Drie Oorlogsjaren a/b Hrms “Soemba” December 1941-Augustus 1944 (1)
Een terugblik door E.R.Filon

1924 : Kiellegging Hrms “Soemba”.

Daags voor Kerstmis 1924 werd bij Wiltons Scheepswerf en machinefabriek te Rotterdam de kiel gelegd van Hrms “Soemba”. Precies 17 jaren later, 24 December 1941,werd ik, na voltooing van mijn matrozenopleiding, a/b Hrms “Soemba” , geplaatst.

Met haar heb ik vele stormen en acties meegemaakt zoals, in de Riouw Archipel,Straat Soenda,Perzische Golf,Middelandse Zee Convoijen escorteren,landingen Sicilie,Salerno,Anzio en tenslotte Normandie.
Eenmaal gingen we op persoonlijke wraakactie. Onze commandant Kltz. J.J.M.Sterkenburg sneuvelde op 5 Augustus 1943 toen het schip onder de kust van Sicilie door Duitse tanks onder vuur werd genomen. Vier dagen later ,nadat de brug door de Technische dienst (de koude boel) provisorisch was hersteld,zocht Hrms “Soemba” onder commando van waarnemend commandant Ltz. A.van Miert ,nabij Catania, vuurcontact met Duitse treinbatterijen. Een daarvan werd na een hevig artillerieduel vernietigd.

Hoe ik deze oorlogsjaren samen met Hrms”Soemba” en haar unieke gemengde bemanning (Hollanders,Indische jongens,Indonesiers) beleefde nu ,62 jaar terug in de tijd,kunt U lezen in de hierna volgende terugblik op drie lange oorlogsjaren.

Wat vooraf ging : School en aanmelden Koninklijke Marine.

November 1940. Ik zat in de 3de klas van de Koningin Wilhelmina School (Soort Middelbaar Technische School) in Batavia. Mijn rapportcijfers waren niet slecht,toch wilde ik weg van het schoolleven en meldde mij op het Departement van Marine te Batavia voor dienstname bij de Zeemacht . Na het eindeloos invullen van formulieren en een diepgaand antecendentenonderzoek was het zover dat ik uitgenodigd werd voor een gesprek met de wervingsambtenaar. Wat nu een “interview” wordt genoemd.

Wat ik me vooral van dat gesprek herinner is het onderwerp “Dienstverband”. Was voor ons Indische jongens, het “Over en weer dienen” eerst niet toegestaan,nu was dat wel mogelijk.Dat wilde zeggen .met dezelfde rechten en vooral plichten als de Hollandse Jongens en derhalve ook met dezelfde salariering. Ofschoon de wervingsambtenaar het verschil in wedde probeerde te rechtvaardigen door te zeggen dat zij die uit Nederland werden uitgezonden moesten wennen aan klimaat ,eten,van huis zijn, meer ontberingen !! terwijl wij hier “Thuis” zijn, dacht ik toch “Eindelijk gerechigheid”,deden we niet hetzelfde werk onder dezelfde omstandigheden ? Volgens hem,bofte ik toch maar met deze nieuwe regeling.!! Ik kreeg mijn vrijvervoer naar Soerabaja voor het geneeskundig onderzoek . Na goedkeuring volgden drie maanden proeftijd in de eerste militaire vorming (EMV),kom je deze periode goed door dan teken je voor 6 jaar,of je ging terug naar huis,op eigen verzoek of je werd voor wat voor reden dan ook gewoon uit de opleiding verwijderd.

14 Februari-14 Mei 1941.
Soerabaja Marinierskazerne “Goebeng”.

Na een nachtelijke treinreis Batavia –Soerabaja (760 Kilometer) meldde ik me begin Februari 1941 aan de poort van de Marinierskazerne “Goebeng” . De schildwacht ,een stoere marinier,zette grote ogen op toen hij me zag binnenwandelen. Ik zag hem denken”Wat moet dat kleine kereltje hier nu doen?” De onderofficier van de wacht stuurde me door naar de ziekenboeg . Hier waren al vele wachtenden voor me en er kwamen nog vele na mij. Gedurende enkele dagen werden we geneeskundig binnenste buiten gekeerd,waarna de uitslag kwam. Ik werd goedgekeurd met nog 22 andere “Lotgenoten” waaronder zes zonen van uitgezonden onderofficieren ,van huis uit dus bekend met het marineleven.

