De ondergang van Hr.Ms. Pieter de Bitter, Gouden Leeuw en Krakatau

Eerder gepubliceerd in  "De Blauwe Wimpel"   van  april 2002  door Ruud  Maas

Na de aanval van Japan op 7 december 1941 op Pearl Harbour zou het geen drie maanden duren eer de Japanse oorlogsmachine de Nederlandse marinehaven Soerabaja in het voormalige Nederlands-IndiŽ zou bereiken. In een sneltreinvaart werd Malakka veroverd en Singapore ingenomen. Op 10 december 1941 werden de Engelse slagschepen "Rapulse" en "Prince of Wales" tot zinken gebracht en de Japanse strijdkrachten namen vervolgens bezit van het toenmalige Borneo, Tarakan en Celebes. Toen ook de Slag in de Javazee in een debacle voor de Nederlandse marine eindigde, moest er vorm en inhoud worden gegeven aan de evacuatie van de toen nog resterende onderdelen van de Nederlandse vloot. 

Door de commandant van de marine (CRM) in Soerabaja, schout bij nacht P. Koenraad was op 17 februari 1942 reeds de geheime order KPX uitgevaardigd, o.a. aan de commandanten van de tot de 2e divisie mijnenvegers behorende schepen Hr.Ms. "Van Amstel", "Pieter de Bitter" , "Eland Dubois" en "Abraham Crijnsen" , alsmede aan de commandanten van de mijnenleggers Hr.Ms."Goeden Leeuw" en " Krakatau". Deze order behelsde de opdracht om de betreffende schepen onmiddelijk na ontvangst van het sein KPX in veiligheid stellen door uit te wijken naar een andere haven. Het succesverhaal van de ontsnapping van Hr.Ms." Abraham Crijnsen" onder commando van de toenmalige Luitenant ter Zee der 1e klasse A.van Miert, is bekend geworden en leeft voort in inmiddels tot museumschip bevorderde Hr.Ms."Abraham Crijnsen" in Den Helder. Ltz.1 Van Miert verliet in de avond van 6 maart 1942 met zijn als eilend gecamoufleerd de marinebasis Soerabaja om na een geslaagde ontsnappingstocht op 15 maart 1942 de Australische haven Geraldton te bereiken. De ondergang van Hr.Ms."Pieter de Bitter", "Gouden Leeuw" en "Krakatau"is minder bekend. Nu het al weer 60 jaar is geleden, is het goed ook hun historie aan de vergetelheid te onttrekken. 

Inleiding

Nadat bij de slag in de Javazee op 27 februari 1942 het belanrijkste deel van de vloot verloren was gegaan was het voor de marineleiding al snel duidelijk dat een algehele evacuatie van de Koninklijke Marine vanuit Nederlans-IndiŽ zou moeten volgen. De personele evacuatie , nu de Japanners - na de slag in de Javazee- deze zee beheersten, voornamelijk plaatsvinden vanuit Tjilitjap aan de zuidkust van Java, terwijl ook de Marine Luchtvaartdienst vanaf diverse locaties talrijke vluchten uitvoerde, waarvan het drama van Broome met zwarte inkt in de marine historie is geschreven.

De commandant van de marine (CMR) in Soerabaja, schout bij nacht P. Koenraad , besefte al op 17 februari dat er een tijd zou komen dat evacuatie onvermijdelijk zou zijn. Aan de commandanten van de Amstel, Bitter, Dubois, Crijnsen, Krakatau en Gouden Leeuw is toen het navolgende bevel uitgereikt. "Hierbij gelast ik u met uwen onderhebbende boten op mijn sein K.P.X. voorafgegaan door naamsein..., volgens uwe inzichten op de veiligste wijze de marine basis te verlaten met bestemming AustraliŽ. Uw schip mag nimmer in handen van de vijand vallen, waarvoor voorbereidende maatregelen dienen te worden genomen.."

