© Veteranen-online

JAPANS KRIJGSGEVANGENE - 7

Door: Adrie Kannegieter

Non Pladuk II (0), oktober 1943.

De regentijd liep ten einde en het werd weer warmer. Het kamp lag op ongeveer driehonderd meter van de spoorbaan. Tussen ons kamp en de spoorbaan lag het kamp Non Pladuk I. Ons kamp was heel groot met een hek er omheen en aan de buitenkant was een diepe sleuf. Het was een "verzamel doorzend" kamp.

Nu het massawerk aan de spoorlijn bijna klaar was, werden de krijgsgevangenen van de spoorlijn naar dit kamp gebracht. De Engelsen en Aussies werden daarna dan weer geleide- lijk met de zinken wagons naar hun kazernes in Singapore teruggevoerd.

Alles was tot in de puntjes geregeld. We werden door onze eigen leiding geteld en geregistreerd en kregen een plaats toegewezen in een barak (hut) in het kampgedeelte van je eigen nationaliteit en bij de Nederlanders nog gesplitst in landmacht en marine. Zo kwam ik weer bij veeloude vrienden terecht.

Er waren veel ziekenbarakken (hutten). De meest voorkomende ziekten langs de spoorbaan waren: geelzucht, dysenterie, malaria, berri berri (hongeroedeem), cholera, koetoe aier (waterblaasjes), pellegra, dyfterie, olifantitis (heel dik opgezette lichaamsdelen o.a.
ge- slachtsdelen) en ulcers (grote open zweren). Veel mannen lagen in één van de zieken- barakken, als gevolg van één of meerdere van deze ziekten. Er overleden nog regelmatig mensen. De zieken uit de ziekenkampen o.a. Chunkai waren al eerder naar dit kamp overgebracht.

Toon v.d. Burg was al vrij vlug met een pom pom van de spoorlijn afgevoerd naar Chunkai met een vuistdiepe ulcer rond zijn rechter hakkepees. Ook hij was overgebracht naar dit kamp, hij kon niet lopen en lag in een ziekenbarak. Huib had in Brankasi aan de spoorlijn gewerkt tot de trein daar reed. Nadat hij naar dit kamp was afgevoerd, kreeg hij dysenterie en lag ook in een zieken barak. Ik had langs de spoorbaan al enkele keren iets uitbetaald gekregen en kreeg nu het restant. Niettegenstaande er volgens eigen regeling nog steeds de helft werd ingehouden voor de zieken, ontving ik toch nog behoorlijk veel geld, uitgaande van het feit, dat een eendenei 5 cent kostte. Er waren maar enkele mannen, die zolang achter elkaar gewerkt hadden. Ook had ik nog wat geld achter de hand gehouden van eerdere betalingen.

Er was een kampwinkel, waarvan de winst naar de ziekenpot ging. Ik kocht daar hoofdzakelijk eendeneieren, bananen en suiker. Zo nu en dan ook voor mijn zieke vrienden. Alhoewel ik het zondegeld vond, kocht ik éénmaal een lemper (stuk 20x20x5cm.) shagtabak voor Huib.

Ook was er een echte kapper en ik liet me daar éénmaal met een tondeuse zo kort mogelijk knippen en met scheerzeep en een echt scheermes scheren. Langs de spoorbaan knipten we elkaar zo goed en zo kwaad als het ging met een schaar. Ik scheerde me met water en een gilette apparaat. De mesjes maakte ik scherp op de binnenkant van mijn hand. Ze zijn de gehele oorlog meegegaan, maar wel met bloed en pijn.

Nooit heb ik een baard gehad. Dagelijks moesten er aan de Jappen enkele groepjes mensen geleverd worden voor werkzaamheden buiten het kamp. Alhoewel het maar weinig opleverde was hiervoor zoveel belangstelling, waardoor je maar zelden aan de beurt kwam.

Er werd veel georganiseerd. Zondags was er kerk. 
Zo nu en dan toneel of een voetbalwedstrijd. Ik speelde in een schaakcompetitie. Er waren mensen die kans zagen om van de gewoonste zaken iets moois te maken. Zo waren er veel schaakspelen met mooie fantasiestukken gesneden uit stukken brandhout (djati). Er waren muziekinstrumenten gemaakt van uitgeholde stukken hout en van messtinnetjes met snaren van ijzerdraadjes. Door de vele doden waren er veel messtinnetjes en lepels. Hiervan werden allerlei gebruiksvoorwerpen en gereedschappen gemaakt.

Na het gereedkomen van de spoorlijn kwamen de treinen terug met krijgsgevangenen, die vanuit Burma aan de spoorlijn waren begonnen. Ze waren vanuit Singapore met een boot naar Rangoon gebracht. Er waren overlevenden bij van het schip waar ook onze telegrafist Bob Bouquet op zat en dat door de Engelsen tot zinken was gebracht. Eén ervan kende Bobbie de marineman met z'n ukelele en wist dat hij niet bij de overlevenden was. De Engelsen vertelden, dat ze t.z.t. naar Singapore en daarna naar Japan zouden gaan.

Ik vond het kamp verschrikkelijk. Behalve in de barak was er geen plekje schaduwen dat bij een temperatuur van 35 a 40 graden. Er stonden zoveel barakken en er waren zoveel mensen. En dan nog van die hoge hekken eromheen. Het benauwde me en ik verlangde naar de jungle, naar de rivier en naar de apen.

Regelmatig moesten er weer kleine groepen naar de kampen langs de spoorlijn. Ik vermoed, dat de lijsten van de liefhebbers om buiten het kamp te werken, een aanbeveling was. Ik werd nl. ingedeeld in een groepje met enkele mannen, waarmee ik ook een paar keer buiten het kamp had gewerkt. Eerlijk gezegd vond ik het niet zo erg.

Enkele dagen later zat ik met volle tassen op de lading van een open wagon van een ~trein. Regelmatig moesten we op wisselplaatsen, soms wel heel erg lang wachten op de treinen, die stampvol geladen met soldaten en oorlogstuig richting Burma gingen en ons moesten passeren of volgeladen met hakhout voor de locomotieven of met gewonde Japanse soldaten en sommige met krijgsgevangenen, terugkwamen.

Er waren grote wisselplaatsen met wel 4 rails naast elkaar zgn. fourageplaatsen, waar voorbijtrekkende Japanse soldaten en ook wij te eten kregen en de stoomlocomotieven water konden tanken. Het krioelde daar van de Japanse soldaten. 
Er waren soms ook Siamese kooplieden. Ik kocht ergens een hele steel met trossen groene bananen, die goedkoper waren dan in de kampwinkel. Wij mochten vrij rondlopen en naar de latrines in de krijgsgevangenen kampen gaan. Onze reis over 198 km. duurde 3 dagen en 2 nachten.

lees verder >>