Overlevenden van Doorman’s vlaggeschip

Bron: “Onze Vloot” september 1947  mei 2000    George J. Visser (IMH)

De sloep met dertig gewonden van Hr. Ms. Kruiser “De Ruyter”

Nadat op 27 Februari 1942, om 23.30 uur, ons vlaggeschip totaal weerloos was geworden, was de eerste zorg van onzen Eskader-commandant, te voorkomen, dat de gewonden aan boord jammerlijk zouden verdrinken nadat de ,,De Ruyter” in de diepte zou verdwijnen.

Schout-bij-nacht Doorman zag persoonlijk toe, dat de eenige sloep, die wegens het ontbreken van alle electrische energie kon worden gestreken, bezet werd door de gewonden en eenige andere schepelingen, die nog konden roeien en dat deze sloep afstak.
Na het afsteken der sloep werd er tot een afstand van 500 m van de „De Ruyter" geroeid in verband met het niet denkbeeldige gevaar van explodeeren der achter munitiebergplaats, daar het schip vanaf het luchtafweerdek naar achteren toe in lichterlaaie stond.

Enkele zwemmende drenkelingen, waarvoor vermoedelijk geen plaats was op de vlotten, werden in de sloep opgenomen.
Den eveneens zwemmenden U.S.N.- verbindingsofficier van de „De Ruyter" werd ook verzocht in de sloep te komen. De officier weigerde dit echter (wat hem zijn leven kostte) en gaf alleen den koers aan, dien de sloep moest volgen.
Wegens het overbemand zijn van de sloep (ongeveer dertig man) en de oververmoeidheid der enkele licht en niet gewonde opvarenden kon er slechts met zes riemen worden geroeid. Men roeide in de richting van het sterrenbeeld Zuiderkruis, om te trachten de Noordkust van Java te bereiken.

De proviandeering van de sloep was niet berekend voor een grooten tocht. Alleen het water in de watertanks was juist den dag tevoren ververscht. Er was geen sloeps- kompas aan boord, waardoor er overdag op den gis zou moeten worden gevaren..
Een hevige regenbui brak er los; deze hield ongeveer een uur aan. Het beeld van het brandende, zinkende vlaggeschip vervaagde spoedig achter de regenvlagen. De zee was zeer woelig door een stevigen wind uit het Zuid-Oosten. Hierdoor werd het roeien zwaar en het was moeilijk om eenigszins vaart in de sloep te houden. Er werd in ploegen geroeid en deze losten elkaar om ongeveer een uur af. Er kwam veel buiswater over, doch men hoosde geregeld; wegens gebrek aan een hoosvat deed men het met een Engelschen helm.

De nacht bracht niets bijzonders. Bij het dag worden, dus zonder sterrenbeeld, werd het koershouden moeilijker. Daar in den nacht wind en zee over bakboord vier streken inkwamen, werd die richting overdag volgehouden.
Het waterrantsoen werd vastgesteld op een half blikje per dag en per man.
Het geÔmproviseerde drinkblikje was het deksel van een gasmaskerbus. Een akertje om water te putten was er niet aanwezig. Door den aftap onderaan de tank te openen, daarna den sluitdop in de doft uit te schroeven en dit gat met de hand te sluiten, kon er met een minimum aan waterverlies toch water worden verkregen uit de tank.

Men ziet, welke ware Indianenlisten onze mannen moesten bedenken om bij het kostbare drinkwater te komen en hoe zuinig zij er mee waren. De dorst en het blootstaan aan de verzengende zonnestralen zijn te allen tijde de grootste kwellingen der schipbreukelingen geweest, veel meer nog dan gebrek aan voedsel.

Zaterdagmiddag, dus 28 Februari, kwam aan bakboord vier streken een periscoop in het zicht, die een grooten boog om de sloep beschreef. Daarna kwam de toren van de onderzeeboot boven en werd het torenluik geopend; van daaruit speurde een officier eerst den geheelen horizon nauwkeurig af. Hierna kwam de boot verder boven water. Het bleek een Amerikaansche onderzeeboot te zijn. Met den kop der sloep dwars op de onderzeeboot naderde de sloep deze.

Van de onderzeeboot kwam de order, dat de drie in de sloep aanwezige Amerikaansche en Engelsche seiners, die de verbinding van ons vlaggeschip met de Geallieerde schepen in stand hadden gehouden, moesten overstappen. Uit de boot werden er eenige thermosflesschen met totaal tien liter ijswater overgegeven, benevens eenige blikken vruchten op water, tomaten op sap en een paar blikjes kleine lunchworstjes, in totaal 64 blikken.  Zoodoende had men dus eindelijk wat te eten sinds den laatsten maaltijd op de „De Ruyter" den vorigen avond om 20.00 uur.

