© Veteranen-online

JAPANS KRIJGSGEVANGENE - 11

Door: Adrie Kannegieter

Het houthakkerskamp (240), juni 1945.

We moesten spiedo spiedo van de wagons en de trein afladen, omdat er maar een enkelspoor was. Het was een klein kamp met maar een paar oude barakken. We zaten midden in de jungle, erg ver van de bewoonde wereld.

We moesten weer houthakken en onze dagtaak was weer groter n.l. 400x150x40 per 4 man. Er stond wel tegenover, dat de bomen hier dikker waren, waardoor we langer met één boom konden doen en een moeilijke boom moesten we wel weer omzagen, maar mochten die verder laten liggen. Hieruit blijkt, dat de Jappen onder grote druk stonden om hun opgelegde quotum te halen. Er werden ook smalspoorrails aangevoerd en lorries, om het gehakte hout naar de spoorbaan te vervoeren.

De treinenloop was erg ongeregeld en soms kwam er één of meerdere dagen geen trein voorbij. Het eten was heel erg slecht en dikwijls werden er maaltijden overgeslagen.
De Jappen zeiden zoals gebruikelijk dat het allemaal de schuld was van onze blanke vrienden, omdat die de bruggen kapot bombardeerden.

De algemene conditie liep al vrij snel terug. Er overleden enkelen en velen werden ziek afgevoerd. Er kwam een nieuwe groep aan, ook nu weer uitsluitend donkere Indische mannen.
Ze vertelden, dat Duitsland was gecapituleerd en dat de Jappen zware verliezen leden.

De Jappen in dit kamp waren uitgesproken sadisten, mogelijk omdat ze zagen aankomen, dat ze de oorlog gingen verliezen. De geallieerden, dat waren "de blanken" en die hadden Europa bevrijd en al veel eilanden in Azië heroverd. Stottelaar en ik waren de enige blanken in dit kamp en wij waren dan ook het doelwit waarop ze hun teleurstelling afreageerden. Niettegenstaande zong Stottelaar nog steeds "Mijn moedertaal". Wat zou je nog mooier kunnen zingen nu we wisten, dat Nederland bevrijd was. We zaten in de kongsie met de laatste paar Indische mannen van onze groep. Ze waren erg goed voor ons. Nadat de regen- tijd was begonnen brak de malaria in alle hevigheid uit.

Ik was nu enige blanke, waar de Jappen zich op konden uitleven. zolang ik bij het houthakken was, gebeurde het dagelijks, dat de zaag wat scheef ging, waardoor het hakhout iets langer of iets korter uitviel. Op een dag was de zaag wel iets meer scheef gegaan, waarna een Jap die een paar stukken ging nameten, wat nog nooit eerder gebeurd was. Ik werd hierna met de kolf van een geweer afgeranseld. Op een gegeven moment deed ik m' n hand omhoog met de bedoeling de Jap een opdonder te geven Gelukkig bedacht ik me op het laatste moment. Op het slaan van een gewapende soldaat stond de doodstraf. Nadat we klaar waren met onze taak, moest ik wachten, totdat iedereen klaar vlas. Onderwijl had ik anderen verteld wat er gebeurd was en of ze dit aan de dokter, die in feite nu onze commandant was, wilden vertellen. 

Toen iedereen klaar was, moest ik met de Jap mee en ik kon alleen maar bidden, dat dit goed mocht aflopen. In het Jappenkamp moest ik mee naar de Japanse commandant een Goensau (sergeant) . Het was een lange Koreaan, die als  hoogspringer had meegedaan aan de Olympische Spelen in Amerika. De tolk moest erbij komen, maar met hem kwam ook onze dokter mee. De commandant zei, dat ik een Japanse soldaat had geslagen en dat daar de doodstraf opstond (dat wist iedereen allang). Ik zei, dat ik niet had geslagen, maar met rnijn hand een afwerende beweging had gemaakt toen ik werd geslagen met een kolf van een geweer. De commandant werd verschrikkelijk kwaad ( volgens mijn gevoel deed hij alsof) en gaf me een klap in het gezicht. Dit ging zo drie keer. 

Hierna vroeg de commandant iets aan de soldaat en ik zag dat de soldaat mijn  handbewe- ging nadeed. De commandant sprak nu in het gebroken Engels met onze dokter. Intussen zei de tolk tegen me "De soldaat heeft gezegd, dat je wilde slaan, houd vol" . De dokter zei, dat de commandant de waarheid wilde horen. De commandant zei weer, dat ik hem had geslagen.
Toen zei ik, dat ik me niet meer kon beheersen en wilde slaan, maar dat ik me op het laatst had ingehouden, omdat ik een ambassadeur van Tenno Heika ( dat verstond hij) niet mag slaan. Omdat ik niet had geslagen, maar wel m'n hand hiervoor had opgelicht, kreeg ik een andere straf, deze Koreaan kon niet anders omdat hij tegenover de Jappen een gebaar moest maken.
Ik moest 5 keer door de Japanse  barak heen en terug lopen. Aan beide zijden twee hoog zaten de sadisten op hun baleh baleh' s met hun geweren in de hand. 
Ik zei: "Dank U Heer" en liep 5 keer heen en terug. Terwijl ze met hun geweerkolven sloegen, ging ik verschillende keren onderuit. Hierna  kreeg ik van sommigen, misschien wel van allemaal één of meerdere sigaretten. Het is bij de Jappen voorschrift, om voor een gewapende Jap te buigen, omdat hij de keizer vertegenwoordigt en wij moesten dat ook doen. Toen ik de Jappenbarak uitkwam en langs de Japanse commandant liep, die ongewapend was, maakte ik toch een diepe buiging.


