Hr.Ms. SUMATRA
Door Adriaan Kannegieter.

Op vrijdag 1 februari 1940 reden we met de trein door een besneeuwd land naar Den Helder. Toen ik de "Sum" aan de kade van de buitenhaven zag liggen, was het eerste waar mijn oog opviel de grote rood, wit, blauwe vlag op de zijwand. Het gaf me een rustig idee dat we "neutraal" waren. We hadden al geleerd, dat het schip 153 m. lang en 16 m. breed was en geladen een diepgang had van 51/2 m. en dat de bemanning bestond uit 35 officieren, 54 onderofficieren en 437 korporaals en manschappen. Het schip had 10 kanonnen van 15cm. Kanon 1 op de bak (voorschip); kanon 2 daarboven voor de brug; kanon 3, 4 en 5 BB en Sb; kanon 6 op het achterdek en kanon 7 daaronder op de campagne (lage achterschip). Maar toen ik ervoor stond, zag ik pas hoe enorm groot het schip was. 

Het matrozenverblijf was weer in de punt met uitzondering, dat het voorste gedeelte was afgescheiden door een waterdicht schot met een waterdichte deur erin. Daar achter was de ziekenboeg. We werden weer ingedeeld in wachtdivisie B, maar nu zijn we bak 4 met als baksmeester, een prachtkerel. n.l. kwartiermeester Joep v.d. Berg. Verder was de inrichting en gang van zaken hetzelfde als op de Noord- Brabant.

Maandag 4 februari 1940 ging ik voor de eerste keer naar zee. De "Sum" had de opdracht langs de grens van de territoriale wateren toezicht te houden op de handhaving van de neutraliteit. Ons schip was hiervoor dagelijks "stand by" om binnen- en uitvarende koopvaardijschepen te beschermen tegen Engelse of Duitse vliegtuig- of duikbootaanvallen. De commandant Kolonel Brouwer, verwachtte dan ook een maximale inzet van de jonge lichtmatrozen. Het is natuurlijk een hele opgave om met ongeveer 116 ongeoefende bemanningsleden toch voor 100% paraat te moeten zijn. Dit kon alleen bereikt worden door elke gelegenheid te benutten om te oefenen en nog eens te oefenen. Dat was niet zo eenvoudig, omdat er ook oorlogswacht moest worden gelopen. Dat betekende 6 uur op en 6 uur af, waardoor dus de helft van de bemanning paraat, of stand-by was. Hierbij moesten we ook nog brevetten halen om in juni te kunnen worden bevorderd tot matroos 3e klas. 

Een onderdeel van de oorlogswacht is de "driekwartiersrol". Een aantal bemanningsleden is hierbij ingedeeld bij een stuk geschut en moet dat stuk permanent schietklaar houden. Ik was in deze rol ingedeeld bij de 40 m.m. mitrailleur op het kajuitsdek. Wanneer de alarmschellen rinkelden heeft ieder bemanningslid een post b.v. waterdichte deuren sluiten, bezetting munitiebergplaats of roerganger. Mijn alarmpost was opzetsteller van kanon 7 op de campagne (lage achterschip). Het wachtlopen en tussendoor oefenen was zeer vermoeiend maar je voelde het als een plicht en bovendien ging het ook om zelfbehoud. Zo voeren we almaar heen en weer tussen Texel en Vlissingen. Tussen de bedrijven door was ik soms een uur roerganger om voldoende stuur-uren te halen voor m'n brevet. Het was iets geweldigs om z'n groot schip in je hand te hebben, maar het was wel moeilijk wanneer we langzaam voeren om dan het schip op koers te houden. Ook werd er tussendoor geoefend voor m'n brevet "diepte loden met de hand".

Ons verblijf (de punt) werd ook gebruikt als ontspanningszaal. De bakstafels gingen tegen het achterschot en alle zitbanken werden dwarsscheeps gezet. Er werden hier kerkdiensten en feestavonden gehouden met medewerking van de Sumatraband. De dirigent van de Sumatraband was Korporaal schoenmaker Wijnsou. Onze baksmaat Wim van Poortvliet speelde in deze band trombone (schuiftrompet). Eens in de week hadden we in het studieverblijf een bijbelstudiegroep o.l.v. Adj. Breugel of de oudere marinier 1e klas Porte. Ik deed ook mee in de schaakcompetitie. We speelden dan in het studieverblijf of in de hut van een officier. Het was een barre koude winter met veel hevige stormen en de "Sum" leek soms wel op een poolschip. Tijdens een storm werden de randen van de bakstafel omhoog geklapt, waardoor bij het heen en weer slingeren van het schip er niets van de tafel kon schuiven. De terrines en vleessledes hingen dan aan touwen aan de klambaaien te slingeren. 