In de stand van lichtmatroos begonnen we aan onze EMV,geplaatst op de rol van de marinierskazerne “Goebeng” met toekenning “Eener aanvangsbezoldiging van Hfl. 0.70 (zeventig cent) per dag a/b” zoals het plechtig staat geschreven in mijn akte van aanstelling in den Rijkszeedienst. Van dit vorstelijke salaris ging nog eens Hfl. 4 af ter voldoening van je plunjeschuld. Netto dus 17 harde Nederlands Indische guldens in het handje .
Dit geld werd voor ontspanning besteed aan de bioscoop en aangezien we nog niet gewend waren aan de Hollandse kost (dat wennen duurde nog wel even)gingen wij vaker aan de wal eten. In restaurant “Saderhana” kwam je al voor Hfl.0.25 (een kwartje) goed aan je trekken en voor het zelfde tarief zat je in de bios prinsheerlijk ”Loge”. De week-ends bracht ik door bij de gastvrije en zorgzame Familie Hakkenberg. Zij en zoon George (MWO) hielpen me door deze moeilijke tijd heen en dankzij hen overwon ik grotendeels mijn heimwee naar huis en Familie in Buitenzorg.

De EMV bij de Mariniers was zwaar. Een keer op baksgewijs viel ik van vermoeidheid gewoon om (of kwam het door dat zware mainlicher geweer van 1890 ?). Waarschijnlijk was de roeiles op de bloedhete achtermiddag op de Kali Mas ,waarbij ik ook nog slagroeier was,te veel geweest van het goede.Landingsdivisie,geweergymastiek,les infanterie,schildwacht lopen 2 uur op 4 uur af,het hoorde allemaal bij je EMV. Op een enkeling na kwamen we gezond door deze vermoeiende ,maar leerzame periode. We tekenden voor zes jaar jaar waarna onze echte matrozen opleiding aan boord Hrms”Soerabaja” de voormalige “Zeven Provincien” kon beginnen.

14 Mei 1941-20 December 1941
Matrozenopleiding HrMs “Soerabaja”

De opleiding zou 1 jaar duren,waarna je,goede resultaten voor behouden,werd verheven in de stand van matroos der derde klasse. Het lesrooster vermeldde naast de militaire en zeemansvakken ook les in armseinen. Weliswaar het Nederlandse seinstelsel. Niemand had kunnen bevroeden dat we een jaar later moesten overstappen op de Engels-Amerikaanse procedures en wij ons eigen systeem weer konden vergeten. Met allerlei ezelsbruggetjes leerden we de verschillende armseinstanden. A-E-O-U stond voor Alle Engelen Onder U. En B-H-N-T Boer Hein Niet Thuis. Men had voor de N en T ook een andere wat groffere vertaling,die ik hier niet kan herhalen. Het zeilen,roeien,sloep hijsen.loden,wrikken splitsen en knopen werd ons in de praktijk bijgebracht. Daarnaast deden we ook dienst als zeuntje. Een eervolle en verantwoordelijke baan,je moest toch iedere dag zorgen dat de (baks)tafel gereed was voor het ontbijt ,middag en avond eten,je was de hele dag hiermee bezig van smorgens 0530 tot s’avonds 2000 ,kooien af. Enig lichtpuntje,je was vrij van wacht.
Plunjewassen op Maandag en Donderdag ,lappen en naaien op Vrijdag. Dit “Huishoudelijk werk” droeg veel bij tot je vorming en zelfstandigheid. In feite werd in deze opleiding de basis gelegd voor je verdere functioneren bij de Koninklijke Marine en wellicht ook je leven.

Maanden gingen voorbij. Op werkdagen buitengaats en de week-ends binnen,tot dat begin Oktober 1941 aan deze routine een einde kwam. Die dag geen lessen volgens rooster,maar alle hens aan dek voor het aanboord nemen van oorlogsmateriaal voor het KNIL en Australie. We varen naar de Kleine Soenda eilanden,door nauwe vaarwateren,langs zeer dichte begroeiing waarbij je het geblaterde zo kon vastpakken,waarna het schip in een beschutte baai voor anker ging. Oplopen in het nabijgelegen dorpje,gastvrije en vriendelijke dorpsbewoners,motorsloepvaren,zeewacht en de lessen die gewoon doorgingen. Allemaal flitsen uit het grijze verleden,in mijn geheugen gegrift evenals het dagelijkse menu dat bestond uit rijst,stokvis of rotmog.Nu nog kan ik maar moeilijk voedsel uit blik nuttigen.De onaangename wat weeige lucht die je toen tegemoet kwam bij het openen van zo’n blik nassi bijv. Is niet meer uit mijn geheugen te bannen.

