© Veteranen-online

JAPANS KRIJGSGEVANGENE - 5

Door: Adrie Kannegieter

Kinsayok (172), midden januari 1943.

Ook hier weer hetzelfde beeld, een paar vervallen hutten met een paar als skeletten uitziende Engelsen.

Iedere autobemanning moest helpen zijn auto te lossen. Hierbij moest alles soort bij soort gelegd worden, zoals zakken rijst, blikken met gedroogd zeewier, gedroogd vlees en gedroogde vis. Keukenmateriaal w.o. grote wadjans, atap, handwerktuigen, zoals bijlen bij bijlen en zo ook de kapmessen, patjols, 2‑persoons boomzagen met een doos vijlen enz. Uiteraard moesten we weer aantreden en tellen (het telleritus).

We moesten wachten tot ook alles wat van de auto's was gekomen geteld was. Nu werd ons duidelijk gemaakt, dat de handwerktuigen iedere avond weer moesten worden teruggelegd, dus soort bij soort. Wanneer er iets ontbrak, zouden we zolang in de houding moeten staan en geen eten krijgen, totdat het terecht was. Nu werden we in vaste ploegen verdeeld en onder geleide van een Jap ging ons ploegje kapmessen halen bij de "materiaal Jap". Bij een plaats met een merkteken op een boom begonnen wij te kappen, eerst wat ondergroen, dan de vrijgekomen bamboe, die soms wel 15 cm dik was en de rotan. De bamboe werd door een andere ploeg onder je handen vandaan afgevoerd. 

Het duurde niet zolang, dat we in het oerwoud een brede gang hadden, in de richting van Burma, waar alleen nog maar bomen stonden. Toen het donker begon te worden gingen we terug om onze kapmessen op dezelfde plaats terug te leggen. Er was in de richting van de rivier al een heel groot stuk open gekapt en er stonden al een paar skeletten voor barakken met atap erop. Er waren latrines (WC's). Dit waren lange sleuven van ruim 1 meter diep en 50 cm breed, dwars daarover bamboe's met open tussenruimten, zodat we op onze hurken onze behoeften konden doen (dus op z'n Frans). Ook was er een ploeg bezig met hetzelfde werk als wij in de andere richting, dus terug. 

Omdat de keuken nog niet klaar was, kregen we een paar schepjes rijst om zelf te koken en wat bruinachtige suiker. Die avond at ik witte rijst met wilde groenten en als dessert water- rijstpap met suiker. De wilde groente was wel bitter, maar m'n moeder had een vaste uit- drukking: "Het is niet lekker, maar het voedt". Langs een smal pad liep ik naar de rivier, waarin ik even later genoot van het langzaam stromende water. Ik had me al een plaatsje toegeëigend in één van de bamboeskeletten en sliep derhalve deze nacht nog wel op de grond, maar wel onder een atapdak.

De volgende morgen werd ik al vroeg wakker door het gekrijs van de apen. Omdat het droge tijd was lag de rivier erg laag en daarom moest ik over een smal pad zeker 7 m. naar beneden. Dit alles was me de avond tevoren in het stikke donker en door vermoeidheid niet zo opgevallen. Het begon licht te worden en nu zag ik de rivier voor het eerst. Het was een openbaring te zien, wat de nacht als verrassing voor me verborgen had gehouden. Het was nog koud, maar zittend met m'n hoofd boven water was het heerlijk. De rivier was nu niet zo diep en hier en daar kwamen er rotsblokken boven het water uit. Aan de overkant zaten de apen, die met elkaar stoeiden, zich dan plotseling naar beneden lieten glijden om uit de rivier te drinken en daarna weer met een noodgang de bomen inklommen.

Er kwamen steeds meer mensen naar de rivier, die door de herrieschoppers wakker waren geworden. Ineens was het stil en de apen waren vertrokken in de richting van de bergketen, die niet ver aan de overkant de gehele loop van de rivier volgde. De serene stilte werd wreed verstoord door het "spiedo spiedo" gekrijs van de Jappen om de nog dromende mensheid tot de werkelijkheid terug te roepen. Alles was nu spiedo spiedo, met eten en haast niet te geloven ook het tellen. Dezelfde ploegen met dezelfde mensen gingen weer verder met het werk van de vorige dag.

