichaam schudde en ik klappertandde van de malariakoorts. De Jap van ons rijtuig maakte met veel geschreeuw ruimte in het middenpad, waar ik op de grond kon gaan liggen onder m'n deken. Ik heb niets gezien van het prachtige midden Java. Ook weet ik niet hoelang ik al op de grond lag toen de trein ergens stopte, waar allerhande etenswaren gekocht konden worden. 

Toen gebeurde er iets wat ik nooit meer zal vergeten. Terwijl iedereen het te druk had met zichzelf, bukte de Jap zich over me heen en gaf me een gepeld gekookt ei. Alhoewel de malaria-aanval over was, had ik nog geen eetlust. Een ieder die Japans krijgsgevangene is geweest, weet wanneer een Japans soldaat je iets aanbiedt, bv. na een straf, dat je dat niet mag weigeren. Dit is traditie, ook in hun eigen leger. Derhalve wanneer je iets weigert, is dat een grote belediging, die averechts werkt. Ik bedankte de Jap voor het ei en heb het door m'n strot geperst en met moeite er in kunnen houden. Dezelfde Jap was zo attent om m'n veldfles met vers water te vullen. Misschien zijn er wel meer stops geweest, maar ik herinner me er nog één en ik dacht, dat het Cheribon was. Dus niet meer zo ver van Batavia. Hoelang de treinreis heeft geduurd weet ik niet. Daar was ik te ziek voor, maar in ieder geval één nacht. Ik weet ook niet hoe ik van de trein in de kazerne ben gekomen. Deze reis was een blinde vlek in m'n leven, met maar één goede herinnering aan een Jap met een hart in zijn lijf.


De reis per schip naar Singapore
aan boord van de ? Maru.

Het schip zag er van buiten oud en slecht onderhouden uit. Het was, wat wij zouden noemen een "ouwe roestbak" .
Vanaf het bovendek moesten we over een smalle trap via het bovenruim over een nog smal- lere trap naar het beneden (onderste) ruim, dat uiteraard smaller was dan het bovenruim. Niettegenstaande dat de luiken open waren, was het snikheet in dit ruim. Het zag er naar uit, dat het schip gebruikt was als troepentransportschip, maar wel berekend voor kortere mensen. Aan beide wanden waren 2 rijen houten bodems boven elkaar, waar stijf tegen elkaar liggend net niet genoeg plaats was voor iedereen. 

Omdat ik lang was, besloot ik op de grond te gaan liggen aan het einde van het tussenpad. De grond was vochtig, maar ik had gezien, dat er in een hoek wat stuwhout lag. Met een paar planken en korte dwarsbalkjes maakte ik vrij van de grond een ligplaats. In geval van nood had ik alvast reddingshout, om me drijvende te kunnen houden. In het midden onder het nog open zijnde tussenluik lagen volle balen en andere lading, waarop wij onze bagage kwijt konden. Nadat ons ruim was volgestouwd met levend mensenvlees, ging het tussenluik dicht, omdat op dit luik ook lading moest komen te liggen en daarop de bagage van de krijgsgevangenen boven ons. Wanneer je erbij denkt, dat we in de tropen zijn en dat er welhaast geen ventilatie was, dan is het duidelijk, dat de toestand onhoudbaar was. Alleen door de kleine opening van de trap, was er via het volle bovenruim contact met de buitenlucht en kwam er één lichtstraaltje naar binnen. 
Even later werd ook het luik van het bovendek afgesloten. In de avond vertrokken we.

Op het bovendek stonden, iets over de railing een paar toiletten. Houten hokjes met dwars- plankjes, zo gemaakt, dat de ontlasting buiten boord viel. Het was een verschrikkelijke vieze troep. Soms werd de zaak met de brandslang schoongespoten. Wanneer iemand naar de WC moest, begon hij op de trap in de rij te staan, totdat hij eindelijk aan de beurt was. Door de dysenterie ging er dikwijls iets mis, waardoor er in het ruim een verschrikkelijke stank hing.

We kregen rijst met groenten en vlees als maaltijd. Na wat we de laatste tijd gewend waren, was dit uitzonderlijk goed, maar wel veel te weinig.


De nachten waren verschrikkelijk. Juist in de hoek waarin ik lag, was door het zweetwater het water in het schip, iets boven de vloer gekomen. Door de dwarsbalkjes onder de planken lag ik wel droog, maar door het geslinger van het schip, klotste het water van de ene naar de andere kant. Wanneer ik in slaap was gevallen, zakte m'n hand naast me in het stinkende water of er rende een grote rat over m'n blote bovenlijf. Soms mochten we ruim voor ruim even luchten op het bovendek. Ja, eerst dan besefte je pas hoe heerlijk zeelucht is. 

Een paar keer konden we ons tijdens het luchten onder de brandslang met zoutwater dou- chen. Zo goed of zo kwaad het met zoutwater mogelijk was, zeepten we ons in en het was een waar genot, om daarna onder de straal zoutwater te staan. Op de avond van de derde dag, lagen we op de rede van Singapore voor anker. Het was nog licht en in de verte zag ik de stad liggen. 
Ik had me net ingezeept toen ik veraf de luchtalarmsirenes van de stad hoorde. De kraan ging dicht. En zonder dat ik me kon afspoelen, werden we als vee naar beneden gedreven, waarbij de nodige klappen en trappen werden uitgedeeld. We hebben nog 1 dag op de rede voor anker gelegen. Doordat ik met niet had kunnen afspoelen, raakte m'n huid geïrriteerd, wat weer erge jeuk veroorzaakte. Door de jeuk en omdat het bodemwater weer hoger was geworden, waar nog bijkwam, dat de ratten bijzondere belangstelling hadden voor m'n rode lichaam met kleine rode pukkeltjes, heb ik de laatste 2 nachten niet veel geslapen. 

Al wakker liggend dacht ik aan ons mooie huis in Hillegersberg en aan m'n moeder. Ik vroeg me af hoe het toch mogelijk was, dat mensen elkaar zoiets kunnen aandoen, gelukkig ging ook de vierde nacht voorbij. In de morgen van de vijfde dag, was ik doodmoe, maar viel intens blij toen ik de loopplank afliep. Op de kade van Singapore stond een lange rij open vracht- auto's, waarmee we werden afgevoerd.


lees verder >>