Door de stormen sloegen veel mijnen uit het mijnenveld van hun anker en dreven rond langs de kust. Daarom stond voor op de punt van de Sum "de uitkijk mijnen". Om deze man iets te beschermen tegen de snijdende wind was er voor hem langs het hekwerk een stuk zeildoek gespannen (1,50 m. hoog). Het gebeurde nogal eens, dat deze uitkijk, vanwege de kou om het kwartier werd afgelost.
Wanneer deze uitkijk een mijn zag blies hij op een kleine hoorn en stak zijn arm en hand uit in de richting van de mijn en praaide (hard roepen) dan b.v."mijn op 45' over stuurboord", zodat ze op de brug de koers van het schip konden bepalen. Op een drijvende mijn, werden op afstand schietoefeningen gehouden met een geweer of met een kanon, wat uiteraard een welkome attractie was. Om met een kanon te oefenen, werd er op de loop met klemmen een geweeropzetstuk gezet. De lader ging wijdbeens op de loop van het kanon zitten (als op een paard) om het geweer te laden. Nu werd er precies gehandeld alsof er met 15 cm. granaten werd geschoten. De artillerie officier had hiervoor een verrekenningstabel. In de commandotoren zat de artillerie officier achter het centrale richttoestel met verrekijker. Al draaiende zocht hij het doel op. In de kanonnen draaiden de wijzers van de correctie- en de opzetklokken synchroon (ik was de opzetsteller van kanon 7). Wij moesten dan aan een wiel draaien om de wijzers te volgen en brachten al doende het kanon in de goede positie resp. de loop (mijn werk) op de juiste hoogte (afstand). 

Bij goed weer werd de drijvende schietschijf te water gelaten en door onze motorsloep gesleept. Het mooiste was natuurlijk het op afstand schieten op een drijvende mijn, net zolang tot dat hij zonk of met een enorme knal ontplofte met een hoge waterzuil. Dan ging er een hoeraatje op. Ook zijn we nog een keer in Den Helder geweest. Het zal wel te maken gehad hebben met de opnamen voor de mobilisatiefilm "ergens in Nederland". Op 6 maart 1940 passeerde de onderzeeboot O 11, om uit te varen, uitsluitend voor opnamen voor die film. Een paar meter voorbij ons werd de O 11 aangevaren door de marinesleepboot Amsterdam, de Hr.Ms."BV3" en zonk.
Direct daarna kwam het achterschip weer boven water, waardoor de commandotoren juist iets boven het water uitkwam en de bemanningsleden eruit kwamen en in het water sprongen. Het was verschrikkelijk te horen, dat er nog 3 mensen in het voorschip waren, die hierbij zijn omgekomen. De "Sum" bleef die nacht nog langs de kade afgemeerd om met de grote zoeklichten behulpzaam te zijn bij het lichten van de O 11.

De volgende morgen zijn we weer uitgevaren en was er weer oorlogswacht. Op 17 maart lagen we tijdens een storm voor Callantsoog voor anker terwijl ik sliep. Plots een harde knal en het eerste dat we dachten, een mijn. We sprongen de kooi uit en renden met ons bundeltje kleren naar het bovendek. De knal was veroorzaakt, door het breken van de ankerketting, die door de kluis langs ons verblijf liep. We dreven in de richting van het mijnenveld. Dankzij het snelle reageren van het machinekamerpersoneel kwamen de machines juist op tijd aan de gang.

