© Veteranen-online

JAPANS KRIJGSGEVANGENE - 8

Door: Adrie Kannegieter

Hindato (198), december 1943.

Dit was een grote wissel/fourageplaats met een groot rangeerterrein. Zowel het krijgsgevangenkamp, als wel het aan de andere kant van de spoorlijn gelegen jappenkamp waren tame- lijk groot. Het jappenkamp lag op een 4 m. hoger, met gras begroeid plateau langs een van de berg afkomend snelstromend beekje. Op het door een hek omgeven kaal gegraasd gras- veldje liepen een paar magere koeien.

Nadat de wagons waren afgeladen, begonnen andere krijgsgevangenen hun spullen op de wagons te laden. Het was duidelijk dat wij vervangers waren. Doordat er toen nog geen vervoersproblemen waren, kregen de krijgsgevangenen regelmatig eten, maar het was wel minimaal. De conditie van de groep die terugging was zeer slecht, het merendeels was ziek en ze moesten ook enkelen doden achterlaten. Het zag er allemaal niet zo rooskleurig uit. Ik had het voordeel, dat ik met een goed gevulde tas uit een basiskamp kwam, waar het relatief iets beter was en waar nog wel wat viel bij te spijkeren. Bovendien was mijn conditie niet slecht. Er werd gevraagd of er in onze groep iemand was die kon slachten. Ik had weer voor de zoveelste keer geluk. Ik was de enige en werd ingedeeld in de Japanse keuken.

Toen ik de keuken binnenkwam, stond daar Koos v.d.Spek (na de oorlog adj. hofmeester). Dit was de eerste keer, dat ik langs de spoorlijn een matroos tegenkwam van dezelfde opleiding (mei 1939) als ik en ook ex. bemanningslid van de Hr.Ms."Sumatra". Hij werkte al langer in de keuken. De Jappen noemden hem "Tanneki en later mij "Boise". 
Wat deze namen betekenden weet ik niet, maar ik begreep wel, dat de mijne niet veel goeds betekende. Regelmatig moest Koos of ik met de koeien een dag door de bossen dwalen, waar ze iets te grazen zochten. Er ging altijd een gewapende Jap mee om de koeien en mij te beschermen tegen rondzwervende Siameese bandieten.

Het waren heerlijke dagen en ik had dan ruimschoots de gelegenheid om wilde groenten te zoeken, want die had ik toch nog nodig. Het was niet de bedoeling, dat we iets extra's uit de keuken kregen, maar ja, wat je niet kreeg kon je altijd nog pikken. 
En er was altijd wel iets dat je mocht hebben bv. de aangebakken korst rijst uit de wadjans, een varkens of koeienkop, resp. maag en varkenspoten. Behalve de korst rijst bracht ik alles naar onze keuken. Dit lijkt erg collegiaal, maar de realiteit was, dat ik kwalijk lekker kon gaan zitten kluiven, terwijl tientallen hongerige ogen je aanstaarden. Bovendien verdween er in de keuken toch wel eens iets in m'n keel. Ik zat in een kongsi met de korporaals der mariniers Piet Smit, Jan Blok en marinier I Harrie Jansen (de rooie).

Regelmatig bracht ik kleine lapjes gepikt vlees en andere levensbehoeften mee. Ik verborg dat in m'n tjawat (lendedoekje) tussen m'n bovenbenen. Wanneer ik bij m'n kongsi kwam zei ik: "Het is weer klote zooi". 's Avonds zaten we dan boven een vuurtje lekker te "snierken". Dat gebeurde ook na de slacht met de organen. Eerst bouillon trekken en daarna bakken in het darmenvet. We konden daar intens van genieten. Hierna dronken wij koffie gemaakt van donkerbruin geroosterde rijstkorsten. Omdat de Jappen vooral suiker stalen hadden wij dit uiteraard ook. Wij hebben hier ook kerstfeest gevierd. Ik zat in een koortje en we oefenden 's avonds o.a. het "Ave Maria". Als protestant kende je dit lied niet. Het heeft veel indruk op mij gemaakt. "Ora pronobus precatoribus" (misschien schrijf ik het wel fout), maar het is wel "Bidt voor ons zondaren". Toen ik Maria, moeder van God beter leerde kennen, heb ik haar dikwijls om hulp gevraagd.

Het werd een prachtige avond. Er was een kerstboom met dunne naaldjes.

Van rotan waren kaarsjes gezaagd daarop een blikken plaatje met een gaatje voor het lont (een katoenen touwtje). Met ijzerdraadjes werden de kaarsjes in de boom bevestigd. Ik had in de keuken wat olie gekregen ( 't was nog in het begin) en 's avonds hadden we een branden- de kerstboom. Een grote ruwe koloniaal met een rood gezicht en rosig haar had de leiding. Ik meen dat hij zoiets als Imming heette. Wanneer je zo iemand hoort bidden en danken, dan gebeurt er iets met je. Iets verderop op een heuveltje zaten 2 Jappen. Ook de gewapende Jap die rondjes moest lopen, bleef erg lang staan. zouden ze misschien ook.....? Heer vergeef hun. 