In onze ploeg zat ook Huib Gelderblom een matroos I uit Alblasserdam.
Ik had hem nog nooit eerder ontmoet. Al werkend vertelde hij zijn verhaal. Hij zat op één van de kleine mijnenvegers. Nadat de bemanning hun schip, net als wij, tot zinken had gebracht is hij naar de grote mijnenlegger met open achterkant, de Hr.Ms."Gouden Leeuw" gegaan. Dit schip was ingezet als veerpont om het terugtrekkende Indische leger naar Madoera over te zetten. Dit waren dus de soldaten waaraan wij marine mensen langs de Kali Brantas in Soerabaja rugdekking moesten verlenen. Huib was op Madoera krijgsgevangene geworden en was op dezelfde wijze als ik naar Singapore gekomen, maar werd in Changi Area in de Southern Area ondergebracht, terwijl ik in de XIe divisie zat.

Hierna is Huib ingedeeld in de groep, waarin ook Ds Hamel zat en was dus in dezelfde trein naar Ban‑Pong en bij hetzelfde autotransport naar Kinsayok als ik. Na een paar dagen was er een heel groot open terrein van de spoorlijn tot aan de rivier. De keuken en een aantal barakken waren klaar. Behalve de keukenploeg en de zieken moest nu iedereen aan de spoorlijn werken. De verdere bouw van de barakken moest in de vrije tijd gebeuren, dus na 10 uur zwoegen. We hadden toen al een lang stuk spoorbaan open gekapt. Achter ons aan kwam nu een ploeg bomenzagers en een grote ploeg, die moest egaliseren, zo nodig moest afgraven of ophogen. 's Middags en 's avonds op de terugweg naar het kamp moesten we bamboe voor de huttenbouwen hout voor de keuken meenemen. De officieren mochten niet werken en moesten in het kamp blijven. De onderofficieren moesten toezicht houden dat er hard genoeg gewerkt werd en gingen bij toerbeurt met de ploegen mee. De officieren en niet ingedeelde onderofficieren gingen door met huttenbouwen verzorging van de zieken, alhoewel dit eigenlijk niet mocht.

Na een paar weken kwamen er regelmatig groepen doodvermoeide afgetobde krijgsgevangenen in ons kamp of liepen voorbij, omdat ze bestemd waren voor de nieuw op te zetten kampen Rintin (181) en Hindato (198). Ze hadden vanaf de trein Ban‑Pong (5) 10 of meerdere dagen moeten lopen.

De meesten hadden geen weerstand meer en waren nauwelijks in staat een gesprek te voeren. Het bleek al vlug, dat onze groep het geluk had de eerste maar ook de "ENIGE" jungle groep te zijn, die dit traject in 2 dagen op vrachtauto's mochten meerijden. De groepen die in ons kamp kwamen hadden nog het voordeel, dat ze gelijk in hutten konden worden ondergebracht en verzorging kregen. Maar de groepen, die nog eens één of twee dagen verder moesten lopen en daarna ook nog een kamp moesten opzetten waren in feite al ten dode opgeschreven, voordat ze aan de spoorlijn konden beginnen.

Na enige tijd waren we zover gevorderd, dat we 's middags niet meer naar het kamp teruggingen. De theekokers gingen nu met hun theeblikken naar het kamp om eten te halen. We hadden nu langer "jasmee" (rust), omdat we niet meer heen en weer behoefden te lopen. Zodoende kon ik wilde groenten gaan zoeken en waar het even kon de rivier induiken om één oesterschelp te zoeken. Bij het kamp waren er niet meer te vinden.