Reeds een week voor deze laatste dagen waren de mannen bijna steeds buitengaats geweest om den vijand op te sporen. Daarna had men twee dagen lang zonder ophouden zoo hard mogelijk gezwoegd, tot eindelijk de vuurproef kwam. Gelukkig hadden nu enkele tientallen overlevenden, de meesten gewonden, in de sloep iets te eten en een beetje meer te drinken.
Bij de verdeeling van het overgenomene bleek, dat er per drie man een blik vruchten op water of tomaten op sap kon worden verstrekt; voor de gewonden werd er echter op twee man per blik gerekend. Bij het afsteken van de onderzeeboot werd er aan den officier, die op den toren stond, verzocht een radiogram te zenden aan den MarineCommandant Soerabaja, opdat deze in staat zou zijn schepen of vliegtuigen te sturen naar de plaats, waar de beide Nederlandsche kruisers waren ondergegaan.

Waarschijnlijk dreven daar nog velen van onze mannen sinds den afgeloopen nacht op vlotten en reddingsgordels rond. De U.S.N.officier antwoordde hierop toestemmend en de onderzeeboot verdween onder de oppervlakte der zee.
Behalve twee zwaar gewonden waren er nog andere ernstig gewonden in de sloep. Sommige, voornamelijk Inlandsche, schepelingen bleken, alhoewel niet gewond, toch tot roeien niet in staat, hetgeen niet verwonderlijk was na al de doorgestane vermoeienissen en emoties.
Er werd gewaarschuwd de lunchworstjes in de blikjes voorloopig niet te eten, met het oog op het vet en het zoutgehalte. Toch aten sommigen er van, zelfs de Mohammedanen, met het gevolg, dat er vůůr den vastgestelden tijd om drinkwater werd gevraagd, waaraan geen gevolg werd gegeven. In dergelijke situaties is, in het belang van de schipbreukelingen zelf, eenige gestrengheid noodig en er werd bekend gemaakt, dat ieder, die niet accoord ging met de genomen maatregelen, zijn zwemvest kan aandoen en zelf commandant kon spelen, maar dan aan den buitenkant der sloep. Dit hielp en zwijgend werd er dorst geleden.

Een minder aangename ontmoeting

Om 17.20 uur kwam er aan de kim over stuurboord, dus in het Noord-Westen, een groot aantal rookpluimen in zicht. Bij naderkomen bleek dit een zeer groot Japansch convooi te zijn, ongeveer van dezelfde grootte als dat, waartoe ons eskader den vorigen dag tevergeefs had trachten door te dringen, dus ongeveer tachtig transportschepen met begeleidende oorlogsschepen. Uit de richting van het convooi kon worden afgeleid, dat het uit Straat Karimata moest zijn gekomen.
Er werd een torpedobootjager op de sloep afgestuurd. Deze jager gaf op zijn stoomfluit het sein stoppen en langszij komen, tenminste dit veronderstelden onze mannen. De sloep werd aan stuurboord van den jager langszij gebracht. Angstige spanning stond er op de gezichten van velen onzer mannen te lezen. Zouden zij nu kortweg worden afgemaakt, gelijk reeds verscheidene malen in de drie maanden oorlog met onze schipbreukelingen was gebeurd?
Een in de sloep aanwezige, gewonde luit. ter zee 2de kl., die als door een wonder aan de
steekvlammen op het luchtafweerdek van de „De Ruyter" was ontsnapt, kreeg order van de Jappen om over te komen. De zenuwachtigheid der sloepsbemanning bedaarde, toen de Japansche matrozen ketels met thee lieten zakken, welke dankbaar werden aanvaard, vooral door de worsteters. Blijkbaar had de vijand niet de bedoeling onze mannen direct te vermoorden.

Bij de terugkomst van den luit. ter zee werd er weer afgestoken. Onze officier had opdracht gekregen een zekeren koers te houden en er voor te zorgen binnen den kortst mogelijken tijd uit den koers van het convooi te komen, daar er geen enkel Japansch schip ook maar een graad uit zijn koers zou gaan. Vier riemen werden er toegelegd, zoodat thans tien riemen de sloep voortstuwden, terwijl er tusschen de riemen nog enkele schepelingen pagaaiden. Dit gaf de sloep een goede vaart, die ongeveer drie kwartier werd volgehouden; toen was de sloep uit den koers van het convooi. De even opgeflikkerde energie verslapte snel. Was er des nachts met een dergelijk tempo geroeid, dan had de sloep zeker in den ochtend den Javawal bereikt.