Toen de slag in de Javazee was gestreden, was het duidelijk dat het sein KPX op niet te lange termijn zou volgen. Op initiatief van enkele commandanten vond er op 1 maart een bijeenkomst plaats in aanwezigheid van de CRM en diens chef-staf, kapitein ter zee F.W.S.de Ronde, waarbij ook de commandat van de 2e divisie mijnenvegers, Ltz.Lebeau aanwezig was. ( Kannegieter: dat waren dus al 2 verloren dagen na de slag in de Javazee) 

Bij de betrokken commandanten bestond de vrees dat het onmogelijk zou zijn, nu de Japanners heer en meester waren in de Javazee om alsnog uit te wijken. Door Ltz. Lebeau is toen uit naam van alle aanwezige commandanten verzocht de uitwijkorder van 17 februari soepeler te stellen, zodat aan commandanten werd overgelaten of zij zouden uitwijken, dan wel hun schip zouden vernietigen. De CMR bleef onvermurwbaar en gaf aan: "Mijne heren, u hebt uw orders en u krijgt uw orders" Het gesprek werd vervolgens buiten aanwezigheid van de CMR voortgezet, waarbij o.a. door de chef-staf van de CMR is verklaard dat ook in zijn visie de kans om met succes uit te wijken uiterst gering was.

Soerabaja maart 1942 - "Hr.Ms.Pieter de Bitter"

De "Pieter de Bitter"was ťťn van de nieuwe mijnenvegers. behorende tot de "Van Amstel-klasse"., die alle in 1937 in dienst waren gesteld. Het schip had een bemanning van 45 koppen. Sedert oktober 1941 stond het schip onder commando van Ltz.I.J.P.A.Dekker. In Nederlands IndiŽ maakte het schip deel uit van de 2e divisie mijnenvegers , evenals Hr.Ms."Van Amstel", "Abraham Crijnsen" en de "Eland Dubois". Tijdens de Japanse opmars hebben de schepen voornamelijk patrouille diensten in de Javazee verricht, terwijl ze na de Slag in de Javazee nog zijn ingezet om de op de rede van Soerabaja liggende koopvaardijschepen tot zinken te brengen. In deze periode begon ook de vernietiging van het marine etablissement te Soerabaja en de Pyrotechnische Werkplaatsen op Madoera.

Door de oorlogsdreiging en de onduidelijkheid over de ontstane situatie hebben veel bemanningsleden de gelegenheid te baat genomen om te deserteren. Op 3 maart hadden zich al 24 gevallen van desertie voorgedaan. Om de bemanning aan te vullen zijn in de ochtend van 6 maart. nadat het sein KPX opnieuw was uitgereikt de bootscommandanten naar de marinekazerne gegaan, waar 37 personen werden angewezen om deel te gaan uitmaken van de bemanning van de "Pieter de Bitter"en de van "Amstel". De aangewezenen werden met bussen naar de schepen overgebracht, maar bij aankomst bleken er nog zo'n 13 over te zijn. De overigen waren onderweg gedeserteerd. 

In de middag van 6 maart 1942 om 15.50 uur, zag de commandant van de "Pieter de Bitter" zich genoodzaakt opdracht te geven een tweetal springladingen te plaatsen met het doel het schip tot zinken te brengen. Nadat de commandant de bemanning gewapend aan de wal had gestuurd, sprak hij hen toe en gaf aan dat hij het niet verantwoord achtte om naar AustraliŽ uit te wijken. Vervolgens werd het schip liggende aan de Kruiserkade te Soerabaja tot zinken gebracht. 

In de toen nog heersende chaos had inmiddels, in de nacht van 5 op 6 maart, de CMR zich met zijn staf ingescheept op de onderzeeboot Hr.Ms. "K XII", maar omdat er geen volledige bemanning aan boord was, was het onmogelijk onmiddelijk te vertrekken. Om de luchtaanvallen te ontwijken, ging het schip op de dag van 6 maart, in de haven van Soerabaja, onder water. Toen de CMR ontploffingen hoorde, liet hij informeren wat er aan de hand was. Uit waarnemingen van de commandant van de "K XII" bleek dat de "Pieter de Bitter" tot zinken was gebracht. De CRM heeft toen de commandant van de "Gouden Leeuw"verzocht aan boord te komen. Daar deze niet aanwezig was, verscheen de eerste officier van dat schip, Ltz. J.E. Bast.aan boord van de "K XII". De CMR was zo ontzet over het gebeurde, dat hij deze officier een boodschap meegaf voor de QAZ, Ltz.Lebeau, met de volgende inhoud; " Verzoeke onverwijld onderzoek instellen zinken Bitter- stop. Indien blijkt dat tegen orders uitwijken is gehandeld zonder bepaalde geldige reden moet commandant worden gefuseleerd- stop. Gij handelt geheel namens mij- stop