Geen van ons wist dat de oorlog met Japan voor de deur stond,we waren teveel met onze opleiding bezig . Het was op de dagwacht dat ik afgelost werd als uitkijk kraaiennest, hoog in de mast en hoorde dat Pearl Harbour door de Jappen was gebombardeerd. Nederland was in oorlog met Japan.Onze Zeemacht was paraat en alle schepen op zee lagen op hun vooruitgeschoven posities. Al weken voeren we in de buurt van het eiland Timor . Op 15 December 1941 ankerde het schip voor Koepang,de hoofdstad van Nederlans Timor. In die tijd bestond het eiland uit 2 gedeelten,een Nederlands deel en een gedeelte onder Portugees bestuur.
S’nachts scheepten 200 man KNIL en 200 Ausies zich in,waarna we opstoomden naar Dillij de hoofdstad van Portugees Timor . Het vliegveld werd door onze troepen bezet . De landingen werden uitgevoerd door B2-sloepen bemand door matrozen van de opleiding . De roeilessen op de Kali Mas en de binnenhaven van Soerabaja waren dus niet voor niets geweest. Terugkijkend op deze operatie is het bijna niet te geloven dat we 400 man plus volledige uitrusting met roeisloepen aan wal brachten,maar het is waar gebeurd. Na deze succesvol verlopen operatie keerde Hrms “Soerabaja” terug naar de Marinebasis Soerabaja.Onder druk van de oorlogsomstandigheden was besloten de matrozenopleiding te bekorten . Op onze “thuisreis” deden we examens ,waarna we ons bijna matroos der derde klasse mochten noemen.

Terug in Soerabaja werden we allen overgeplaatst en verdeeld over de verschillende schepen van het Doorman eskader zoals Hrms”de Ruijter” “Java” en de torpedobootjagers. Vriend Hakkenberg ging naar Hrms “Kortenaer” terwijl voor mij en 5 andere klasgenoten een ander schip was weggelegd,Hrms “Soemba”.Ik weet het nog als de dag van gisteren.
Op een regenachtige voormiddag van de 24e December 1941 stapten we aan boord ,nu in de echte wereld die Marine heet,onbewust van het feit dat dit schip de volgende 3 oorlogsjaren ons thuis zou worden.
Nog diezelfde dag op de Platvoet-wacht gingen we naar zee richting Riouw Archipel,onder commando van KLTZ Huijer,bijgenaamd Jan Telor. Vraag mij niet waar hij die koosnaam aan te danken heeft,ik weet het niet. Mijn loopbaan a/b Hrms “Soemba” was begonnen.

24 December 1941 – Augustus 1944.
Aan boord Hrms “Soemba:

De eerste weken speelden mijn werkzaamheden zich voornamelijk benedendeks af,als dienstdoend bakszeuntje.Daarna werk ik ingedeeld bij de geschutsbemanning van Kanon 1 op de bak.”Volgbakser kanon 1” stond er op mijn rolkaart,een zeer verantwoordelijke functie.Gezeten op een stoeltje moest ik door middel van een wiel,dat ook het kanon van Stuurboord naar Bakboord bewoog en omgekeerd,een wijzer in dekking brengen met de moederwijzer die vanuit het seinstation werd gestuurd. Aan de andere kant van het kanon zat de “volgvluchter” met dezelfde procedure ,maar hij bewoog het kanon in op en neerwaartse beweging. Zodoende konden alle 3 kanonnen van 15 cm gelijktijdig door middel van de centrale vuurleiding op het doel gericht worden. Voorwaar in die tijd een hoogstaand technisch snufje.