Een oester was gekookt nog erg taai, maar in kleine blokjes gesneden en met het witte kookvocht (eiwit) was het een goede aanvulling bij de rijst met wilde groenten. De meeste vonden dit allemaal teveel werk en gingen liever een poosje slapen. Het was eigenlijk weer geluk, dat ik nu juist in deze ploeg was terecht gekomen. Het was maar een klein ploegje en ook nog van de groep, die op vrachtauto's waren aangevoerd. We werkten veelal in de schaduw, wat uiteraard bij 35 a 40 graden een groot voordeel was. Al doende hadden we nog geen uitvallers. ook liepen we uit op de andere ploegen. Daarentegen waren de ploegen achter ons erg groot, waaronder ook krijgsgevangenen, die uitgeput in ons kamp waren aangekomen. Ze werkten in de gloeiende zon en moesten o.a. een tracé van 10 m. hoog aanleggen. Het kon dan ook niet anders dan, dat er bij die ploegen veel uitvallers waren door ziekte en overlijden.

Die ploegen werden aangevuld door weer nieuw aangekomen stumpers, veelal Engelsen en Aussies. Hun werk raakte steeds verder achter op het schema. De Jappen die hiervoor door de legerleiding achter hun vodden werden gezeten, werden steeds agressiever. Veel zieken werden 's morgens uit de ziekenhut geslagen om aan de spoorbaan te werken.  


De huisvesting

Het gebeurde dan juist bij die ploegen, dat er tijdens het werk steeds meer mensen erbij neervielen en zelfs doodbleven. In korte tijd was het kamp een groot basiskamp geworden met duizenden krijgsgevangenen.

Ds Hamel was al een paar keer naar Rintin (181) geweest, omdat daar onder de zeer vele Nederlanders in dat kamp erg veel ernstige zieken waren en er tientallen per dag overleden. Hij was dan ook vastbesloten om bij de eerste de beste kans die hij kreeg, hoe dan ook, definitief naar dat kamp te gaan. 
Eind februari 1943 werd er een groep van 500 man samengesteld voor het nieuwe kamp Brankasi. Huib zat in die groep en Ds Hamel kreeg het voor elkaar om ook in die groep ingedeeld te worden. Bij het passeren van Rintin hield Ds Hamel het voor gezien en simuleert erg ziek te zijn. Hij blijft in Rintin (181) wat zijn bedoeling was.

Er waren overigens nog meer kwelgeesten dan de Jappen. De bamboe in de hutten zat vol met wand‑ en witte luizen. In de rustpauzen werd er dan ook naarstig gezocht naar witte luizen in de kleding, die dan tussen de nagels van 2 vingers werden gedrukt, totdat je klik hoorde en het bloed eruit kwam. Ook waren er Klabangs (grote duizendpoten) en schor- pioenen, die net als een wesp een angel in het achterlijf hadden.

Ze kwamen pas in de avondschemering langs de rivier te voorschijn. Dus uitgerekend daar waar we op blote voeten liepen. Wanneer je op zo'n beest trapte, kreeg je gelijk een angel in je voet. Ik heb dit ook enkele malen ervaren. De klieren in de lies van dat been gingen opzetten en dan kreeg je verschrikkelijke pijn. Eenmaal was het zelfs zo erg, dat ik haast niet meer kon lopen. Afhankelijk van de grootte van zo'n pinatang (ondier) waren de gevolgen. Ik vroeg maar gelijk aan een ander of hij even piste tegen de plek met de angel. 

De volgende morgen was het nog wel niet over, maar moest wel weer naar de spoorbaan. 
Het was niet alleen dat de spoorbaan op tijd klaar moest zijn, maar ook omdat alles volgens schema in elkaar paste. Wij de kapploegen waren de voorste en omdat wij steeds verder uitliepen, was er ook geen druk van achter ons. Achteraan kwam de zgn. spijkerploeg bestaande uit potige, wel gevoede Engelsen en Nederlanders. Ze moesten volgens schema 2 km. spoorlijn per dag maken w.o. ook het storten van steenslag en het leggen van bielsen.

