© Veteranen-online

JAPANS KRIJGSGEVANGENE - 9

Door: Adrie Kannegieter

Non pladuk I (0), augustus 1944 (eerste keer).

Het was een heel groot kamp op enkele tientallen meters vanaf het zeer grote rangeerterrein. Hier werd ik opgevangen door Huib. Hij had maanden lang met dysenterie in Non Pladuk II in een isoleerbarak gelegen. Nadat hij wat was opgeknapt, was hij bij een selectie naar dit kamp overgeplaatst. Ik werd z'n "slapie" en we trokken veel met elkaar op en gingen ook naar een bijbelstudieclubje. Ik kreeg  veel uitbetaald, zodat ik in de winkel weer het nodige kon kopen en deelde veel met Huib, waarbij een lempeng tabak wel weer de grootste verrassing was. Huib werkte regelmatig binnen het kamp bij de barakkenbouwen had ook wat verdiend. Overigens was er weinig te doen.

Er stond geen boom. De barakken stonden nog dichter bij elkaar dan in Non Pladuk II en er zaten erg veel mensen. Dit vond ik een verschrikking. Al vrij spoedig kwam ik meneer De Best tegen (die van v.v. Brantas). Hij moest een ploeg samenstellen voor een fouragekamp even buiten de plaats Non Pladuk. Dit durfde ik geen geluk meer te noemen. Hier was een hogere leiding aan het werk. Het kon geen toeval zijn, dat ik tussen die duizenden mensen nu juist die ene meneer De Best weer tegenkwam, die juist bezig was een geluksgroepje samen te stellen van potige kerels en gelijk zei: "Jij gaat in ieder geval mee".

Non Pladuk fouragekamp (0), begin augustus 1944.


We liepen over de weg met aan de linkerkant het grote rangeerterrein.
Na enkele kilometers veranderde de plaats aan de rechterkant in een bos. Vanaf de spoor- baan was een aftakking over de weg, die aan de rechterkant van de weg weer was gesplitst, zodat er rechts van de weg onder de bomen een dubbele baan was. Op de baan het verst onder de bomen, stond een lange rij olietankwagons. De voorste baan liep nog een eind door en ging toen rechtsaf het bos in. Ook wij liepen daar rechtsaf het bos in en na 50 meter kwamen we in het kamp. 

Enkele rijen grote lage loodsen, met een rails erlangs, lagen geheel onder de bomen. Het was er heerlijk koel en in de bomen vogels die het hoogste lied zongen. Het was een klein paradijs. We kregen een houten barak met baleh‑baleh's van planken, werkelijk een onge- kende luxe en of het nog niet genoeg was ook nog een goede maaltijd. Dit had niemand van ons voor mogelijk gehouden. We kregen een toespraak van de Japanse commandant dat er van ons verwacht werd, dat we hard en op de meest ongeregelde tijden moesten werken. Op stelen stond een zware zouden normaal te eten krijgen. zowel overdag als 's nachts kwamen er treinen binnen, die moesten worden, maar ook die van de Burmalijn, die geladen worden.

Dan weer kwamen er enkele dagen geen treinen en moesten zakken gaan verleggen van de ene naar de andere kant. Dat schijnt bij rijst nodig te zijn. Er was een afspraak gemaakt, dat de door ons gestolen goederen, die voor Non Pladuk I bestemd waren, zouden afgegeven aan onze commandant meneer de Best. Later hoorden we dat hij ergens in de grond een paar blikken had ingegraven, waar de waren in gingen. Met de treinen werden allerlei goederen aangevoerd, die weer verder moesten naar het Burmafront. Ook waren er soms ladingen Rode Kruispakketten o.a. met medische artikelen. We hadden al veel verband, doosjes medicijnen en pillen vergaard. Iedere dag liep meneer De Best naar het kamp met z'n pukkel (militaire schoudertas) over z'n schouder. Iedere dag had hij van verschillende artikelen maar enkele stuks onderin z'n tas. 

Toen er een keer een vrachtauto naar het kamp ging, is er tussen de te vervoeren zaken heel veel overgebracht. De dokter had verteld, dat we ook pillen hadden gepikt, die dienden om bloedvloeien bij bevallingen te stoppen. Hij zou ze bewaren. Misschien waren ze wel voor andere doeleinden te gebruiken. Het was ook hier weer zo, dat de Jappen de grootste dieven waren en de zaken buiten het kamp verkochten. Wij hadden behoorlijk te eten, maar konden nog wel wat extra's gebruiken. Vanzelfsprekend waren er veel muizen in de loodsen, die ook gaten maakten in de jute zakken. Bij het verplaatsen liep er veel uit de zakken. 
De Jappen schepten het bovenste op en de rest mochten wij hebben. Bij de zakken katanrijst (kleefrijst) en suiker speelden wij voor muis. We kookten de katanrijst en maakten daar plakken van die, daarna met dik suiker erop werden gebakken. Zo hadden we bij de nepkoffie heerlijke koeken, ja zelfs de Jappen vonden ze ook lekker en ze wilden die koeken ook wel hebben, met het gevolg, dat er meer katanrijst op de grond bleef liggen. Op 7 september 1944 waren we 's nachts aan het werk. De lucht was bewolkt. Tussen de wolken door werd de aarde verlicht door de maan.