Het was een hele verademing, wanneer we zo nu en dan afmeerden aan het forteiland van IJmuiden. We gingen met een motorbootje naar de wal, maar moesten binnen IJmuiden blijven. Wanneer onze sirene klonk, moesten we direct naar boord terugkeren. Wel was er een regeling, dat een gedeelte van de bemanning zo nu en dan een weekend naar huis kon.
Hierdoor ben ik nog enkele keren thuis geweest. Zo ging deze verschrikkelijke winter voorbij en begon de mooie maand mei.
Op 7 mei 1940 kwamen er op zee, met een sleepboot vanuit IJmuiden, pers- en radioverslaggevers uit alle neutraal gebleven landen voor enkele dagen aan boord om een indruk te krijgen van onze neutraliteitshandhaving aan de zeezijde. We hoorden dat alle verloven weer waren ingetrokken. 

Op 9 mei 1940 zijn de persmensen om 10 uur v.m. onverwachts per sleepboot van boord gehaald. We hadden opdracht gekregen om naar de rede van Vlissingen op te stomen om te assisteren bij het afslaan van eventuele luchtaanvallen. Nadat we een paar uur op de rede ten anker hadden gelegen, werd de "Sum" om 6 uur n.m. afgemeerd in de haven van Vlissingen. Er mochten 2 divisies passagieren tot 11 uur. Het was een prachtige zwoele nacht. Geen zuchtje wind en een hemel vol sterren, er was werkelijk "geen vuiltje aan de lucht" en ik neuriede het liedje "er is geen beter leven, dan dat van een lichtmatroos". Een kreet van "he Kan de wacht zit erop", bracht me weer tot de realiteit en ik dacht "dit wordt een lekkere nacht, dus dook ik zo vlug mogelijk m'n kooi in. Om 0.30 uur zijn we uitgevaren.

Op 10 mei 1940 moesten we om 3 uur v.m. opstaan. Om 3.15 uur was het alarm. Er vlogen regelmatig vliegtuigen over. Toen het licht begon te worden en we konden zien dat het Duitse vliegtuigen waren werd het vuur door ons geopend. Even later kwamen er 3 grote bommenwerpers heel laag over. Al onze mitrailleurs, 6 van 40mm en 6 van 12,7 mm, vuurden en zij schoten terug.
Behalve de mitrailleurbemanningen moest iedereen naar het benedenschip. Om 7 uur is er even een mogelijkheid dat de overige bemanningsleden op de campagne moeten komen. De commandant leest de proclamatie van koningin Wilhelmina voor. We zijn in oorlog met Duitsland.

In het benedenschip horen we de doffe dreunen van ontploffende bommen.
Omdat de Duitse vliegtuigen drijvende magnetische mijnen hadden afgeworpen gingen we langzaam varen buiten het getijden stroomgebied.
Na het ontbijt moest ik met nog 3 anderen t.w. aan iedere kant 2, de rood, wit, blauwe vlag met grijze verf weg schilderen. We moesten hiervoor buitenboord op bootsmansstoeltjes (plankjes aan touwen) gaan zitten. Vanaf het dek werden, aan lijnen, potten met verf en kwasten neergelaten. Zodra er een vliegtuigaanval kwam gingen we zo vlug mogelijk aan boord en dan onder dek. Op de boulevard en op de dijk van het zgn. eiland van Vlissingen stonden drommen mensen het schouwspel gade te slaan.

Intussen waren er Franse houten mijnenvegers aangekomen om de magnetische mijnen op te ruimen. Tussen de aanvallen door vloog er een Nederlands tweedekker watervliegtuig (T kist) rond om de drijvende mijnen op te sporen. Alle houten sloepen gaan van boord i.v.m. brand- en splinter gevaar. Tientallen bommen werden op ons afgeworpen maar gelukkig misten ze hun doel. Om 9 uur n.m. leek het of ons schip in vuur en vlam stond vanwege vijandelijke kogels die links en rechts om ons heen vlogen. We hoorden de sirenes in Vlissingen regelmatig loeien.

HR. MS. SUMATRA IN ENGELAND.

Op 11 mei 1940 toen het licht begon te worden, moest iedereen aan dek komen met zwemvesten om. We voeren heel dicht langs de kust van Zeeuws-Vlaanderen naar Engeland. Om 7 uur n.m. lieten we het anker vallen voor Yarmouth. De volgende morgen kwam de Nederlandse kustvaarder "Vido" uit Delfzijl langszij. Ze wisten niet dat het oorlog was. Nadat we hun noodvoorraad water hadden aangevuld zijn we koers noord gegaan en voeren in de namiddag de Humber op waar we voor Immingham aan een boei afmeerden. De Duitse radio had omgeroepen dat de "Sum" op de Schelde was gezonken.