Alles werd aangevoerd met de motortrein (zware vrachtauto, die ook treinwielen had) met open wagons met lage neerklapbare wanden. Ze woonden in tenten, zodat ze regelmatig verder konden trekken. Doordat de motortreinen heen en weer reden, was er ook kontakt met de bewoonde wereld, waardoor de spijkerploeg niet alleen betere voeding had, maar ook zorgde dat het laatste nieuws steeds verder in de jungle kwam. Langslopende krijgsgevange- nen zorgden ervoor, dat de berichten nog verder kwamen.

Half maart 1943 rijdt de trein al tot wang po (114), maar de spijkerploeg moet wachten, omdat het viaduct langs de rots niet gereed was. In Europa zijn de geallieerden aan de winnende hand en aan het Burmafront gaat het de Jappen niet voor de wind. De datum dat de spoorlijn gereed moet zijn wordt terug gebracht van december 1943 naar augustus 1943. 
De werktijd wordt opgevoerd van 10 naar 14 uur per dag. Dat de situaties in de kazernes (krijgsgevangenen) in Singapore nu ook erg slecht is, horen en zien we aan de dagelijks voorbij zeulende sterk vermagerde krijgsgevangenen. We konden alleen maar constateren, dat de aanleg van de spoorlijn tevens werd gebruikt voor rassenmoord. 

Er was voor ons niet veel hoop meer. 's Avonds dacht ik veel aan m'n moeder. Ze had gezegd "vergeet nooit, moeder bidt voor je". Zou ze nog leven ? Dikwijls kwam dit beeld weer terug en het was de kurk, waarmee ik me drijvende hield. Ik werd elke keer weer op mezelf terugge- worpen door de stem "je moeder heeft je ook geleerd om te bidden". En dan ga je in gesprek met je Hemelse Vader. Altijd vroeg ik, dat de Jappen de wijsheid gegeven zou worden om in te zien, dat dit niet verder kon.

Dit bad ik ook iedere keer, wanneer er ergens een "onder onsje kerkdienst" werd gehouden en ik de beurt had om te leiden. Er werd weleens gezegd: "Hoe kan je nog voor de Jappen bidden". De volgende dag was niet beter dan de voorgaande. Ik keek dan maar naar de prachtige orchideeën, die ik uit de jungle had meegenomen en met aarde en mos in een dikke bamboe had geplant en die ik, waar dan ook in onze hut had opgehangen. Maar dan was het alweer "spiedo‑ spiedo". Gelukkig dat je niet zoveel tijd had om te denken.

Ons kamp was inmiddels heel groot geworden, maar ik zag het niet meer bij daglicht.

Op de 2e van iedere maand was het een feestdag, want 29 april was de verjaardag van Tenno Heika, de Japanse keizer en bij de andere maanden het feest van de herdenking van de aanval op Pearl Harbour. We waren dan wel eens vrij. De Jappen gingen op die dag vis vangen met springstof. De krijgsgevangenen die goed konden zwemmen deden dan een boomvezel met een klein takje aan het eind om hun enkel. Na de explosie doken we de rivier in om de verdoofde vissen te pakken, die we via de bek en de kieuwen aan de vezel regen. Een eindje verder stroomafwaarts stonden de Jappen ons met blikken op te wachten en moesten we alles inleveren. We kregen er niet één. 's Avonds keek de rondlopende wacht, wat er op een vuurtje stond en wee hij die vis gepikt had.

Slechts één keer mochten we een kaart naar huis sturen en deze is daar ook aangekomen.


Wij waren nu zover met ons werk gevorderd, dat we de boomkappers vanuit Rintin konden horen en begrepen, dat dit voor onze ploeg het einde betekende. Ik had net zoals velen anderen, buiten de hut aan het hoofdeinde van m'n tampatje (slaapplaats) een tuintje aangelegd en er pepertjes ingezaaid. Ze waren al aardig hoog en er zaten al knopjes in. Ik vroeg me af of ik nog wel zou oogsten. Toen de bloementjes uitvielen en er kleine groene vruchtbeginsels kwamen werd ik ingedeeld om naar een ander kamp te vertrekken.

lees verder >>