© Veteranen-online

JAPANS KRIJGSGEVANGENE - 10

Door: Adrie Kannegieter

Kuye (190), november 1944.

Het was een klein kamp dat aan de rivier lag. Dat maakte me blij want ik kon weer iedere avond in de rivier gaan liggen om de ellende van die dag weg te laten vloeien. 
Veel krijgsgevangenen waren ziek of ernstig verzwakt afgevoerd. Wij waren bestemd om de groep te versterken, die hout moesten hakken van 40 cm. lang voor de stoomlocomotieven. Er was al veel weggekapt, zodat we ver moesten lopen. Om te voorkomen, dat moeilijk splijtbare bomen bleven staan, wees de Jap steeds 4 bomen per 4 man aan, zodat cata- gorisch alles werd weggekapt. De meeste bomen waren "Djatie bomen" en het hout daarvan was gemakkelijk te hakken. Je liet je bijl er maar op vallen en dan sprong het hout zo uit elkaar. Maar er waren ook moeilijke bomen met vezelig rood hout, dat je alleen maar klein kreeg met een hamer en keg erbij en daar ging veel tijd inzitten. 

We hadden een dagtaak voor 4 personen van 400xl00x40 cm. Twee man gingen zagen en hakken en twee man droegen het hout op een zelfgemaakte draagbaar naar onze stapel langs de spoorlijn. Nadat we een boom met 2 man met een trekzaag hadden omgezaagd, gingen we moten zagen van 40 cm. en daarna hakken. Aan een boom van gemiddelde dikte zat wel voor enkele dagtaken hout. We zorgden altijd een boom in voorraad op de grond te hebben voor het geval we een moeilijke boom kregen, waar we dan dagelijks hooguit maar 2 moten van verwerkten. Normaliter was de taak met djatie bomen een fluitje van een cent, maar we hadden bij de Jappen geleerd dat één ons komedie meer is dan een kilo verstand".

We werkten als paarden, wanneer onze bewaker in de buurt was, maar zorgden er wel voor niet te vroeg in de middag klaar te zijn. Het is wel voorgekomen, dat we voor meer dan een dagtaak moten hadden, die we in nog geen uur zouden kunnen weghakken. We gingen dan heerlijk zitten luieren en als de Jap langs kwam zeiden we: "momento jasmi" even rust en dronken dan thee. De Jap vond het wel goed, als we maar zorgden dat hij niet in de problemen kwam. Natuurlijk lag de zaak niet bij elk koppel zo eenvoudig en dikwijls gingen we bij een ander stel alvast een boom voor de volgende dag omgooien of een paar moten zagen.

Tussendoor moesten we ook de zaag zetten en scherpen met een driehoekige vijl en nieuwe stelen aan 2 bijlen zetten, wanneer deze waren gebroken of bijna bij de bijl waren afgesleten. Toen er geen houten stelen meer waren aangevoerd, maakten we die van dikke gespleten bamboe. Door de vezelstructuur gingen ze langer mee. 
Er waren nog maar een paar Australiërs en zoals gebruikelijk trokken ze zich nergens wat van aan, alles was bluddy of fokking. Ze gingen altijd vroeg naar het kamp terug. Op en keer hadden 2 Aussies in de rivier bij onze hakplaats een vlot gemaakt en lieten zich hiermee met de zachte stroom (droge tijd) de rivier afzakken naar ons kamp. Toen er voor het avondeten het gebruikelijke "tellen" was, werden er 2 man vermist. We moesten in de houding blijven staan. Toen eindelijk na lang staan de Aussies het verhaal van het vlot tegen de Jappen vertelden, begonnen ze te lachen.

Wij mochten nu op de plaats rust gaan staan. Tegen dat het donker werd kwamen ze aan- gerend. Gaan ze uitgerekend tegen de Japanse kampcommandant vertellen, dat ze al voor de middag waren vertrokken, maar niet wisten dat de bochten zo lang waren en de stroom zo langzaam was. De Japanse soldaten lieten duidelijk merken dat ze het niet leuk vonden, dat ze tegen hun baas hadden verteld dat ze zo vroeg klaar waren. Ze hebben dan ook alle sadistische lusten op de 2 gebotvierd en ze moesten tot de volgende morgen bij de wacht staan met de daarbij behorende aframmelingen. Uit dank voor de goede informatie mochten ze van de Japanse commandant bij het ochtendappel aan ons mededelen, dat de dagtaak was verhoogd van 400xl00x40 tot 400xl25x40 cm. Alom klonk het " Focking Aussies" .

In januari 1945 werden alle krijgsgevangen officieren uit alle kampen weggehaald en in één kamp, in Chukay, ondergebracht. Alleen de officieren van gezondheid (dokters) mochten blijven, daar hadden de Jappen ook veel voordeel van. Het was tot hier nog steeds zo, dat de officieren niet mochten werken maar wel veel meer per dag uitgekeerd kregen dan de anderen die uitsluitend betaling kregen voor de dag waarop ze gewerkt hadden en afgebeuld werden. Hierdoor was er bij veel mannen een houding van afgunst ontwikkeld uit pure jaloezie.