Op 14 mei 1940 moesten we om 11 uur v.m. op de campagne komen waar de commandant ons mededeelde dat Nederland was gecapituleerd en dat Rotterdam was gebombardeerd en in brand stond, er was daarna grote onrust onder de bemanning. We waren kwaad omdat we waren uitgeweken in plaats van te helpen verdedigen.
Op 17 mei 1940 hebben we vanuit schepen langszij olie en victualie geladen. In de toko wordt nu Engels Canterbury chocolade, limonade en bier verkocht.
Op 18 mei 1940 moeten we om 11.30 weer voor de boeg (campagne) komen, de commandant deelt mede wat zich tijdens de gevechten in Nederland heeft afgespeeld.

Op 20 mei 1940 meerden we of langs de kade van Immingham docks bij Grymsby. Hier werd een degausing kabel tegen magnetische mijnen rond het schip aangebracht. Het houten dichte brughuis werd vervangen door een metalen open brughuis. Het gaf ons de gelegenheid weer wat op verhaal te komen. We kregen een voorschot in Engels geld. Er was een prachtige grote dancing, waar we als gasten werden ontvangen. Omdat ik niet kon dansen bleef ik maar aan de kant zitten. Dat zagen een paar gastvrouwen (jonge dames) en ik werd tussen een paar dames meegenomen naar de dansvloer, waar alle pogingen werden aangewend om mij een paar danspassen aan te leren, maar het is ze niet gelukt. Ook ben ik nog een keer naar Hull geweest. Overigens "the fish and chips" was daar fantastisch. We moesten om 8 uur n.m. weer aan boord zijn omdat de Engelsen niet toestonden dat er na die tijd nog buitenlanders op straat waren omdat wij konden worden aangezien voor gedropte Duitsers. ledere dag werden er oefeningen gedaan.

Op 28 mei 1940 vertrokken we onverwachts. Nadat we op de Humber voor de stad Hull onze degausing hadden getest voeren we rond Schotland door de Ierse zee naar Z.W.Engeland. Er wordt 3-kwartiersrol gelopen met sluittoestand C vanwege het onderzeeboot gevaar. In de Ierse zee hadden we een paar dagen de zwaarste storm, die ik ooit heb meegemaakt. Het merendeel van de bemanning was zeeziek. Er werd niet meer gewerkt en welhaast niets gegeten. Overal lagen bemanningsleden.
De toko bleef dicht. Naarmate we zuidelijker kwamen verbeterde het weer.

Op 1 juni 1940 kregen we ons salaris, plus 2 shilling per dag oorlogstoelage. We moeten in Ode toko met Engels geld betalen.
Op 2 juni 1940 voeren we om 11 uur v.m., een met zon overgoten, spiegelgladde, Bay of Bristol binnen waar we op de rede van Milfordhaven ons anker lieten vallen. Het werd beperkte zeewacht, waardoor er een minimaal aantal mensen nodig waren. Hierdoor kon na de afgelopen stormdagen waarin, door de meesten welhaast, niets was gegeten, aan zoveel mogelijk mensen rust gegeven worden. De meesten waren aan dek om te genieten van de zon en om weer op verhaal te komen. Er kwam een tanker langszij, zodat we konden bunkeren. Het middageten smaakte weer goed, waardoor ook de bemanning flink aan het bunkeren was. Hierna was er de dagelijkse "middagrust" en dat men hieraan echt aan toe was, bleek uit het feit, dat er op elk vrij stukje dek wel iemand lag te slapen. Na de "middagrust" om 2 uur kwamen we weer tot leven. 
De oudere milicien matroos 1 e klas Van Toorn speelde op zijn accordeon en er werd een biertje gedronken en gezongen. 

Om 5 uur n.m. kwam de Nederlandse Flottilleleider Hr. Ms."Jacob van Heemskerk" binnen varen en ging niet ver van
ons ten anker. Dit snelle schip was op 10 mei onafgebouwd naar Engeland uitgeweken. In allerijl waren noodvoorzieningen aangebracht en een bemanning geformeerd, waaronder de gehele groep Indische jongens van onze opleiding. Een aantal jonge officieren werd overgeplaatst naar Hr.Ms."Jacob van Heemskerk" en we dachten, dat moet, omdat het schip onderbemand was, nadat het was gevlucht van de werf. Er was maar één bemanningslid, die naast de commandant en de 1e officier wist, wat er aan de hand was. Dat was de hofmeester van de commandant. Hij moest onder strikte geheimhouding voor kinderen broodbeleg, kindermeel, snoepjes enz. op de wal gaan inkopen. 