Volgens oudste officier GLW hebben naar schatting 30 man Bitter verlaten. Welk aantal, de overgeblevenen waar ik ( Adriaan Kannegieter) bij was, voldoende wordt geacht om uit te wijken" Uit een na de oorlog door de heer Bast afgelegde verklaring, blijkt dat hij deze boodschap nog aan de Ltz. Lebeau heeft overhandigd. In ieder geval staat vast dat er geen enkel gevolg is gegeven aan de opdracht. Ltz. Lebeau heeft in de avond van 6 maart 1942 als passagier aan boord van Hr.Ms."Crijnssen" Soerabaja verlaten. Omdat hij in september 1944 niet terugkeerde van een patrouillevlucht boven de Alfoerenzee , kon hij na afloop van de oorlog niet meer worden gehoord over de omstandigheden waaronder door hem , in de ochtend van 6 maart, aan de commandanten de order KPX is uitgereikt, alsmede over het niet uitvoeren van de opdracht van de CMR om tot executie van Dekker over te gaan. 

De CMR heeft na de oorlog verklaard er gelukkig mee te zijn dat het fusileren van de commandant van Hr.Ms. Pieter de Bitter" niet had plaatsgevonden. Wel gaf hij aan dat het niet uitgesloten moest worden geacht dat deze opdracht het vertrek van Ltz.Lebeau alsmede van de "Amstel" en de "Dubois" gunstig heeft beÔnvloed. Beide schepen hebben overigens AustraliŽ nimmer bereikt, ( ze waren in tegenstelling tot de Crijnssen niet gecamoufleerd) hetgeen een groot verlies aan mensenlevens betekende. Behoudens ťťn enkele officier, die met de "Crijnssen" kon uitwijken, zijn de meeste bemanningsleden van de "Bitter"in Japanse krijgsgevangenschap terechtgekomen.

Na WO II zou het niet voldoen aan de order KPX voor de commandant van Hr.Ms."Pieter de Bitter "ernstige gevolgen hebben voor zijn carriere bij de Koninklijke Marine. Na meer dan 3 jaar in Japanse krijgsgevangenschap te hebben doorgebracht, werd zijn optreden getoetst door de Zeekrijgsraad te Den Haag. Door de fiscaal (officier van justitie) werd hem ten laste gelegd: "Opzettelijke ongehoorzaamheid gepleegd in tijd van oorlog". 
Na en eis van ťťn jaar gevangenisstraf en ontslag uit de militaire dienst , werd hij bij vonnis van 25 september 1947 veroordeeld tot een gevangenisstraf van ťťn maand en ontslag uit de militaire dienst. Op 13 april 1948 is Ltz. Dekker daadwerkelijk - niet eervol zoals in militaire kringen gebruikelijk - ontslagen. Hij was verder in de burger maatschappij werkzaam als leraar bij het middelbaar onderwijs . Op 30 april 1995 is de voormalig commandant van de "Pieter de Bitter'op 86 jarige leeftijd overleden. 

Hr.Ms."Gouden Leeuw"

De "Gouden Leeuw"was een mijnenlegger (bemanning van 121 koppen), die op 24 februari 1932 , bestemd voor de dienst in Nederlands-IndiŽ, in dienst werd gesteld. Sedert december 1940 stond het schip onder commando van Ltz.1 E.J.C.van der Horst. Nadat de "Gouden Leeuw" in januari 1942 betrokken was geweest bij het leggen van mijnen in Straat Madoera, onderging het schip een uitgebreide dokbeurt, waarbij o.a. nieuwe mijnenrails werden gemonteerd, een asdic-installatie werd aangebracht en de dieptebominstallatie aan de eisen van de tijd werd aangepast. Toen de landingen van de Japanners op Java voor de deur stonden, werden er nog diverse mijnenversperringen gelegd, o.a. in het Westervaarwater. Toen bij een van deze operaties, in de nacht van 27 op 28 februari 1942, het schip door een Japans verkenningsvliegtuig werd gespot, zag de commandant zich genoodzaakt deze operatie af te breken en het merendeel van de mijnen niet gešctiveerd over boord te zetten.

