Veteranen-online

JAPANS KRIJGSGEVANGENE - 6

Door: Adrie Kannegieter

Takanun (218), juni 1943.

Ik werd hier ingedeeld in de "plof ploeg". Dit werk was niet tussen en onder bomen. Het was wel weer geluk, dat de regentijd in aantocht was waardoor het bijna altijd bewolkt was en de temperatuur terug liep naar 23 a 27 graden. Ik moest met een vaste maat, met een grote lange beitel en een zware hamer gaten in de rotsen slaan van ongeveer 30 cm. diep. 

Om de beurt hielden we de beitel vast of sloegen we met de hamer. Dit werk had ook een positieve kant, want wanneer m'n maat de beurt had met de hamer, moest ik zittend op een brok rots de beitel vasthouden en kon ik weer even bijkomen. Wanneer er veel gaten diep genoeg waren, deden de Jappen er springstof in. Wij moesten een eind weg achter de rotsen dekking zoeken. Nadat de ladingen op afstand tot ontploffing waren gebracht gingen we weer verder. Ondertussen hadden we een behoorlijk poosje rust gehad. Een ploeg zieken moest de losse blokken rots naar omlaag rollen. Daar zaten de zieken, die welhaast niet meer konden lopen en die moesten de blokken klein slaan tot steenslag voor onder de bielsen. Doordat het water in de rivier in de regentijd steeds hoger werd, kwamen de Pom Poms (motorboten).
               

Mannen van onze ploeg moesten regelmatig helpen bij het lossen. Hier waren sterke mannen voor nodig, omdat de zakken met rijst, katjang ietjoe (groene erwtjes, waar taug van gemaakt wordt) etc. eerst tegen de oever op gesjouwd moesten worden en daarna nog naar het magazijn in het jappenkamp. De sjouwers hadden afgesproken, dat de afstand van elkaar steeds groter zou worden om zo de gelegenheid te scheppen dat de begeleidende Jap de zaak niet onder controle kon houden om zo te kunnen stelen. Vooral katjang ietjoe was erg belangrijk, omdat die erg vitaminenrijk zijn en een probaat middel tegen beri‑ beri (honger oedeem). En vinger door een jute zak en m'n veldfles zat zo vol. Ook ging weleens een rauw ei zo m'n keel in. De erwtjes en eieren waren voor de Jappen. De Jappen stalen zelf ook als raven zodat ze niet konden vaststellen wanneer en door wie er tijdens het transport gestolen was.

Ook kwamen er kooplui met kleine pom pom's, zodat we zo nu en dan extra voedsel konden kopen. De regeling die in Singapore was gemaakt, dat de helft van het uitbetaalde loon zou worden ingehouden voor de zieken, werd nog steeds toegepast. Niettegenstaande kocht ik nogal eens iets extra's voor de zieke marinemannen. Ik had altijd geld, omdat ik niet rookte en dus geen tabak kocht.


Tijdens een feestdag werd er weer gevist met explosieven. Het water was nu erg diep en er was een sterke stroom. Ik had nu 2 vezels om m'n enkel gedaan. Na de explosie bleek, dat er in dit diepe water veel meer, maar ook veel grotere vissen zaten. Door de sterke stroom was ik erg ver van het kamp aan de kant gekomen. Aan een vezel deed ik de grootste vis een zgn. hondenkop van wel 50 a 60 cm. en bond de vezel aan een nu, in het water hangende, tak. De andere vezel met veel en ook wel mooie vissen leverde ik in. De volgende dag liet ik me heerlijk afdrijven en de vis, die nog leefde was er nog. Die avond hadden allen in onze hut rijst met gekookte vis en daarover viswater met gele vetoogjes.

De werktijd werd opgevoerd van 14 naar 16 uur per dag. We werden onmenselijk opgejaagd en om het minste afgeranseld. Kleine groepen zieken werden met een boot en later met de motortrein afgevoerd en vele doden worden begraven. Het is een grote vieze rotzooi in het kamp. De watjans zijn gescheurd, zodat er geen rijst etc. gekookt kon worden. We kregen nu een paar lepels rijst en wat gedroogd spul en moesten het zelf maar koken. Eind juni 1943 is de trein dichtbij ons kamp. De sleuf door de rotsen is gereed. Toen moest ik met een groepje naar een ander kamp.

Bangan (229), augustus 1943.

Na een zeer lange dag door de rode blubber zeulen in de nog steeds met bakken omlaag vallende regen bereikten we afgemat dit kamp. Er stonden een aantaloude tenten, waar Engelsen in gewoond hadden. Hier ontmoet ik Marten Tjarda, een jongere broer van Tetta, die met m'n neef Rein Cameron verloofd was. Een jongen met wit haar, die nog geen 19 jaar was. We sloten vriendschap. Omdat er niet voldoende plaats was in de tenten, besloten we onder de schuine achterkant van een tent 2 eigen baleh baleh's te maken. We moesten er wel op onze knien opkruipen, maar lagen vrij en hadden ruimte.