Er werd omgeroepen, dat om 6 uur de BB oorlogswacht op post moest. Langzaam kwam er een Engels barkas aanvaren. Een van de mannen roept: "Er komen wijven aan boord".

HR.MS. SUMATRA NAAR CANADA. 

Het was 2 juni 1940 toen om omstreeks 5.30 uur het barkas langs de valreep lag, en prinses Juliana de valreep opkwam gevolgd door prins Bernhard, die prinses Beatrix op z'n arm had. Het werd stil, plots begon v.d.Toorn het "Wilhelmus" te spelen en ieder sprong in de houding. De prinses gebaarde, dat het niet nodig was. Hierna volgden Freule Feith (de verpleegster) die prinses Irene droeg, voorts mevr. Roell met haar dochtertje Reneetje, die een vriendinnetje was van prinses Beatrix, Baron de Vos van Steenwijk in marine uniform (schout bij nacht) z'n vrouw en 3 rechercheurs. Direct ging alles naar de kajuit van de commandant en nu begrepen we waarvoor al die officieren waren overgeplaatst. 
Engelse matrozen droegen wat bagage aan boord. Hierna was de stemming grimmig. We dachten: "Dat wordt een reis naar ons West-Indie". Er vlogen nu Engelse vliegtuigen om ons heen en dan weer richting zee. Later hoorden we, dat er op nog geen 50 mijl van de haven een onderzeeboot was verkend. 

Om 18.00 uur was voor mij de oorlogswacht ingegaan en stond dus op het dek van de kajuit. Tegen schemeravond kwamen prinses Juliana en prins Bernhard naar buiten. Het anker werd gelicht en de prinses en de prins namen boven de valreep afscheid van elkaar. De meesten van ons konden hun emoties niet bedwingen. Toen de prins met een Engelse barkas wegvoer hebben we met de prinses hem ten afscheid toegezwaaid. De Hr.Ms."Heemskerk" voer al langzaam richting zee. Toen we dit schip naderden zijn we overgegaan op "hoofdvaart", dit om torpedo's de minste raakkans te geven. De vliegtuigen bleven tot het donker voor ons uit vliegen. De beide schepen waren geblindeerd. Wel hadden ze een licht aan om visueel contact te kunnen houden. 

De kajuit van de commandant werd dagverblijf van de koninklijke gasten en de hut van de 1e officier was ingericht als nachtverblijf van de prinsessen, terwijl het bureau werd gebruikt als commode. In het zijgangetje van de walegang, waarin de deur van de hut was, zat altijd een rechercheur. Toen we 's nachts om 24.00 uur werden afgelost, was de "kabelgast" met een paar maats op het dek beneden ons, dus op het kajuitsdek nog bezig om een netwerk te maken langs de railing en ander hekwerk, zodat de kinderen de volgende dag konden spelen. Ook de tokobaas, een matroos 1e klas, had met een zeilmaker doorgewerkt om zwemvestjes te maken voor de kinderen. Uit de afsluitdopjes van bier- en limonadeflesjes hadden ze de kurk gepeuterd, dat werd gebruikt om de zwemvestjes op te vullen, die de volgende morgen aan prinses Juliana werden aangeboden. 

Op 3 juni wordt de klok 1 uur achteruit gezet. Onze broodbakker was de milicien 1e klas Piet Vermeulen uit Ter Apel. Voor onze gasten had hij gebakjes met oranje spul erop gebakken. Prinses Juliana kwam hem de volgende dag persoonlijk bedanken. Hij mocht prinses Irene in z'n armen houden wat een onvergetelijk ogenblik voor hem was. Omdat het kouder werd en ook aan de stand van de zon begrepen we, dat de koers niet in de richting van onze West was. De officier van gezondheid was aangewezen om prinses Juliana te begeleiden. Hij had altijd een filmcamera bij zich. Toen we een keer `s middags in de rij voor de toko stonden, kwam prinses Beatrix met de dokter aanlopen, terwijl prinses Juliana er achteraan kwam. De dokter dacht een goede beurt te maken en zei: "De kleine prinses mag wel even voor gaan". Toen kwam prinses Juliana, pakte haar dochter bij de arm en zette haar achterin de rij. Tegen de dokter zei ze: "Trix moet ook leren te wachten". 