Op 4 maart kreeg de commandant van de Hr.Ms."Gouden Leeuw "opdracht de sluitversperring in het Westervaarwater te leggen en daarna de order KPX ( uitwijken naar AustraliŽ) ten uitvoer te brengen, Ondanks het feit dat de commandant oorspronkelijk het plan had de order op te volgen, heeft hij hier geen uitvoering aan gegeven. Bij hem bestond de vrees - die ook juist bleek te zijn - dat nu de hele Javazee en de Soenda-eilanden al door de Japanners bezet waren, een uitbraakpogimg weinig kans van slagen zou hebben. Daar kwam nog bij dat het schip door de hoge opbouw extra zichtbaar was vanwege de lichte nachten. 

Toen het 6 maart was geworden en de CMR en diens staf in de avond van 5 maart van de "Gouden Leeuw" waren geŽmbarkeerd aan boord van de "K XII" en er van de CMR geen opmerkingen kwamen over de aanwezigheid van het schip te Soerabaja, heeft de commandant dan ook gemeend dat het aan zijn eigen inzicht werd overgelaten om al dan niet uit te wijken. Na het vertrek van CMR is het schip nog dienstbaar gemaakt aan het vervoer van troepen van de landmacht naar Madoera. Toen vertrek volgens de visie van de commandant niet meer mogelijk was. gelet op de lichte nachten. de geringen offensieve kracht van het schip en de veronderstelling dat het al dan niet uitwijken aan het inzicht van de commandant werd overgelaten, achtte van der Horst het onverantwoord zijn bemanning een zekere dood in te sturen. Mede op grond van deze overwegingen besloot hij het schip niet onbeschadigd in handen van de vijand te laten vallen, na een "alle hens" voor de boeg op 7 maart tot zinken te brengen. 

Na de Tweede Wereldoorlog zou het niet voldoen aan de order KPX ook voor de commandant van de "Gouden Leeuw"ernstige gevolgen hebben voor zijn verdere carriŽre bij de Koninklijke Marine. Na meer dan 3 jaar Japanse krijgsgevangenschap. werd ook zijn gedrag getoetst door de Zeekrijgsraad te 's-Gravenhage. Daar werd hem eveneens ten laste gelegd : "opzettelijke ongehoorzaamheid gepleegd in tijd van oorlog " Na een eis van een jaar gevangenisstraf en ontslag uit de militaire dienst, werd hij bij vonnis van 13 juni 1947 veroordeeld tot een gevangenisstraf van een maand en ontslag uit de militaire dienst. Op 15 juli 1947 is Ltz.Van der Horst evenals zijn collega van de "Pieter de Bitter" op niet eervolle wijze ontslagen uit de militaire dienst. Nog geen drie jaar later zou de voormalig commandant van de "Gouden Leeuw" op 45 -jarige leeftijd overlijden. 

Hr.Ms."Krakatau" - Soerabaje maart 1942

De "Krakatau" was een mijnenlegger met een bemanning van 91 koppen. die op 11 december 1924 in dienst werd gesteld. Sedert november 1940 stond het schip onder bevel van Ltz. Haga. Het schip had een enigszins ongelukkige historie. In oktober 1931 was het in het Oostervaarwater bij Soerabaja - bij kalm weer- tijdens een inspectietocht met de staf van de Commandant Zeemacht aan boord gekapseisd. De bemanning wist zich te redden en het schip werd geborgen, waarna het in september 1934 weer in de vaart kwam. Vanaf dat moment was het geloof in de zeewaardigheid sterk afgenomen. 

Bij het uitbreken van de oorlog met Japan, op 8 december 1941, bevond het schip zich in reparatie te Soerabaja. In december 1941 heeft de "Krakatau", samen met de "Gouden Leeuw" mijnenversperringen gelegd in Straat Madoera. In februari werden er mijnenversperringen gelegd ten noorden van Madoera en in Straat Sapoedie. Omstreeks 18 februari 1942 heeft het schip nog gefungeerd als moederschip voor de motortorpedoboten waarvoor het naar de Pang-Pangbaai werd gezonden. Zoals blijkt uit de door Van Haga na de oorlog afgelegde verklaring , heeft hij - nadat de oorlogsomstandigheden na de val van Singapore steeds dreigender werden - overwogen wat hem bij eventuele evacuatie te doen stond. Ofschoon hij de kans om met dit schip, gelet op de slechte eigenschappen als zee-en oorlogsschip uit te wijken gering achtte, heeft hij er enige malen bij de marinestaf in Soerabaja- op aangedrongen om olie in drums op het marine-etablissement in Soerabaja gereed te houden. Aan dit verzoek kon niet worden voldaan, gelet op de veelvuldige aanvallen van Japanse vliegtuigen op Soerabaja. 

