© Veteranen-online

JAPANS KRIJGSGEVANGENE - 2

Door: Adrie Kannegieter

In de Changi Area.

Nadat we de stad Singapore achter ons hadden gelaten, stopten we na enige tijd voor de "Changi Jail", een hele grote gevangenis met hoge muren. Op de hoeken waren wachttorens met gewapende bewakers. We moesten uitstappen en in een lange rij aantreden. Er gaat erg veel door je heen bij de gedachte in die gevangenis te worden opgesloten.
We stonden in de gloeiende zon en moesten zoals gebruikelijk nummeren in het Japans, ietjie ni, san (1,2,3) enz. en we waren niets anders gewend dan dat dit meerdere keren moest gebeuren. Nu leek het erop, dat ze er nooit meer uitkwamen. Er liepen alsmaar Japanse officieren met lijsten langs de rijen en wij maar weer "nummeren", waarna ze weer naar hele hoge Japanse officieren gingen. Er kwam geen eind aan. 

Na vele telrondjes kwamen er een paar Engelse officieren in uniform, waaronder een hele hoge, met het bekende stokje onder z'n arm, alsof hij de oorlog had gewonnen. Er gingen papieren over en weer. Een paar Engelse officieren telden even langslopend en gaven kenne- lijk tellijsten aan hun grote baas.
Hierna gingen we tot onze grote opluchting op vrachtauto's, die bestuurd werden door Engel- se soldaten. 
Na een korte rit reden we door een poort waar boven stond "Changi Area Militairy Base". Aan de poort stonden gewapende Brits Indische soldaten met een tulband op hun hoofd. 
Dat waren "Sihks". We moesten uitstappen, waarna diezelfde hoge Engelse officier een toespraak hield. Hij had de verantwoording en de bewaking binnen de hekken van de Jappen overgenomen en was verantwoordelijk voor het "aantal" en "orde". De bewaking buiten de hekken was door de Jap opgedragen aan gedeserteerde Sihks. Op ontsnapping of poging daartoe stond een zware straf. De bewakers hadden de opdracht zo nodig te schieten.

Het was een zeer uitgestrekte basis, afgezet met prikkeldraad. er stonden enorme grote kazernes, die waren genoemd naar een legeronderdeel. De soldaten die de oorlog hadden overleefd, waren nog steeds in hun eigen kazerne ondergebracht. Zo waren er de H.Q. (Head Quarters), A.A.F. (Australian Air Force), Division".  The Scots Highlands, The Southern Area, Hospital, The XI-st division etc. De groep van onze marine werd ondergebracht in "The XIst Division". Ltz de Best, die van de VV Brantas was onze commandant.In tegenstelling tot de grote stenen kazernes, waren hier enkel houten barakken, waar de overlevenden van dit Schotse legeronderdeel in woonden. We werden hartelijk door hen ontvangen. Het was heerlijk om na lange tijd weer eens te kunnen douchen. Het belangrijkste was, dat we weer normaal konden slapen.

Iedere avond was er in alle kazernes op dezelfde tijd appèl, waarbij een officier van H.Q aanwezig was. Het was dus weer aantreden en nummeren. De officier had een lijst bij zich, noteerde de gegevens, telde daarna alles bij elkaar en kon zo zien of dit klopte met het ingeschreven aantal. Het was verboden van de ene naar een andere kazerne te gaan. Verplaatsingen moesten vooraf bij H.Q. worden aangevraagd, onder opgave van aantal, waarvoor bij individuelen een witte armband en bij meerderen een witte vlag werd afgegeven. Zo droeg men bijv. naar een hospitaal, voor dokters- of ziekenbezoek een witte armband en werd bij bijv. werkzaamheden of uitwedstrijden (spelers met de supporters) een witte vlag meegevoerd. 

Het is dus duidelijk de bedoeling, dat er bij controle door de Jap op elk moment het totaal moest kloppen. De Engelse MP patrouilleerde dag en nacht om te controleren, dat niet van deze regel werd afgeweken. Onze kazerne was voor werkzaamheden ingedeeld voor de groentetuinen waar o.a.kankoen in sawa's en pepers werden gekweekt. Iedere morgen kwam er een Engelse onderofficier met een witte vlag het vastgestelde aantal mensen ophalen. Iedere kazerne had een voetbalveld en een eigen voetbalteam, dat speelde in onderlinge com- petitie. Ik heb ook een paar keer meegespeeld. Ook werden er landenwedstrijden gespeeld. Korporaal Samson, van onze boot, was onze keeper, maar ook van het Nederlandse elftal. Bob Bouquet en Toon v.d.Burg zaten ook in onze groep. 

