ONDERZEEBOOT IN OORLOG

DE LOTGEVALLEN VAN DE KXVIII

Dolf Oosterman kreeg laatst in de bus een marine-officier naast zich. 'Die hadden wij vroeger niet', zei hij wijzend op de OV-jaarkaart van de militair.
'Bent u dan ook bij de marine geweest?' 'Nou en of.' 'Oh, waar heeft u op gediend?'
'Op de KXVIII', vertelde Oosterman trots. 'De K18', keek de officier hem niet begrijpend aan, 'nooit van gehoord. Wat is dat voor een boot?'


door Angela Aengevaeren - Bron: Alle hens, maandblad voor de Koninklijke Marine, februari 1992

In 1941/42 wist iedere marineman het antwoord op die vraag. Opererend in de Indische wateren, bouwde Harer Ma-jesteits onderzeeboot KXVIII in de strijd tegen de oprukkende Japanners een prima reputatie op. Haar commandant, luitenant ter zee der eerste klasse C.A.J. Van Well Groeneveld, zag zijn heldendaden zelfs beloond met de Militaire Willemsorde. Drie bemanningsleden kregen het Bronzen Kruis. Onder hen Dolf Oosterman, samen met vriend en ex-collega Cor de Heer een van de weinige KXVIII-veteranen die nog in leven zijn.

Tachtig jaar is hij inmiddels. In 1946 zette hij als gewezen bootsman zijn herinneringen aan de strijd in de Indische wateren op papier. Hij kan het zich allemaal nog goed herinneren, alhoewel namen iets moeilijker worden.
Over zijn drie en een half jaar krijgsgevangenschap wil Oosterman niet veel kwijt. Zowel hij als de nu 82-jarige De Heer hebben er een oog aan verloren.
De Heer werd te werk gesteld aan de Birma spoorweg, Oosterman op de Kawasaki scheepswerf bij Nagasaki; later toen hij invalide werd, mocht hij bossen ontginnen. 'Hoopjes slaag hebben we gehad èn honger. We moeten er niet te lang bij stil blijven staan, die tijd is voorbij.'

Cor de Heer en Dolf Oosterman kennen elkaar al van de opleiding in Vlissingen eind jaren twintig, daarna ging ieder zijns weegs. Op de KXVIII kwamen ze elkaar in december 1941 weer tegen. De Heer was kort tevoren als stoker/machinst overgeplaatst van de KXVII, die niet lang daarna met man en muis verging.
Oosterman: 'Toen de oorlog uitbrak, lagen wij voor reparatie op de basis in Surabaya. Onze commandant kreeg tijdelijk het bevel over de KXIV, waarmee hij in de Straat van Siam al de eerste successen boekte door vier Japanse oorlogs- en transportschepen te torpederen. Ja, hij was één van de besten en de brutaalsten', vertelt de ex-onderofficier. 'Gelukkig kwam-ie
snel weer bij ons aan boord.'

Doodeng

Eenmaal aan het woord weet Oosterman van geen ophouden. 'Ergens midden januari 1942 waren we op patrouille in de Straat Madura toen we het bericht kregen: opstomen naar Balikpapan. Daar zouden zo'n honderd Japanse schepen op af koersen. We hadden genoeg torpedo's, munitie en voorraden aan boord, zodat we meteen rechtsomkeert maakten.
Wel zouden we even langs het lichtschip varen om te mandiën. Zoals bekend konden we op die oude onderzeeboten niet douchen. We zaten al drie weken aaneen op zee, dus erg
fris roken we niet meer. Daar aangekomen bleken de Jappen al te dicht te zijn genaderd. Om te voorkomen dat ze het lichtschip konden gebruiken voor hun navigatie, brachten wij het met kanonvuur tot zinken.

De volgende dag bleek dat de mast met het licht nog boven water uitstak. En aangezien de commandant wel van souvenirs hield, gingen de kwartiermeester en de majoor torpedomaker per jol de lamp "redden".'
Tegen het schemerdonker ontdekten ze twee Japanse jagers. 'Dat was net wat voor die ouwe van ons. Hij zei nog: "Je mag ook aan dek blijven staan, dan kun je het goed zien!"
Een schip torpedeerden we finaal doormidden en dat was een feest. (Volgens officiële geschiedbronnen betrof het hier een troepentransportschip - A.A.) Toen we afvuurden op de tweede moesten we snel duiken, want de rest kwam eraan. We hebben wel een klap gehoord, maar eigenlijk nooit precies geweten of we ook iets tot zinken hebben gebracht.

's Nachts liep ik als geëxamineerd bootsman de honden-wacht met de ouwe. Om vier uur gingen we naar bed. Het leek vrij rustig, maar nog geen half uur later was er plotseling groot alarm. Een kruiser in aantocht, dus zonder slaap de kooi weer uit. We richtten en schoten een torpedo af. Helaas liep die zijn baan niet uit en verraadde ons daardoor. Als een speer doken we weg. Gelijk een lading dieptebommen achter ons aan, minstens een stuk of zesentwintig. Ze raakten ons niet, maar ontploften wel héél dichtbij.
Opeens hoorden we een klap van jewelste. Het licht viel uit en we maakten water.
Grote paniek. Sommigen gingen volledig door het lint. Ja, je zit dan natuurlijk met z'n allen in een doodskist.'
De Heer die tot dan toe zwijgend heeft zitten luisteren, vult hem aan. 'De noodverlichting ging aan, dus je zag wel weer iets. Maar het was dood en doodeng daar beneden.'
'Maar wat wil nou het toeval. Door die dieptebommen schoot een torpedo uit een van de hekbuizen los en raakte waarschijnlijk die kruiser.' Bevestiging van dit vermoeden is nooit ver-kregen, maar wel werd een zware explosie waargenomen.