Na het uit zicht zijn van het convooi hernam men den ouden koers.
Bij het donker worden zag men den Zuidelijken horizon verlicht, wat op brand wees. Misschien was er brand op het land, misschien ook stonden er Japansche transport- schepen in lichterlaaie, schepen, die door de laatste vijftig Geallieerde vliegtuigen op Java werden aangevallen.
Bij het dag worden kregen de mannen in de sloep een gebergte recht voor den boeg in zicht.
Dit bleek het Moeria Gebergte te zijn. Zij voeren dus thans in de richting van Semarang.
Vanaf 08.00 uur werd er met een flink tempo geroeid, om den nu zichtbaren wal spoedig te bereiken. Men schatte, dat zulks na vijf uren stevig doorroeien het geval kon zijn.
Een watervliegtuig kwam hoog over, cirkelde eenige malen over de sloep en verdween. Dit was een veeg teeken op dezen mooien Zondagmorgen, 1Maart.

Hadden zij den voorafgaanden tijd maar harder kunnen roeien, dan waren zij al lang aan wal en buiten bereik van den vijand geweest.
Misschien hadden sommigen van hen nog aan land kunnen meevechten of anders naar AustraliŽ kunnen worden geŽvacueerd. Het noodlot liet nu niet lang meer op zich wachten.

In vijandelijke handen gevallen

Om 11.00 uur verschenen er boven tien horizon aan bakboord drie rookpluimen. Het bleken drie Japansche torpedobootjagers te zijn.
Hetzelfde ritueel als den vorigen dag herhaalde zich: stooten op de stoomfluit, langszij komen der sloep en de order, dat dezelfde luit. ter zee moest overkomen. Thans kwam deze echter niet terug, maar wel een Japansch zee-officier, die order gaf, dat allen uit de sloep moesten overkomen. Nadat de laatste man over was, werd de sloep tot zinken gebracht. Het was wel hard, met het einddoel in zicht krijgsgevangen te worden gemaakt.

Tegelijkertijd, dat onze mannen aan dek van den Japanschen   jager stapten, werden hun op vlugge en handige wijze de zakken geledigd en al hun persoonlijke eigendommen in beslag genomen. Deze handeling ging zoo snel en zoo afdoende, dat er vermoed werd, dat de Japs, die dit deden, waarschijnlijk vroeger een ander beroep dan zeeman hadden gehad.
Er werd koers gezet in de richting Bawean, waar Noord-Oostelijk van den Britschen kruiser ,,Exeter", de jager „Encounter" en de U.S.?jager „Pope" op dat oogenblik hun laatsten strijd streden. Maar dat was onzen schipbreukelingen toen onbekend.

Na een half uurtje kwamen er over stuurboord vier drenkelingen in zicht, drijvende op een
tafel. Zij werden ook opgepikt en bleken overlevenden van den Britschen jager „Jupiter" te zijn. Deze was Vrijdagavond 21.00 uur,  dus 39 uur geleden, ter hoogte van Toebak getorpedeerd.
De gevangenen waren verzameld op het achterdek en kregen warm drinkwater. De wonden van de zeer zwaar gewonden werden goed verbonden, terwijl de overige gewonden ook de noodige medische verzorging ontvingen. Toen er een zeer hoog vliegende Catalina in zicht kwam, werd er luchtalarm gemaakt. De gevangenen moesten op de stuurboordsloopplank langs de ketelkap verzamelen. Het luchtalarm was spoedig geŽindigd, Nu werden de in beslag genomen eigendommen, met uitzondering van zakmessen en scherpe voorwerpen, aan de respectievelijke eigenaars teruggegeven.

De behandeling aan boord kon men goed noemen, ja zelfs ideaal in vergelijking met de behandeling in verdere krijgsgevangenschap. Des middags en des avonds werd er per man een kluit kleffe rijst in driehoeksvorm met eenig blikvleesch verstrekt. Bij het ontbijt kregen
twee man samen zoo'n rijstdriehoek met een soort bouillon, die zooiets als condensorwater was. Den volgenden dag, Maandag, werd er per man een pakje Japansche sigaretten verstrekt. In ploegen van vier man mocht ieder op de bakboordsplank een sigaret rooken.