Ik had al vlug een Schotse vriend, Robert Logan. Hij woonde op 10 Low Waters, maar de plaatsnaam weet ik niet meer. Hij was nog erg jong, ik denk 18 jaar. Hij corrigeerde mijn Engels tijdens het spreken en schrijven. Meneer de Best had zijn studieboeken onder de gevangenen verdeeld, om die voor hem mee te nemen. Evenals in Soerabaja gaf hij weer les in scheepsbouw en zeevaart.

Eenmaal ben ik met een Schot mee geweest naar de voormalige Engelse ondergrondse forten om petroleum voor de lampen te stelen. Een paar Schotse krijgsgevangenen hielden het prikkeldraad omhoog zodat we er onderdoor konden kruipen. We moesten goed uitkijken voor de Sihks, maar dat was niet zo moeilijk, want die hoorde je door hun harde gepraat (ik denk bewust) van ver aankomen. Niettegenstaande waren we erg voorzichtig. We moesten alles bij elkaar 20 minuten lopen en sluipen. Ergens tussen de struiken was een noodluik. Met daaronder een soort liftkoker. In de muur waren klimhaken en konden zo stijl naar beneden, waar we in een grote ruimte kwamen met gangen. Door de kijkgaten viel het licht naar binnen. Er stonden enorme grote kanonnen van zeker wel 40 cm. De lopen waren onbruikbaar gemaakt. De kanonnen waren richting zee opgesteld, waardoor de vesting niet was in te nemen. 

Laten nu die domme Jappen vanuit Malakka, dus van de landzijde zijn binnengevallen. Nadat de flessen gevuld waren zijn we langs dezelfde weg teruggegaan.
Toen er een keer sprake was, dat er geen zout meer zou komen, mochten we zoutwater uit zee gaan halen. De hele dag hadden we een helm met zoutwater op een vuurtje van sprokkel- hout, dat we vonden in de buurt van het steile pad naar zee. We vonden daar ook allerlei wilde soorten groenten t.w. bajum (spinazie), krokot (postelijn) en het harige blad kembang spatoe. Het zout winnen leverde niet veel op, maar de wilde groente was veel belangrijker.

Het eten was bar slecht. Weinig rijst welhaast geen groente, maar wel regelmatig wat scha- penvlees. Wanneer je nu maar met een beetje tevreden was, dan kon je het hier best uit- houden. 
De stelling van de Jap was "Wie niet werkt, krijgt geen eten". Daarom kregen minderen die werkten, na inhouding van huisvesting en voeding, een loon waarvan de tegenwaarde niet meer was dan 2 eieren.
Onderofficieren mochten alleen maar toezicht houden en kregen hetzelfde als de minderen wanneer ze ingedeeld waren. Officieren mochten niet werken maar kregen toch elke dag uitbetaald, ongeveer 50% meer dan wij. Van het verdiende geld werd door onze leiding de helft ingehouden voor de zieken. Meestal kon je alleen maar tabak/sigaretten, eendeneieren, bananen of donkere suiker kopen. Ik had het voorrecht altijd te kunnen werken. Omdat ik niet rookte en na uitbetaling alleen maar een paar eieren en suiker kocht, had ik altijd geld over, om iets voor onze eigen zieken (marine) te kopen. Ook de winst uit de toko ging naar de zieken (algemeen).

De marineploeg was zeer bedroefd toen we onze eerste doden moesten begraven, te weten matroos I, Profilyen een heel collegiale, vriendelijke Indische jongen.
Het was de bedoeling van de Jap om ons aan een spoorlijn te laten werken. Er kwam een lijst met namen van mannen die zich gereed moesten maken voor een lange reis. Bob Bouquet was hier niet bij. Hij is later met een schip naar Rangoon (Burma) gestuurd, om aan die kant aan de spoorlijn te werken. Het schip is door de geallieerden tot zinken gebracht, waarbij Bob is omgekomen. De volgende morgen werden we heel vroeg wakker gemaakt. We konden ons messtinnetje (rond eetpannetje met ondiep pannetje als deksel) vullen met rijst en een beetje groente en een paar stukjes schapenvlees. Hierna werden we op vrachtauto's geladen en na enige tijd rijden afgezet op het stationnetje "Changi Village", waar onze goederentrein gereed stond voor vertrek.
 

lees verder >>