Op de vrije nachtgasten na liepen we allen oorlogswacht. Er werd heel wat van ons gevergd,nl. De hele nacht van avond tot ochtend alarm wakend bij je alarmpositie doorbrengen. Overdag kwam je bijna niet aan slapen toe ,omdat ook dan ,onverwachts het alarm ging. Zo patrouilleerden we in Januari 1942 eerst in de Riouw Archipel en later in Straat Soenda.
In de nacht van 24 op 25 Februari 1942 werd Oosthaven vanaf zeer korte afstand beschoten. Met onze drie 15 cm kanons vernietigden we de haveninstallaties. Goedangs en olietanks werden in brand geschoten. Voor mij als 17 jarige volgbakser van kanon 1 een zeer emotionele ervaring om dit van zeer nabij mee te maken. De nacht daarna lagen we voor anker ,ergens onder de zuidwal van Sumatra. Ook nu hielden wij, de voltallige geschutsbemanning ,de wacht bij kanon 1. Het zal ergens aan het eind van de eerste wacht geweest zijn,dat ik door de korporaal –geschutskonstable naar het verblijf werd gestuurd om wat bestek op te halen.

De kok had nassi-goreng uit blik warm gemaakt,zoals reeds gezegd ,in die dagen niet bepaald een delicatesse. Ik daalde de trappen af van het manschappenverblijf in de midscheeps,waar een serene rust heerste. De enkele vrije nachtgasten die vredig in hun hangmatten lagen te slapen ,het halfduister en het monotome gezoem van de scheepsmotoren,maakten dat ik opeens heel moe en slaperig werd. Een lege bakstafel was een uitnodiging om even mijn moede ledematen te strekken. “Even liggen “ dacht ik in een flits en voordat ik het wist lag ik gestrekt en in dromenland.

Dit duurde niet lang . Ruw werd ik uit mijn diepe slaap gewekt door de korporaal geschutskonstabel ,die kwam kijken waar ik bleef. Logisch,ik werd op Parade geslingerd. Slapen tijdens de wacht in oorlogstijd,dat was het ergste wat je kon doen. Dat zou krijgsraad worden.
Op de namiddag van de 27e Februari moest ik op parade komen bij de eerste officier . Ltz.1 Dobbenga. Voor mijn verdediging had ik niets aan te voeren. Ik besefte en wist heel goed dat ik fout was geweest. Tot mijn geluk echter, nam de eerste officier mijn zeer jeugdige leeftijd in aanmerking evenals mijn tot dan goed functioneren en zodoende kwam ik er met een schrobbering van af.

Het gesprek was nauwelijks ten einde,of daar ging het luchtalarm. De eerste officier haastte zich naar de brug en ik repte me naar het manschappenverblijf,onze uitwijkplaats bij luchtalarm ,voor niet ingedeelden.We werden gebombardeerd door 3 Japanse jagerbommenwerpers. We vuurden terug met alles wat we in huis hadden,maar dat was niet bar veel. Zegge en schrijve twee mitrailleurs van 12.7 mm en het 7.5cm luchtdoelkanon. De afgeworpen bommen troffen gelukkig geen doel,maar Jan van der Wel, mijn slapie, en richter van het 7,5 cm luchtdoelkanon werd zwaar gewond door het mitrailleur vuur van de Japanse jagers. Desondanks bleef hij op zijn richtstoel zitten en doorvuren. Het leek of Jan dit voorvoeld had,omdat hij ons in in dagelijkse gesprekken steeds had gezegd,zelfs gewond,tot het laatst op zijn post te zullen blijven. Hij is in de ziekenboeg uiteindelijk aan zijn verwondingen bezweken. Wij verloren in hem een zeer plichtsgetrouwe.altijd opgewekte en ook nog muzikale vriend. In de schaarse uren dat wij “vrij” waren en voordat wij naar kooi gingen in een ruimte onder de brug,genaamd de koebrug, speelde Jan op zijn mondharmocia Vaderlandse zeemansliedjes. Dit zijn momenten die ik nimmer vergeten zal.

In aanwezigheid van de gehele bemanning werd Jan op de eerste wacht van 27 Februari 1942 ,vanaf de campagne ,bijgelicht door de volle maan,aan de golven van Straat Soenda ,toevertrouwd. Aangezien er iemand op post moest blijven,stond ik daar alleen bij Kanon 1 op de bak.Een korte zeer droevige ceremonie,die altijd in mijn herinnering zal blijven. Jan is 19 jaar geworden,

28 Februari 1942.
Nog steeds in open zee Straat Soenda, we zouden afgelost worden door Hrms “Evertsen”,maar zij verscheen niet op de aangegeven tijd en positie.Eerst later werd bekend dat het schip op weg naar ons schip, onder de Java wal in Straat Soenda onder vuur was genomen door twee Japanse oorlogsschepen en zodanig beschadigd dat de commandant genoodzaakt was het schip op een rif van het eiland Seboekoe aan de grond te zetten. Het schip is daarna door een vernielingsploeg opgeblazen .