Spanning
'Wij hadden behoorlijk wat schade', vertelt Oosterman verder. 'We lagen op de bodem en konden geen kant meer uit. De commandant beval iedereen naar bed te gaan, zodat we zo min mogelijk zuurstof zouden verbruiken. We moesten doodstil zijn, want anders hoorden ze ons boven.
Een paar lui sloegen voorzichtig aan het repareren. Na twintig uur werd het kritiek, we moesten naar boven voor zuur-stof. Intussen was één dieselmotor weer gereed. Alle tanks werden leeggeblazen, maar er zat geen beweging in. Niets hielp, we kwamen maar niet los. Toen begon ik 'm echt te knijpen. Ik zei tegen de commandant: "D'r is nog maar één manier en dat is de reservetank leegblazen." Nou dat deden we en ineens schoten we als een kurk naar de oppervlakte. We doken op tussen twee Japanse jagers, maar die hebben ons niet gezien, want het was pikdonker.
De volgende dag viel een Japans vliegtuig ons aan. Wij vloeken: potverdomme, alweer wat. Onze mitrailleurs werkten niet meer en daarom gaf de commandant bevel te duiken. Op 69 meter diepte hebben we vervolgens weer acht uur stil gelegen. Een hoop lui konden de spanning nauwelijks meer aan. Eentje probeerde zelfs zelfmoord te plegen.'

Tranen met tuiten

De KXVIII kwam uiteindelijk toch weer aan de oppervlakte. Boven zich trof ze een Dornier aan die de onderzeeboot verder begeleidde naar Surabaya. Op het laatste gedeelte van het traject nam de torpedobootjager Hr.Ms. Evertsen het escorte over. 'Met veel gejuich werden we ingehaald. Wij dachten wat een flauwekul, wat is hier toch loos. Toen bleek dat ze ons al lang hadden opgegeven', legt De Heer uit. 'Ja, er zijn er nogal wat naar de kelder gegaan.'
Een paar dagen later werden de medailles uitgereikt. Vervolgens werkte de bemanning dag en nacht door om de KXVIII weer gevechtsklaar te maken. Toen alleen het achtermontageluik er nog op hoefde, kwam een telegram binnen met het bevel: boot vernietigen.
'Gejankt hebben we als kleine kinderen', weet De Heer nog goed.
'Het werfpersoneel was al vertrokken, maar dat luik hadden we er zelf ook wel opgekregen en met Van Well Groeneveld waren wij altijd weggekomen. Maar we konden dat bevel niet negeren. Dus hebben we de boot in de haven laten zinken.'

Krijgsgevangen

Van Surabaya ging de verweesde bemanning naar Malang vanwaar ze met een vliegtuig naar Australië zou worden gebracht. Daar aangekomen, stond er weliswaar een toestel klaar, maar mochten ze er niet in. Hevig verontwaardigd, één man trok zelfs zijn revolver, keerden ze terug naar Surabaya waar plannen werden gesmeed om met een vissersboot naar Australië te ontsnappen. Van Well Groeneveld had al een boot weten te regelen. Bij een bezoek aan de basis om kaarten van de mijnenvelden op te halen, kwam hij echter door een Japanse luchtaanval om het leven. 'Vanaf dat moment konden we niets meer doen. Via omzwervingen zijn we uiteindelijk als krijgsgevangenen in de Jappenkampen terechtgekomen', verzucht Oosterman.
'Geen prettige tijd', verzekert De Heer. 'In Birma moesten we iedere dag minstens tien meter tracé voor de spoorlijn ontginnen. Daar kregen we dan een klein kopje rijst voor. Nou, dat was een complete maaltijd', zegt hij cynisch. 'In de rijst zat ook vlees . . . maden.'

In Japan had Oosterman het al niet beter. 'Aan boord werd ik altijd "de bolle" genoemd vanwege mijn forse postuur. Op het laatst woog ik 43 kilo.'
Oosterman kwam in december 1945 thuis. De Heer drie maanden later, omdat hij met de O-23 reisde. Beiden werden ze bij terugkomst ontslagen, omdat ze nog maar één oog hadden. De Heer kon nog wel als militair werkman blijven. Voor Oosterman had de marine geen plek meer.
De Heer kreeg van de staat 75 gulden compensatie voor zijn werk aan de spoorlijn.
Voor Oosterman was een dergelijke gulle geste echter niet weggelegd. Hij had als krijgsgevangene een dubbeltje per dag ontvangen, dat overigens op de een of andere manier
altijd direct weer in de zakken van de Japanners belandde, en dat vond de overheid ruim voldoende beloond.
'Daarom kijken wij ook zo vreemd aan tegen deze marine. Die mensen gaan zes maanden naar de Golf en houden daar soms zelfs een auto aan over.
Goed, tijden veranderen. Maar zij komen thuis en de minister staat klaar met een blikkie.
Wij keerden na zeven jaar terug en moesten in quarantaine, of we politiek nog wel betrouwbaar waren! Daar kunnen we nu na al die jaren nog kwaad over worden.'