Dit is wel het mooiste kerstfeest geweest, dat ik ooit heb meegemaakt, onder de sterren die fonkelden van vreugde. Zo nu en dan stopte er een trein volgeladen met manden met varkens om een varken af te leveren. Wij moesten dan de varkens in de trein water geven. Eenmaal is het me gelukt een begeleider te overtuigen dat eén varken (welke ik bewust geen water had gegeven omdat ze al half in katzwijm lag) ziek en bijna dood was. De Jappen waren erg bang van zieke varkens, overigens ik ook. De mand met het varken werd uit de trein gegooid en we moesten het wegslepen en begraven. We hebben het van het plateau afgegooid en even daarna heb ik het gestoken. Het bloed was nog warm zodat het kon leegbloeden.

Nadat ik het had geslacht hebben de dokter en ik de longen en de lever goed nagekeken. 
Er zat geen vlekje op. Zodoende hadden we in ons kamp een paar dagen eten waarvan we alleen nog maar van konden dromen. 
De volgende dag moest ik het varken van de Jap slachten wat gebeurde langs de beek even beneden de Japanse keuken. Allereerst kreeg het varken een stuk touw met een strop (lus) om een poot en werd dan aan een boom vastgebonden voordat ze dichtbij de boom uit de mand werd gelaten. Hierna werd het touw aangetrokken, waardoor het varken onderuit ging en zo verder over de grond werd gesleept tot het stijf tegen de boom lag. Een koe kreeg een strop om de hoornstompjes en Koos hield het touw vast. 
Verder ging alles hetzelfde. Ik gaf met een zware hamer overhand een klap boven de ogen, waardoor het beest versuft in elkaar zakte, waarna ik gelijk kon steken om het leeg te laten bloeden, wat bij het slachten normaal is.

Tijdens het slachten gooiden we de ingewanden in het beekje, waar onderaan één van onze kongsi (hecht vriendenclubje) de zaken uit het water viste. Maanden ging dat goed, totdat een koe "nee" schudde op het moment dat m'n hamer omlaag kwam en naast een oog belandde. De koe brieste met schuim op de bek en ging op Koos af, die van schrik het touw losliet. 
De koe ging er als een dolle vandoor, totdat ze een eind weg van het plateau naar beneden stortte. We moesten een eind omlopen om bij de koe te komen. Ze was morsdood en zag er gehavend uit. Ook was er teveel tijd verlopen tussen het steken en de dood. We hebben de koe daar geslacht en in kleine delen naar boven naar de keuken gebracht. 

De Jappen, die me vanaf het begin (m'n naam) al niet erg mochten, namen nu hun kans waar om me op allerlei mogelijke manieren af te tuigen. Hierna moest ik tot de volgende morgen bij de wacht staan en dat betekende ieder uur afgeranseld te worden, totdat je erbij neerviel. Dikwijls hoorde ik op afstand korporaal van de mariniers Bertus v.d. Kamp bemoedigende woorden roepen zoals Volhouden Kan". Nadat de straf voorbij was kreeg je, zoals gebruikelijk een sigaret. Of je rookte of niet je pakte hem aan en stak hem op, want als je dat niet deed, was dat een grote belediging en kon je als afscheid nog een aframmeling krijgen.

In ieder geval kon ik er nu nog een zieke roker een kort stukje plezier meedoen. Het kon niet uitblijven, dat dit het gezochte einde was van het keukenwerk. Ik had daar teveel gezien en nogal eens gebruik (voor de Jappen misbruik) van gemaakt en daarvoor risico's gelopen. Het was wel duidelijk dat de Jappen ook stalen en dat ze doodsbang waren van de "Kempy Tai" (Japanse gestapo). Terwijl ik in de keuken werkte ging het leven in het kamp ook door.

Ik had in de keuken een goede tijd achter de rug, maar het zware onmenselijke werk aan de spoorbaan was gewoon doorgegaan. Van onze groep waren alweer zieken afgevoerd en enkelen doden begraven. 
Ook kwamen er nieuwe groepen aan en ging er plotseling een groepje hogerop. Het werk was altijd spiedo spiedo en bestond hoofdzakelijk uit het ophogen van verzakkingen, het aan- slepen van boomstammen voor het herstel van de bruggetjes, want de treinen konden niet wachten. Regelmatig vlogen er geallieerde "Liberators" (bommenwerpers) laag over. 
Bij nadering van een kamp begonnen de mitrailleurs vooruit te schieten, boven de bruggetjes lieten ze bommen vallen en gingen daarna van achteruit mitrailleren. Zodra we vliegtuig- motoren hoorden, vluchtten we naar onze eigen schuilputjes, dat ieder had gegraven een eindje vanaf de spoorbaan. 


Ik heb zo bij elkaar honderden aanvallen mee gemaakt, waarbij duizenden bommen waren afgeworpen en miljarden mitrailleurkogels waren afgeschoten. Zo nu en dan werd er een brug geraakt. Slechts (gelukkig) viel er maar éénmaal een bom in onze keuken en éénmaal kreeg een krijgsgevangene een kogel in zijn hiel. Ik ging naar de ploeg die moest zorgen, dat er voldoende boomstammen waren om na een bombardement een brug te herstellen en te helpen bij herstel. Nu dat duurde maar enkele uren. Het met een kleine groep sjouwen van de zware boomstammen was het zwaarst zeker nu het weer regentijd (blubber en malaria) was. Om te weten dat het de Jappen aan het front niet voor de wind ging, hadden we geen radio nodig. Je kon het van hun gezichten aflezen. Ook werd er weer veel meer geslagen. Gelukkig werd ik na enkele maanden met de motortrein afgevoerd.


lees verder >>