Niettegenstaande het feit dat dit niet mocht, heb ik z'n slappe hand gevat en afscheid geno- men. Na de oorlog wist ik z'n naam niet meer. Nu ik aan het schrijven ben, word ik 's nachts wakker en komen er weer nieuwe gebeurtenissen en namen naar boven. Ik meen dat de naam van m'n vriend, van Hensbergen was. Na m'n afscheid ben ik, zoals altijd, gelijk de rivier in gedoken om eventuele besmetting en alle verdriet en ellende van me te laten afspoelen. 
De rivier bleef voor mij een levensbron. 

De dokters hadden altijd goed contact met de Jappen, omdat ook zij veel zieken hadden. 
De dokter was eigenlijk de enige, die nog wat bij de Jappen gedaan kon krijgen. Ik was na m'n malaria in Soerabaja nooit meer bij een dokter geweest en zodoende ken ik er (gelukkig) geen één. Jammer genoeg ben ik de naam van onze dokter vergeten. Huib daarentegen kende de meeste dokters. Ook nu werd Huib weer heel erg ziek. Hij lag in de zgn. dodentent en kon niet meer lopen. Toen er weer een keer met de motortrein zieken werden afgevoerd ben ik met alle risico's van dien van het werk weggeslopen en heb Huib de tent uitgesleept en zo goed en zo kwaad als het ging met z'n bagage op de wagon gewerkt. Alles moest spiedo spiedo, want de trein moest weg.

Hoe het precies met m'n bijbeltje is gegaan, weet ik niet. Huib had het op de wagon en ik weet dat ik heb geroepen "kan je in lezen en ook nog gebruiken als sigarettenpapier". Ik vermoed, dat ik het aan Huib heb gegeven in de dodentent, om in te lezen en dat hij van de rijdende trein riep dat hij m'n bijbeltje nog had of dat we er niet meer bij mochten. Het moet een geforceerde situatie geweest zijn, want anders had ik nooit, nooit het dierbaarste wat ik van m'n moeder had gekregen, zomaar weggegeven. Ik was er al die tijd zo zuinig op ge- weest. Huib z'n leven vlas gered. Vele jaren na de oorlog stuurde Huib me het certificaat van mijn belijdenis, maar wist niet hoe hij eraan was gekomen. Het kan niet anders dan dat dit in m'n bijbeltje had gezeten.

Het eten werd nog minder en soms werd er overgeslagen. De Jappen gaven onze vrienden de schuld, omdat ze bruggen kapot bombardeerden, waardoor de aanvoer werd verstoord. Door de lage waterstand in de rivier konden er geen pompoms varen, zodat we ook niets konden kopen.

De conditie van de mensen liep steeds verder achteruit. Van onze groep waren er niet veel meer over. De meesten zijn ziek afgevoerd en enkele begraven. De Aussies en Engelsen waren allang weg. Een nieuw aangekomen groep bestond uit donker gekleurde Indische mannen vertelden, dat in Non Pladuk de keuring op kleur was begonnen en alle blanken naar Japan moesten. Inmiddels is marinier Stottelaar m'n hakmaat geworden. "De korte en de lange".

Regelmatig vlogen Liberators ons kamp voorbij, maar bij het minste vliegtuig motoren geronk, moesten we dekking zoeken. We wisten nooit wat ze van plan waren. Bovendien leek het dan vanuit de lucht op een verlaten kampje. Een keer vluchtten we het bos in, toen we vlieg- tuigen hoorden aankomen. In één van onze schuilputjes zat een ongelooflijk grote oeros, met 2 voorpoten geknield, klem in een putje. Ik probeerde door met een zware moker op de kop te beuken het beest af te maken, maar het lukte niet. Hij begon steeds harder te brullen en te briesen, terwijl de witte schuimrand rond de bek steeds groter werd. Uiteindelijk hebben we de Jap erbij gehaald. Voor het eerst wisten we nu zeker, dat het geweer van een Jap wer- kelijk met scherp was geladen. Hij schoot 2 kogels door de kop op de plek, die ik had aangewezen. Hierna was ik met nog 3 hulpen de rest van de dag bezig met het slachten. Nadat de Jappen eerst hun portie hadden genomen, was er voor ons kamp nog voldoende over voor 2 dagen fantastisch eten met soep. Dit was een geschenk uit de hemel, wat we hard nodig hadden.  

Toen de eerste regenbuien zich aankondigden, was er van de rivier tot de rotsen, zover als we konden zien, één boomloze vlakte, waar het zgn. ondergroen nu welig tierde en waar ook veel wilde groenten groeiden moesten we naar een ander kamp. De hele houthakgroep met hun zaag en hakmateriaal ging met de motortrein richting Burma.  
Na 2 dagen kwamen we in ons volgende kamp. We hadden zolang gereden, dat we niet ver meer van de "drie pagoden pas", de grens tussen Siam en Burma, konden zijn.
 

lees verder >>