Prinses Juliana wandelde regelmatig door het schip en maakte dan links en rechts een praatje. Op 4 juni speelde de Sumatraband 's avonds op het achterdek voor de prinses e.a.. Het was prachtig weer. Tijdens mijn wacht keek ik van boven op het kajuitsdek en zag derhalve dagelijks prinses Juliana en de kinderen. 
Op 5 juni regende het pijpenstelen en op 6 juni was het bar slecht weer en de zee had hoge golven. Ik zag prinses Juliana 's morgens een poosje staan achter het verticale ijzeren trapje naar ons dek. Ze had een geel zgn. oliepak aan en dito zuidwester op. Het was duidelijk te zien, dat de deining haar geen goed deed. 

In de nacht van 7 op 8 juni rinkelde de alarmschel. Ik vloog m'n kooi uit en rende met mijn bundeltje kleding en schoenen door de walegang naar m'n kanon op het achterschip. Wanneer ik me eerst zou aankleden, dan had ik over het bovendek gemoeten, omdat dan de waterdichte deuren al gesloten zouden zijn. Ik begon in m'n hemd en onderbroek de wijzers te volgen en stond te klappertanden. Plots stond prinses Juliana achter me en zei: "Matroos moet u zich niet aankleden ? Het is zo koud". Ik antwoordde: "Zodra er iemand is om me te vervangen". De dokter vroeg aan de prinses: "Moeten de kinderen de zwemvestjes om" ? De prinses antwoordde: "Nee, laat ze maar slapen". De prinses werd verteld, dat er boven de kim zoeklichtschijnsel, direct gevolgd door mondingsvuur van kanonnen, als weerlicht, was waargenomen. Het licht dat aan de hemel bleef hangen was van een lichtgranaat. 
Direct gingen we over op "hoofdvaart" en draaide de "Sum" naar het zuiden af. Terwijl ik me stond aan te kleden zag ik licht op de Heemskerk, die nu aan stuurboord voer, tussen de onbekende en ons. Ik kon dat vaststellen aan de stand van ons kanon. Later bleek, dat het een geallieerde oefening was. Door de plotselinge koerswijziging kreeg de Heemskerk een zeetje over, dat kortsluiting in de degaussingkabel veroorzaakte, hetgeen een lichte brand tot gevolg had. (Dat moet het licht geweest zijn dat ik had gezien). Door de consternatie ging het visueel contact met de Heemskerk verloren. 
Kort hierna gingen we weer over op normale vaart, uiteraard om olieverbruik te beperken. 

Op zondag 9 juni was er om 10 uur een kerkdienst in de punt waar prinses Juliana aan deel nam. `s Middags kwam de Heemskerk weer in zicht nadat we om 14.00 uur de zgn. "radiostilte" hadden doorbroken en onze positie hadden doorgegeven. Hierna hadden we weer een dag slecht weer. In de namiddag werd ik ingedeeld in de "sluitrol" en moest in de "walegang officieren" de patrijspoorten gaan blinderen. Zonder dat ik er erg in had stond ik voor de rechercheur. Ik schrok ervan en zei toen vlug dat ik moest blinderen. Hij zei: "Natuurlijk, maar wel eerst kloppen en afwachten". Zo gedaan, de deur ging op een kier "Komt u maar binnen". Prinses Juliana was bezig bij prinses Irene een luier te verwisselen. Ze zei, dat de freule en de kinderen zeeziek waren.
Ik vroeg: "Koninklijke Hoogheid mag ik de patrijspoort blinderen" ? Dat was goed. Toen ik klaar was vroeg de prinses: "Wilt u Ireentje even tegenhouden" ? Het schip slingerde nogal. Ze draaide zich om en pakte iets. Hierbij had ik het voorrecht een van de weinige Nederlandse burgers te zijn, die gezien heeft, dat een prinsesje er niet anders uitziet dan een ander kindje. De prinses, die zag dat ik doodzenuwachtig was zei: "Heeft u wel goed gesloten, voelt u het nog even na". Zo gedaan: "Hij zit muurvast, mevrouw". De prinses bedankte me en na een goeden middag was deze belevenis achter de rug. 
De volgende dag verbeterde het weer en verliep de reis zonder problemen. 