In een op 6 maart gehouden bespreking bij de marinestaf - toen de CRM al vertrokkenwas - werd aan de betreffende commandanten door de toen optredende OAZ LTZ.Lebeau nogmaals het sein KPX gegeven. De commandant van de "Krakatau" was toen geenszins voornemens aan de uitwijkorder KPX gevolg te geven. Het schip had de opdracht om na het vertrek van de CMR, in de nacht van 6 op 7 maart 1942 de sluitversperring te leggen. Voor deze versperring werd gelegd , had de commandant zijn oudste officier Ltz. Modderman toestemming verleend om met Hr.Ms."Crijnssen"te vertrekken. 

Meteen na het uitvoeren van de opdracht meerde de "Krakatau" af langs de Madoerakade in Soerabaja, waarna de commandant het verzoek bereikte om troepen van het KNIL over te zetten naar Madoera. Aan dit verzoek werd in de loop van de nacht van 7 op 8 maart 1942 nog gevolg gegeven. Nadat de laatste troepen in de vroege ochtend van 8 maart op Madoera aan wal waren gebracht, werd Hr.Ms."Krakarau "om ongeveer 07.30 uur tot zinken gebracht tegen de steiger van de Pyrotechnische Werkplaatsen, waarna de bemanning met behulp van legertrucks naar Kamal werd afgevoerd. 

In tegenstelling tot de commandanten van Hr.Ms."Pieter de Bitter"en Hr.Ms."Gouden Leeuw" is er tegen de commandant van Hr.Ms."Krakatau"geen vervolging ingesteld, ondanks het feit dat ook door hem geen uitvoering was gegeven aan de opdracht KPX. De voormalige commandant van de Hr.Ms."Krakatau"ging op 1 april 1958 als Kapitein ter zee met eervol ontslag. 

Epiloog

Zestig jaar na dato mag worden vastgesteld dat de situatie begin maart 1942 in Soerabaja ongetwijfeld voor de betrokken commandanten tamelijk uitzichtloos is geweest. De Javazee alsook de Indische Ocaan ten zuiden van Nederlands IndiŽ zaten vol Japanners en de berichten die van de marinestaf hierover werden ontvangen, gaven weinig hoop en inspiratie voor een mogelijk sucesvolle ontsnapping. De bevelhebber in de persoon van admiraal Helfrich, had op 2 maart 1942 Nederlans-IndiŽ verlaten ( met een vliegboot) om zijn hoofdkwartier op Ceylon te vestigen en de CMR schout-bij- nacht Koenraad , had zich in de avond van 5 maart ingescheept op de Hr.Ms."K XII"om in de avond van 6 maart Soerabaja te verlaten. 

Het marine-etablissement was inmiddels opgeblazen en de Pyrotechnische Werkplaatsen waren in vlammen opgegaan. Veel marinepersoneel was gedeserteerd en de chaos was compleet. Zelfs van de bemanning van het schip dat naar AustrliŽ wist uit te wijken, Hr.Ms."Crijnssen" had - na een toespraak van de eerste officier, waarbij de keuze werd geboden mee uit te wijken of achter te blijven- de helft het laten afweten, waaronder alle onderofficieren. Alle mogelijke moeite moest worden gedaan om een volledige bemanning te ronselen. 