Ook hier heb ik gelijk een tuintje aangelegd en pepers gezaaid. Dagen achter elkaar regende het. Het rode stof was veranderd in een dikke brij wat het werk nog zwaarder maakte om grond te verzetten. Het werk raakte achter op het schema. Alle beschikbare mannen werden ingezet om nog een kleine diepte enkele kilometers voorbij ons kamp op te vullen om aansluiting met de andere kant te krijgen.

Om de grond te verplaatsen, waren er mensenkettingen gevormd. De natte blubber werd in kleine mandjes doorgegeven en gestort. Het tempo lag hoog, maar de Jappen bleven maar opjagen en bij de minste stagnatie sloegen ze er als gekken op los. Ook gooiden ze met stenen, wanneer ze vonden, dat er niet genoeg in een mandje zat. Wanneer iemand niet meer kon, werd hij weer aan het werk geslagen, totdat hij erbij neerviel.

Niettegenstaande hierdoor de tussenruimten groter werden, moest de ketting doorgaan. 
De grond moest steeds verder weggehaald worden. De plaatsen waar de grond was afgegraven stonden vol met water en daar moesten we in gaan staan. De werktijd werd opgevoerd van 16 naar 18 uur per dag. Regentijd betekende muggentijd, waardoor de malaria toesloeg en vooral bij die groepen, die opgebrand waren, voordat ze aan de spoorlijn moesten beginnen. Er stierven veel mensen en er was al vrij snel erg veel ruimte in de tent. Marten en ik besloten toch maar ons eigen tampatje aan te houden. Dit bleek een erg gelukkig besluit te zijn, want al snel kwam er een nieuwe doodmoe gelopen groep Engelsen en Aussies als aanvulling in ons kamp, waardoor er weer onvoldoende ruimte in de tenten was. Ze werden gelijk weer ingezet.

Het was een hel. Ik zag nog wel een lichtpunt, waar ik me aan vasthield nl. dat het niet zolang meer kon duren dat het gat was opgevuld. Door het lopen in de blubber kregen veel mensen koetoeaier (waterblaasjes), die na enige tijd opengingen. Bij sommigen waren de open blaasjes uitgegroeid tot grote ulcers (zwerende wonden), waar maden opgezet waren, om de soms vuistgrote gaten schoon te houden.

Op de weg passeerden nu dagelijks hele Japanse legeronderdelen, onderweg naar het Burmafront. Ze ploeterden door de modder en trokken met moeite de lichte wapens op wielen achter zich aan. Soms hadden ze kleine paardjes. Dit was geen leger meer, waar je een oorlog mee kon winnen. Maar ja, wanneer je zoveel mensen en materiaal hebt, kan het nog lang volhouden, maar het gaf wel hoop.

Door het regenwater schoten dagelijks bamboescheuten uit de grond, weer een nieuwe aanvulling gaf bij ons eten.

Door de vele uitvallers sloegen de Jappen 's morgens de zieken uit ziekenhut om zoveel mogelijk mensen aan het werk te krijgen en sloegen er maar oplos om het tempo op te voeren. Het gevolg was zieken en meer doden. Er kwam dan ook regelmatig een afgetobde groep in dit kleine kamp binnen om de lege plaatsen op te vullen.

Toen het gat was opgevuld, was de motortrein al voorbij ons kamp. mochten direct stoppen en waren voor de rest van de dag vrij. Ik het kamp zeer lange tijd niet meer bij daglicht ge- zien. Ik ervan, zo groot als het kerkhof \vas. Ik was meteen in slaap en ging na het avondeten door met slapen. Sinds enkele dagen werden zieken in kleine groepen op de lege wagons met de afgevoerd. Er was nu voldoende ruimte in de tenten. In feite was iedereen ongeschikt om te werken. De Jappen lieten het nu aan de dokter over om het benodigde aantal mensen te leveren. Dit waren er veel minder dan er mensen in het kamp waren, waardoor de dokter behoorlijke speelruimte had.

We gingen verder met onze klus, maar wel met minder mensenkettingen.

We moesten nu de smalle spoorbaan op breedte gaan maken en konden goed merken, dat de druk van de ketel was. Wanneer er iemand uitviel, zorgde onze onderofficier ervoor, dat er een ander voor in de plaats kwam. Nu was het nog wel zo, dat de Jappen echt nog geen lieverdjes waren o.a. wanneer er geen of niet vlug genoeg een vervanger kwam werd de onderofficier afgetuigd. Tenslotte was de verbreding ook belangrijk, omdat weldra de zware stoomlocomotief met zware wagons over de baan moest kunnen rijden. Na enige dagen kreeg ik ook vrij en ik hoopte afgevoerd te worden. Doordat er nog steeds zieken werden afgevoerd, werd het voor de dokter moeilijker om het gevraagde aantal te leveren met het gevolg, dat ik na een paar dagen weer in de ketting stond. Toen er weer bloempjes aan m'n peperplanten zaten werd ik met de motortrein afgevoerd.

lees verder >>