© Veteranen-online

JAPANS KRIJGSGEVANGENE - 3

Door: Adrie Kannegieter

In de goederentrein Singapore Ban Pong (Thailand).

Begin januari 1943 stond er een stoomlocomotief met 26 gesloten zinken goederenwagons, waarvan I voor hooguit 8 bewakers, op ons te wachten. Deze eerste groep om aan de aanleg van de spoorbaan te gaan werken waren Nederlandse marinemannen, waaronder ds. Hamel en bestond uit 700 man, zodat er 28 personen met bagage in één wagon moesten.

Zittend met opgetrokken knieën pasten we er nauwelijks in. In iedere wagon stond een emmer waarvan sommige dachten dat deze bedoeld was als toiletemmer. De schuifdeur bleef gelukkig open. Het was nog donker en behoorlijk koud toen we vertrokken. Zodra we reden gingen er een paar man in de deuropening zitten met hun benen buiten boord, waardoor er iets meer ruimte kwam. Met het verstrijken van de tijd, kwam ook de koperen ploert (de zon) hoger te staan, waardoor het in de wagon onmenselijk warm werd. Bovendien werd de zinken wand aan de zonzijde zo gloeiend heet, dat daar niet meer tegenaan kon worden gezeten, waardoor er veel minder ruimte was. Tijdens het rijden was er wel enige afkoeling door de wind, maar omdat het een éénbaans spoorlijn was, moesten we op de wisselplaatsen soms uren wachten op een tegenligger of om de luxe Singapore Bankok expres te laten passeren.

Maar ook dit had dikwijls een positieve kant. De lok moest daar water tanken, zodat we soms ook onze veldflessen konden vullen. Ook gebeurde het dat de inlandse bevolking van deze gelegenheid gebruik maakte om etenswaren te koop aan te bieden. In hoofdzaak bananen en eendeneieren tegen onvoorstelbare lage prijzen, b.v. 2 eieren voor 10 cent, wat wel een dagloon was voor ons werk in Singapore. Contact met de bevolking was niet toegestaan, maar er waren bewakers, die de verkopers in het voorbijgaan met veel geschreeuw wegjoegen en dan niet meer omkeken wat er achter hun rug gebeurde en het dus oogluikend toelieten. 

Ook hier zien we goede Japanners. Het lag er dus aan, welk stel de bewaking had, terwijl de anderen lagen te slapen o.i.d..Wanneer er een stel sadisten de bewaking had, durfden vele niets te kopen, omdat wij de kwetsbaren waren. De verkopers waren niet zo bang. Wanneer de bewakers maar iets verder waren, renden ze naar een wagon en gooiden soms bananen naar binnen zonder betalen. Dit gebeurde zowel op Malakka als in Siam (Thailand). 
Dit waren dan de zgn. "onontwikkelde kleurlingen", die zonder prijsopdrijving en zelfs voor niets goederen aanboden aan "ontwikkelde blanken" welke bovendien hun voormalige overheersers (Engelsen) waren. Het waren financieel armen, maar wel rijk in hun zorg voor politieke slachtoffers.

Onze wagon was in het voorste gedeelte van de trein, waardoor er wel eens rook en roet naar binnen kwam. Enkele keren werd er in een onbewoond gedeelte een sanitaire stop gemaakt, waardoor we even de benen strekten en langs de spoorbaan onze behoeften konden doen. Door de dysenterie was er dikwijls in de wagon iets misgegaan, de stank hiervan vermengd met zweetlucht was dan ook verschrikkelijk. Hierbij werden we ook nog gekweld door het vreselijke lawaai, dat ons metalen omhulsel en de koppelingen maakten. Bij een stop, waarbij een stel sadisten de bewakers waren, stak één van deze Jappen een bajonet in de kuit van een matroos I, omdat z'n benen buiten de trein hingen. En een lol dat ze hadden, ongelooflijk! 

De zon zakte en de temperatuur werd wat aangenamer, totdat het donker werd en we weer in de kou zaten. Na ons messtinnetje rijst in Singapore hadden we die dag niets meer te eten gekregen. Gelukkig hadden we bij één stop iets kunnen kopen.  
Deze nacht was er onderling veel ruzie (gebekvecht) over hoelang en waar iemand dacht te kunnen slapen.

De tweede dag toen het licht begon te worden stopte de trein onder de overkapping van het grote station Pinang. We kregen hier een behoorlijke maaltijd. Uit iedere wagon mocht 1 man met de emmer eten gaan halen, de emmers die als toilet waren gebruikt moesten worden leeggegooid waarna het eten er zo inging. Bovendien kregen de etenhalers een verschrikkelijke afranseling.

De volgende dagen kregen we niet meer dan eenmaal per dag een kleine magere maaltijd. 
De toestand in de wagon werd met de dag ondraaglijker. Het was dan ook een verademing, wanneer we ergens stopten, te ervaren dat er nog kleurlingen waren die hun best deden om de ellende van de superkolonisten iets te verzachten. In de vroege morgen van de vijfde dag arriveerden we in Ban Pong (Siam), waar we op het perronnetje moesten aantreden en uiteraard weer vele malen moesten nummeren.

lees verder >>