Een opmerkelijk incident viel hierbij voor. Een Japansch onderofficier, die tusschen de
gevangenen doorliep, kwam bij de plaats, waar een van onze twee zwaar gewonden lag, geheel in het verband, met slechts openingen voor zijn oogen, neus en mond. Er speelde zich nu een merkwaardige pantomime af, waarnaar onze mannen met stomme verbazing keken.
De onderofficier stak een sigaret aan, ging hurken en liet den gewonde van deze sigaret rooken, de sigaret telkens tusschen.de mondspleet van het verband schuivende. Tot zoover ging alles goed en het leek eigenlijk te mooi voor deze wereld. Maar een der andere, in de buurt zittende gevangenen dacht, dat hij nu ook daar mocht rooken en stak een sigaret aan. Een korte onderbreking van het schuiven der sigaret in de mondspleet van den gewonde, een pantersprong van den onderofficier op den onvoorzichtigen nicotinegenieter, een stevige, ons zoo wel bekende afrossing van den ondoordachten rooker waren de gevolgen. Daarna ging de onderofficier den gewonde weer kalm helpen, alles zonder een woord te zeggen. Het was dus niet geheel en al een vredespijp.

Onze gevangenen knipperden even met de oogen, maar moesten erkennen, dat de behandeling van den gewonde op een humaniteit wees, die zij in hun verdere krijgsgevangenschap nimmermeer hebben meegemaakt. Wat de afrossing van den onachtzamen rooker betreft,deze was pas een onmogelijk klein staaltje van wat er in de toekomst zou gebeuren.
Op Dinsdag 3 Maart werden de gevangenen met een Japansche. landingsprauw van boord gehaald. En hiermee was het verblijf van onze mannen bij de Japansche Marine afgeloopen en kwamen zij in, handen van de Aziatische beulen van het Japansche leger.

Conclusie

Op 89 geredden na gingen de officieren en schepelingen aan boord van Hr. Ms. „De Ruyter" met dit schip onder of kwamen om in de Javazee, evenals op enkele tientallen na die van Hr. Ms. „Java"; Van Hr. Ms. „Kortenaer" waren er ongeveer 80 overlevenden, terwijl Hr. Ms. „Witte de With" de minste verliezen leed. 1500 Nederlanders, waarvan er nog ongeveer een zevende in leven is, streden in de Javazee hun strijd tot het uiterste en offerden zich voor het Rood?Wit?Blauw op het altaar van het Vaderland.

Dit zou niet noodig geweest zijn, als het Nederlandsche volk in de twee decennia tusschen de beide wereldoorlogen zijn Koninklijke Marine niet verwaarloosd had. Deze mannen hadden ook kunnen uitvaren met de zekerheid te overwinnen.
Regeeringen en Volksvertegenwoordigingen wilden niet inzien, dat als Japan alleen aan kruisers er een half dozijn per jaar op zee zette,  wij geen overbodige bewapening aanschaften, als wij twee kruisers per tien jaar aan de Koninklijke Marine toevoegden.

Ja, wij herinneren ons zelfs een officieele verklaring uit het jaar 1935, dat de Regeering het „financieel niet verantwoord" en het overbodig achtte, den in bouw zijnden kruiser “De Ruyter" acht in plaats van zes kanons van 15 cm te geven. Letterlijk stond er bij, dat zulks de offensieve waarde van den bodem niet noemenswaardig zou verhoogen!
Een dergelijke geestesgesteldheid is tragikomisch, zeker, maar hierdoor werd er onnoemlijk leed over honderdduizenden Europeanen en over millioenen Chineezen en Inlanders gebracht.
Jong Nederland wenscht een herhaling van een dergelijk beleid niet meer. Wij willen niet meer, dat rnen laf en gemakzuchtig rekent op de hulp van “groote broers", de ons welgezinde mogendheden. De Nederlandsche scheepsbouw is weer de vijfde in de wereld, een aanvullende Nederlandsche vliegtuigindustrie kan worden opgebouwd. Als onze houding tegenover het buitenland waardig is en wij de middelen bezitten een gemeenschappelijken vijand serieus te bestrijden, zal dat buitenland ook met eerbied en aandrang naar ons bondgenootschap dingen. Wij willen een krachtige Koninklijke Marine en in haar omlijsting een modernen, uitgebreiden Marine-Luchtvaartdienst.

Weg met de Jan Salie's!

„Den aenbouw dient oock bij nacht ende dagh bevlijtigt; in saecken van soo hooghen importantie is 't beter acht dagen te vroegh dan ťťn uure te laet te komen."
(Johan de Witt, de grootste Vlootbouwer, dien Nederland ooit heeft gekend.)
JAN RESSING