Soerabaja maart 1942

Na de oorlog is de Commissie Onderzoek Gedragingen (COG) ingesteld die onderzoek moest doen naar het gedrag van het marinepersoneel in WO II. Deze comissie besloot de commandanten van Hr,Ms."Pieter de Bitter"en "Gouden Leeuw"voor de Zeekrijgsraad te brengen, daar als vaststaand werd aangenomen dat beiden opzettelijk hadden nagelaten te gehoorzamen aan het dienstbevel uit te wijken naar AustraliŽ . Wel werd in de verwijzing door de COG aangegeven dat het ook niet uitgesloten moest worden geacht dat de betrokken commandanten zich, gezien de omstandigheden, geheel vrij zouden kunnen pleiten. De Zeekrijgsraad dacht daar, zoals we hebben gezien, echter anders over. Volgens verklaringen die na de oorlog door de betrokken commandanten zijn afgelegd, zou Ltz.Lebeau, bij het verstrekken van de order KPX op 6 maart 1942, de commandanten de ruimte hebben gegeven om naar eigen inzicht te handelen, derhalve ook om over te gaan tot vernietiging van de onder hun bevel staande schepen. Helaas kon Ltz. Lebeau, omdat hij nadien is gesneuveld , niet als getuige worden gehoord. Wel als getuige werden gehoord de voormalige chef-staf te Soerabaja, Kapitein- ter zee F.W.S.de Ronde , en ťťn van de voormalige commandanten van Hr.Ms."Gouden Leeuw", Kapitein-luitenant- ter zee J.F.W. de Jong van Beek en Donk. 

De Ronde verklaarde op 17 maart 1947 als getuige:" Toen ik op 6 maart 1942 met de k XII van Soerabaja vertrok, verwachtte ik niet, dat ťťn van de schepen die een order hadden gekregen om uit te wijken, deze order met succes zou volbrengen. Ik kan gerust zeggen, dat wanneer ik commandant van ťťn van deze schepen zou zijn geweest, ik niet zou zijn vertrokken, maar mijn schip zou hebben laten zinken onder de toen heersende omstandigheen." 

De op 9 april 1947 als getuige gehoorde De Jong van Beek en Donk verklaarde: " Van december 1937 tot december 1940 ben ik commandant van geweest van Hr.Ms."Gouden Leeuw". Wanneer ik op 6 maart 1942 van de Commandant Marine te Soerabaja order had gekregen om op die dag van Soerabaja naar AustraliŽ te vertrekken dan zou ik deze order niet hebben opgevolgd. Een poging tot uitwijken was volgens mij op dat ogenblik volkomen kansloos, aangezien in verband met de hoge opbouw het schip op grote afstand zichtbaar was en het daardoor onmogelijk was om ongezien door de Japanse bewaking heen te komen. "

De Zeekrijgsraad heeft ook schout-bij-nacht P. Koenraad getuige gehoord. Deze achtte de destijds gegeven uitwijkorder, zelfs onder de toen heersende omstandigheden, redelijk en uitvoerbaar. 

De vraag zou gesteld kunnen worden of de beslissingen van de Zee-krijgsraad, met een voor de betrokkenen zo verregaande impact, wel recht hebben gedaan aan de verantwoordelijkheid, die beide commandanten meenden te moeten nemen voor hun bemanningen. Gelet op de omstandigheden ; een Javazee bijna volledig onder controle van de Japanners; heldere nachten; de waarschijnlijke onduidelijkheid op 6 maart 1942; en voor wat betreft Hr.Ms."Goudewn Leeuw" nog de tolerantie van de CRM toen bij zijn vertrek dit schip nog aanwezig blijkt te zijn, is de weigering het bevel tot vertrek op te volgen betrokkenen wel zeer zwaar aangerekend. 

Het is niet verbazend dat de commandant van Hr.Ms."Krakatau" Ltz.1 .J.Haga, er zonder kleerscheuren afkwam. Waren "de Bitter" en de "Gouden Leeuw" zeewaardige schepen met voldoende bunkercapiciteit om AustraliŽ te kunnen halen, de "Krakatau"had een zeer beperkte bunkercapaciteit, en was een scheepsbouwkundig wanproduct, dat in 1932 al een keer was omgeslagen voor de ogen van de marinestaf. Van Haga had meerdere malen de aandacht gevraagd voor zijn te geringe bunkercapaciteit, mocht het tot uitwijken naar AustraliŽ komen. Hij verzocht de marineleiding bij herhaling om aan de wal drums brandstof voor zijn schip te reserveren, maar hiervan werd nooit gevolg gegeven, de "Krakatau" kon zonder dat eenvoudig niet ontkomen.