Op 11 juni 1940 was het om 4 uur overal (opstaan) en moest uit veiligheid en voorzorg iedereen op z'n alarmpost. Om 12 uur liepen we, de Heemskerk voorop vanwege eventueel mijnengevaar, de haven van Halifax in Canada binnen. 
Prinses Juliana wilde nog een dag aan boord blijven om van ons en van de bemanning van de Heemskerk afscheid te nemen. Op 12 juni 1940 was het om 6 uur v.m. overal (opstaan) en na het vroege ontbijt schoonschip en daarna kleden in blauw. De prinses was met de kinderen even naar de Heemskerk geweest, die voor ons lag, om te bedanken en afscheid te nemen. 
Om 10.30 v.m. hield prinses Juliana een toespraak tot de bemanning en zei o.a. "We weten wat we aan elkaar hebben in dienst van het vaderland, dat wij zullen herstellen, vernieuwen en verjongen". Een delegatie van de bemanning bood een bronzen gedenkplaat aan. Er werd bij verteld dat, ieder bemanningslid heeft bijgedragen door een penny te geven. Van de samengesmolten penny's is toen de plaat gemaakt. Hierna is de vaarroute en zijn de data erin gegraveerd. Op de vraag van de prinses, waaruit haar afscheidscadeau zou mogen bestaan, geeft de delegatie als antwoord: "Het enige geschenk, dat wij zouden willen aanvaarden, het voorrecht om straks, als Nederland is bevrijd, U en de kinderen terug te mogen voeren naar het Vaderland". 


Hierna volgt de "paradeerrol", waarbij de bemanning langs de volle lengte van het schip op het dek staat aangetreden. Wanneer de prinsessen van boord gaan, geeft de schipper het fluitsignaal, waarop ieder gelijktijdig de petten en de mutsen in de rechterhand neemt, waarna de schipper 3x fluit, waarbij elke keer de armen met petten en mutsen krachtig omhoog worden geheven en elke keer schalt krachtig uit alle monden het "Hoezee". De prinses reageert luidt: "Leve het Vaderland". 
De bemanning staat nu stram in de houding aangetreden, schouder aan schouder, de meesten met een traan in de ogen. Een speciale trein stond op de kade. Toen de prinses de trein opstapte, sprong er een vonk over. Of het mocht of niet en of je een officier of een lichtmatroos was het gebeurde. Iedereen rende de loopplank of naar de trein. Prinses Juliana met Irene op haar arm en een manspersoon, ik dacht de Nederlandse ambassadeur, hield Beatrix vast, die met haar voeten op het hekwerk van het achterbalkon rustte. De trein zette zich in beweging en velen liepen nog een eind mee. We zwaaiden totdat de trein uit het gezicht was verdwenen. 

Een stukje Nederland was van ons weggereden en dat gaf een kater, maar wat niemand ons ooit zou kunnen afnemen is het feit, dat we een belangrijke schakel zijn geweest in het voortbestaan van het Oranjehuis. Direct na onze aankomst op dinsdag 11 juni 1940 wist heel de wereld dat de "Sum" met de 3 prinsessen veilig in Canada was aangekomen. Nadat de gasten 's woensdags waren vertrokken waren we vrij. Giel en ik gingen passagieren in het oude havenkwartier en hadden uiteindelijk een gezellige middag bij de "Salvation Army" (Leger des Heils). Later hoorden we, dat het een prachtige stad was, maar de meesten waren in het havenkwartier blijven hangen. Toen ik aan boord kwam moest ik direct bij de verbindingsofficier komen. Er was via de Engelse Admiraliteit een telegrafisch bericht van m'n vader binnen gekomen. "Can I see you" met afzendadres het Ministerie van Scheepvaart enz. en telefoonnummer. De verbindingsofficier vertelde, dat het onzeker was, wanneer we zouden vertrokken (was natuurlijk geheim). Hij zou voor het antwoord zorgen "Cannot see you". Duidelijk was, dat m'n vader een wal-functie had.