1 Maart 1942.
We bevonden ons ten zuiden van Straat Soenda,op en neer houdend ,op de lange golfslag van de Indische Oceaan. Wij wachtten op een KPM’er die met ons rendezvous zou maken,maar ook dat schip kwam niet opdagen.
Het zal ongeveer even voor 12 uur in de middag geweest zijn dat opeens de stem van de commandant over de scheepsomroep klonk. Op dat moment stond ik bij de munitiekoker van Kanon 1 ,net op het punt om naar het verblijf te gaan,voor middag schaften. Gemotioneerd deelde de Cdt. mede dat de strijd in de Java-zee in ons nadeel was beslecht . Van het Doorman-eskader waren ten ondergegaan Hrms. Kruisers “de Ruijter” en “Java” en begeleidende torpedobootjagers waaronder Hrms “Kortenaer” en met deze schepen een groot deel van de bemanning.

Toen was het stil en hoorde ik alleen het klotsen van de golven tegen de scheepshuid, ik stond daar heel alleen met mijn gedachten en liet mijn tranen de vrije loop,in het besef dat ik velen van mijn matrozen opleiding waaronder George Hakkenberg(Hrms “Kortenaer”) wellicht nooit meer terug zou zien. Als in een droom ging ik voor middagschaften naar het manschappenverblijf en het was maar goed ook dat je daarna door allerlei werkzaamheden zo in beslag werd genomen dat je geen tijd had om lang stil te blijven staan bij de ondergang van ons eskader. Tenslotte waren we nog lang niet uit de gevarenzone ,we moesten zien dat we weg kwamen.

De KPM’er kwam niet opdagen en de cdt. Besloot niet langer te wachten maar op te stomen naar de Veeckensbaai om olie te laden uit de marinetanker “Tan 8 “ .Van hieruit werd de reis naar Colombo voortgezet,waar Hrms “Soemba” op 10 Maart 1942 behouden binnenliep.

In de haven lagen vele schepen die de dans waren ontsprongen,waaronder Hrms schepen“Willemvander Zaan” “Isaac Sweers” “Jacob van Heemskerk” enkele onderzeeboten en koopvaardijschepen.
Op hrms “Heemskerk” was het feest, op dit schip dienden vele “Indisch Verbanders” van de Vlissingse opleiding .Zij kregen van de cdt. Te horen dat hun kadje met terugwerkende kracht gelijk was getrokken met de “Over en weer “ dienenden. Het boek “De kroon op het anker “ zegt hier het volgende over:
“ De band van vertrouwen tussen voor en achter de mast lijkt tijdens de oorlog hechter te zijn geworden, vooral bij diegenen die aanboord van schepen en vliegtuigen daadwerkelijk in actie waren en daarbij van hoog tot laag aan dezelfde gevaren en ontberingen bloot stonden. Voor de saamhorigheid onder de schepelingen zal bevordelijk geweest zijn dat door maatregelen van de marineleiding bepaalde scheidslijnen werden uitgewist of vervaagden. Al in 1940 bepaalden de marineautoriteiten in Nederlands-Indie dat schepelingen met Indisch verband en milliciens naar de categorie van “over en weer dienend” beroepspersoneel konden overgaan. Na de val van Nederlands-Indie werd het verschil in salariering tussen Europese en Inheemse schepelingen en tussen milliciens en “beroeps” ongedaan gemaakt . Met nadruk zij vermeld dat de Indonesche schepelingen (in die tijd Inlandse schepelingen genoemd) zich even loijaal en plichtsgetrouw hebben betoond als hun Europese collega’s. Ook onder hen zijn er velen die het offer van hun leven hebben gegeven.”

Het einde van een vorm van apartheid bij de Zeemacht dus. Onze Indische stamboeknummers beginnend met 20 (Voor mij 20415) bleven wij evenwel tot het einde van de oorlog behouden, daarna kregen we een marinenummer. Even terug naar Colombo .De Jappen hadden Nederlands-Indie veroverd en aan boord maakten we ons ongerust over het lot van onze familieleden en het marinepersoneel dat in Soerabaja was achtergebleven .In de haven lagen we niet veilig. Berichten spraken van een spoedige aanval, zodat we eind Maart 1942 naar Bombaij gedirigeerd werden. Dat was goed gezien, begin April sloeg de vijand toe ,ze trof een legen haven aan ,maar in open zee brachten de Jappen twee Britse kruisers en een vliegdekschip tot zinken . Wij waren allang en breed veilig in Bombaij. Ook nu was het geluk met ons geweest.