Plotseling was er geronk van vliegtuigen. We doken onze schuilputjes in en ik zag de vlieg- tuigen tussen de wolken door omlaag duiken recht op ons af en hoorde de bommen gieren. Hierna vielen de bommen achter elkaar, gevolgd door zware ontploffingen. Ze bleven maar duiken en bommen gooien en ik dacht aan de duikbommenwerpers op de Pieter de Bitter. 
Na enige tijd hielden de aanvallen op, maar de lucht was rood en de ontploffingen gingen door. In Non Pladuk I waren 2 bommen gevallen. Daar waren 92 doden en 200 gewonden, waaronder Jonker (adelborst) Floor, die een been kwijtraakte. Op het rangeerterrein lag alles aan flarden, waarbij ook een treinwagon met geisha's. Van de olietrein, die hemelsbreed nog geen 100 meter van ons vandaan stond was geen wagon meer heel. De volgende dag nam meneer De Best een tas vol verband mee. In Non Pladuk I vroegen de Japanse officieren zich af hoe ze aan zoveel verband kwamen, maar ook niet meer.

Zoals het met veel zaken gaat, ging het stelen van de Jap van kwaad tot erger en wij bleven niet achter. Hele pakketten gingen er soms op een vrachtauto mee en die konden zo de poort van Non Pladuk I binnerijden. Op een morgen moesten we allemaal bij elkaar op de grond gaan zitten. De Kempy Tai was met een hele groep ons kamp binnengereden. De wacht werd overgenomen en de Jappen moesten in hun barak blijven. Alles werd bij ons doorzocht en we werden gefouilleerd. Ze zochten iets specifieks, want verboden zaken werden niet afgenomen.

Bij de Jappen lag het wat anders, want er moesten er een stel mee op een vrachtauto. Onze blikken, die meneer De Best in de grond had verstopt waren niet ontdekt. Nu pas bleek, dat meneer De Best alle verantwoording op zich had genomen. Na enige tijd kon iedereen z' n spullen gaan ophalen en werden we met een vrachtauto naar Non Pladuk I teruggebracht. Ik had in ieder geval een paar goede maanden gehad en over alle dagen weer geld tegoed. De regentijd liep ten einde.

 
Non Pladuk I half oktober 1944 (tweede keer).

Ik ging gelijk naar het kantoor waar juist ook meneer De Best aanwezig was. Het was alge- meen bekend, dat er niet gewisseld mocht worden. Hoe dan ook, toen ik later op het kantoor kwam stond ik op de lijst en de twee vrienden konden bij elkaar blijven.

Op 23 oktober 1944 deden Huib en ik belijdenis bij de Engelse Padre Ross, in de protestant Church. Twee ouderlingen van de gereformeerde kerk de heren v.Vermaas en Spiering waren getuigen. Kort hierna vertrok ik voor de derde keer naar de jungle.

De marinemannen zaten op een wagon van de motortrein en we zongen alsof we met vakan- tie gingen. Het was vooral de opgewekte marinier Stottelaar, die steeds weer begon en met z'n forse stem er ook nog eens bovenuit kwam. Z'n favoriete nummer was "Mijn moedertaal". Er was ook wel een reden om optimistisch te zijn, want we hadden gehoord, dat grote delen van Europa w.o. Zuid Nederland, bevrijd waren en dat de geallieerden ook in AziŽ aan de winnende hand waren. En wanneer je dan ook nog uit een kamp komt waar je de kans liep nogmaals door een paar nearmissers uit bevriende vliegtuigen gebombardeerd te worden en daarbij nog dat hoge hek eromheen, dan geeft de jungle een gevoel van bevrijding. 

Op de grote wisselplaatsen moesten we weer erg lang wachten op de stoomtreinen met soldaten en oorlogsmaterieel voor het Burmafront of die terugkwamen, volgestouwd met brandhout voor de locomotieven, gewonde Japanse soldaten of met uitgemergelde krijgsge- vangenen. Ik liet me hierdoor niet ontmoedigen, want ik zag ook al die Japanse soldaten en ik dacht, dat ik beter gedwongen kon worden om me uit de naad te werken en Op de koop toe de nodige aframmelingen te krijgen met de kans de bevrijding te halen, dan gedwongen te worden om afgeslacht te worden voor een verloren zaak. De treinreis was op zichzelf geen ramp. De droge tijd was net begonnen en we hadden voldoende ruimte op de open wagons. Regelmatig mochten we rondlopen en konden ook nog in de krijgsgevangenkampen naar de latrine en daar het laatste nieuws overbrengen. Na drie dagen bereikten we het kamp.
 

lees verder >>