Ik dacht, je was in dienst van mijn "Heer" en heb gedaan wat je kon doen. De klap was hard aangekomen. De rivier deed nog wel wonderen maar "de dood voor ogen" had me moreel ernstig aangevreten. Achteraf realiseer ik me, dat bij alle aframmelingen nooit met een hard voorwerp boven m'n schouder was geslagen. De volgende morgen ging ik weer houthakken, maar het leek wel of de moed eruit was. Hierna werd ik niet meer buitengewoon afgeranseld.

Indische vrienden om me heen moedigden me aan om vol te houden, het kon vast niet zolang meer duren. Na enige weken ging het niet meer. De dokter meldde me ziek en ik mocht in de barak blijven. Ik had geen fut meer om te eten. Gelukkig lieten de Jappen me met rust. Het waren Indische mannen die me visbouillon te drinken gaven en rijst met veel vis in m'n mond duwden en maar zeiden: " Kan. eten, we winnen de oorlog". Het leek wel of ze allemaal om me heen stonden. Deze goede mensen hebben me over de drempel van de vrijheid getild. Ik was in feite niet ziek. De rust, het extra eten, de warmte en de liefdevolle verzorging van de donker gekleurde Indische Nederlanders hebben er voor gezorgd, dat ik na enkele dagen weer ging houthakken, alhoewel ik niet meer de oude was.

Niet lang hierna waren de Jappen door het dolle heen, er broeide iets. De volgende dag kwam er een fouragetrein die de Jappen zelf losten. De hierop volgende dagen werd het houthakken bij daglicht beëindigd en niet meer gekeken of onze dagtaak klaar was. We kregen nog maar 2 keer per dag te eten. We dachten, dat de geallieerde legers misschien wel erg dichtbij waren. 

Op een dag mochten we niet meer in de buurt van de spoorbaan komen. Er waren nu veel gewapende wachten rond het kamp. We moesten op het middenterrein van het kamp lange sleuven maken van 2 meter breed en l meter diep en op de hoeken van het terrein aarden mitrailleurheuvels. De tussen haakjes vermelde gebeurtenissen waren bij ons niet bekend We begrepen wat ze met ons van plan waren. Het enige pluspunt was, dat we niet meer behoef- den te werken en ook niet werden geslagen. We mochten het kamp niet uit en konden dus ook geen wilde groenten zoeken. We brachten onze dagen door rond en in de rivier en er werd veel gevist. Er werd veel gediscussieerd wat we zouden moeten doen als de Jappen hun plannen werkelijk ten uitvoer zouden brengen.

De meesten dachten dat het intimidatie was. Ook vroegen we ons af waarom er in deze regentijd geen pompoms met kooplieden waren gekomen nu de de rivier zo hoog was. 
De algemene mening was, omdat we zover van de bewoonde wereld waren. Dan vroegen we ons af, waarom vliegen er geen Liberators meer over. Met de dreiging om als reddeloos vee te worden afgeslacht, beleefden we verschrikkelijke dagen. Na enige weken moesten we plot- seling spiedo spiedo al onze spullen inpakken, in de Japanse keuken ons messtinnetje vullen en naar de spoorbaan gaan waar een motortrein met open wagons klaarstond. Direct nadat we waren opgestapt vertrokken we. Er waren 2 gewapende Japanse begeleiders bij.

Bij de grote wisselplaatsen kregen we eten. Er stonden nu geen stoomtreinen met Japanse soldaten voor het Burma front, maar uitsluitend lege motortreinen. De barakken van de krijgsgevangenkampen waren leeg en rond de latrines krioelde het van de strontvliegen. Na 2 nachten bereikten we een stationnetje, waar we moesten uitstappen. We moesten een eind lopen, één Jap liep voorop. Met een paar anderen bleven we achter de eerste Jap. Ook onze dokter was hierbij en toen we een "blanke MP" zagen lopen zei ik tegen de dokter: "Ik denk dat de oorlog is afgelopen". 
De dokter zei toen, dat hij het ook dacht, maar niets verder moest zeggen, want als het niet zo was, zouden de meesten het niet meer kunnen verwerken. Uitgeput kwam ik op een stoffig voetbalveld buiten een heel groot krijgsgevangenkamp. Achter een lage afrastering zag ik Henk Groen staan, een matroos van mijn opleiding (mei 1939). Ik liep naar hem toe, maar de Jap gilde naar me, maar ik liep door. Ik vroeg aan Henk: "Is de oorlog afgelopen" ? Hij zei: "We hebben al Koninginnendag  gevierd". Ik sjokte weer naar de groep terug, waar nog steeds mensen kwamen aangestrompeld. Ik was uitgemergeld vel over been, een lopend skelet met alleen een Tjawat (lendedoekje) aan en op blote voeten. Toen de laatsten, die door een vrachtauto langs de weg waren opgepikt aankwamen, werden er lijsten aan Japanse officieren overgedragen. Nadat we geteld waren mochten we het kamp binnen.

lees verder >>