April-September 1942.
Ons schip was toe aan een grondige reparatie en onderhouds beurt , ook de luchtafweer werd aanzienlijk verbeterd . De 12.7mm gingen van boord , hier voor kwamen zes oerlikons 20mm op de brugvleugels en halfdek.Het schip ging in het dok en wij werden in een tentenkamp onder gebracht. Uiteraard geen 5 sterren hotel,dus behelpen.Mijn scheepsvader Instructeur en passagiersmaat Kpl.tlg.zm. E.Blom schreef op een advertentie van een Engelse familie die bereid was gastvrijheid te verlenen aan opvarenden van Hrms “Soemba” Wij ontvingen gunstig response en kregen de beschikking over een ruime kamer met alle voorzieningen, toilet, badkamer een ongekende luxe na alle beperkingen aan boord van ons schip. We werden in verschillende Engelse clubs geintroduceerd, kwamen op de “tea” zogezegd. We verkeerden zodoende in kringen waar je in normale tijden geen toegang zou krijgen. Ook hier vervaagden door de oorlog blijkbaar de scheidslijnen.
Aan diverse sporten, zoals voetballen,zwemmen.tennis werd de nodige tijd besteed en we volgen nog zowaar ook danslessen. Al met al een tijd van ontspanning , die wij allen broodnodig hadden ,na de hectische tijd in de Indische wateren. De oorlog woedde in alle hevigheid voort en een onzekere toekomst lag voor ons. Alle geruchten ten spijt,vertrokken we begin September 1942 uit de haven van Bombaij ,niet richting Middellandse Zee,maar de Perzische Golf.

September 1942- Maart 1943.

We kregen opdracht de toegang tot de Perzische Golf te bewaken en vijandelijke onderzeeboten met onze asdic in de wandeling “Kobus” genoemd ,op te sporen en te vernietigen. Het was(is) bloedheet in de Straat van Hormuz ,varen onder oorlogsomstandigheden,verstoken van airco,patrijspoorten gesloten,een waterantsoen van 1 waskom per dag voor wassen en scheren en geen ontspanning vergde van iedereen het uiterste. Onze Schipper Chef de Equipage , Huet, werd ziek van de moordende hitte en stierf. Door het vroegtijdig vastwerken 0900 in verband met die hitte kwam er s’middags veel “vrije” tijd beschikbaar waardoor de gelegenheid bestond aan diverse brevetten te werken, noodzakelijk voor de volgende bevordering. Ondanks de oorlog moest je toch aan je toekomst denken, hoe onzeker het ook was. De oudere matrozen eerste klas gaven alle steun en begeleiding en om de goede stemming er in te houden werd zelfs een :rijstepikkers club” opgericht . De naam zegt het al ,de leden hiervan kregen rijst en toebehoren in plaats van de Hollandse warme hap. Niet verwonderlijk dat ik met vele anderen (Hollandse jongens) tot deze club behoorde. Tijdens deze Golfperiode haalde ik mijn brevet seiner en werd matroos 2de klas, moest voor bevordering o.a. 50 stuururen halen. Nu werd ik ingedeeld bij de seinersbrigade , bestaande uit matr.1 M.F.Rademaker,Matr1. A.H. Rudolf en matr 2 Soeseno. Chef seiner was Kwmr. A.P.Zeef . Tot voor de landingsoperatie in Normandie was mijn werkterrein het seindek , waar ik veel ervaring heb opgedaan. Mijn verworven kennis van het Nederlands seinstelsel en seinboeken heb ik nooit in de praktijk kunnen uitoefenen omdat we kort na mijn seiners examen in geallieerd verband gingen varen en moesten overstappen naar de Engels/Amerikaanse seinprocedures. Maart 1943 kregen we een andere opdracht . We verlieten de Perzische Golf met een groot convooi en voeren om de West naar de Rode Zee, door het Suez Kanaal en ankerden in de haven van Alexandrie.

Naar het vervolg deel: 2 >>>