HR. MS. SUMATRA VAN CANADA NAAR N.O.I. (INDONESIE).
Door Adriaan Kannegieter

 Op 13 juni 1940 om 8 uur n.m. verlieten we Halifax. We moesten het troepentransportschip de "Lady Drake" escorteren. Er waren Canadese soldaten op dat schip die bestemd waren voor Jamaica. Schepen die wij in ons vizier kregen werden aangehouden. Nadat de nodige heen en weer seintjes waren gewisseld konden ze doorvaren.

Op 16 juni 1940 gaan we om 6 uur v.m. tussen de Bermuda eilanden ten anker. Het zeewater was helder blauw en je kon meters diep kijken en zag dan prachtige vissen. We mochten buitenboord zwemmen. om 5 uur n.m. hebben we ons anker gelicht en gaan met de langzaam varende "Lady Drake" verder. De zee is spiegelglad. Voor het eerst zien we vliegende vissen. Het wordt steeds warmer. Omdat alles geblindeerd is (dus de patrijspoorten gesloten) was het in het verblijf niet om uit te houden. De meesten zijn met hun kooi aan dek gaan slapen. Er worden iedere dag schepen aangehouden.

Op 20 juni 1940 om 6.00 uur v.m. meerden we af in Kingston, de havenstad van Jamaica. Toen ik na de reveille door de patrijspoort naar buiten keek, keek ik tegen een bergwand aan. Ik haastte me om zo vlug mogelijk aan dek te gaan kijken. Tot m'n grote verwondering zag ik voor het eerst van m'n leven hoge bergen die tot in de wolken reikten. 
De Canadese soldaten op de Lady Drake waren bestemd voor dit eiland. We waren nu in de tropen, maar liepen nog steeds in ons baaienhemd. Er werd ons aangeraden om met niet minder dan 4 a 6 man over straat to gaan i.v.m. roofovervallen. Al snel vonden de meesten het leuke cafe waar een negerband speelde. Nu Jamaica is het land van de "rum" en dat hebben we geweten. In dit warme land en met zo'n warm baaienhemd, moet je wel dorst krijgen en wat is er dan heerlijker dan een groot glas cola met rum en nog een en nog een. 
Op een gegeven moment was het zo, dat enkele leden van de Sumatraband de instrumenten van de negers overnamen en Nederlandse liedjes speelden. Ook het Wilhelmus, dat uit "dronken borst" werd meegezongen. Dit was de eerste keer, dat we eens los konden komen. Aan sparen dacht je niet, want vandaag leven we nog en morgen kan je een sigaar (torpedo) in je kont krijgen. Zingend zijn we naar boord teruggegaan. 

De volgende morgen was het bij het ochtendappel een vrolijke boel. Het gevolg was, dat iedereen voor z'n kastje moest gaan staan, waarna gecontroleerd werd of iemand drank in zijn kastje had. Er werd niets gevonden. Wat was het geval. Na zo'n fuifavond barst je 's morgens van de dorst. In de verblijven waren drinkfonteintjes. Wanneer je daar op drukte spoot er koud water omhoog. Nu dat koude water op de geconcentreerde rum van de vorige avond veroorzaakte opnieuw een lichte roes. We konden goed merken, dat het oorlog was, want alles werd nogal laconiek opgenomen en bovendien waren er ook officieren, die lol hadden. In ieder geval hadden we plezier en waren goed gerelaxed. Het leukste was nog, dat een voor ons nogal vervelende officier het 's avonds niet nodig vond om met anderen naar boord terug te keren. Mogelijk vonden zijn collega's het ook een mispunt. Hij werd overvallen, van al zijn kleren beroofd en kwam in zijn onderbroek aan boord. De volgende morgen vroeg nam de "Lady Drake" 280 man "Shropshire Infantery" aan boord om de Britse troepenmacht op Curaçao te gaan versterken, waarna we vertrokken.

Op zondagmorgen 23 juni 1940 (m'n 20e verjaardag) was het om 4 uur v.m. alarm. Onder de kust van Curaçao was een schip gesignaleerd dat met gedoofde lichten voer. Later bleek dat het onze Hr. Ms."van Kinsbergen" was. Om 8 uur v.m. meerden we af aan de kade in de Annabaai van onze kolonie Curaçao. Het was aan boord haast niet om uit te houden van de hitte. Normaliter zijn er op de marineschepen in de tropen tenten boven de dekken. Maar het was met de "Sum" net als met ons, die ook geen tropenpakkie hadden. We kregen uitbetaald in Curaçao's geld. Na het middageten gingen Giel en ik passagieren. En daar liepen we met een laken broek, een baaien hemd en een laken pet in de gloeiende zon rond de 40o C. In een zijstraat zagen we een kerk en we zeiden: "Even kijken". Juist kwam er een pastoor aan en die zei tegen ons: "Vrienden jullie mogen nu niet op straat, het is veel te warm". Hij zag aan ons tenue, dat we van de "Sum" waren. Hij wees ons zijn huis waar we op het balkon onder een afdak in gemakkelijke stoelen moesten gaan slapen. Hij ging even kennis maken aan boord. Toen we er een poosje zaten en de daar liggende lectuur aan het lezen waren, kwam er een andere pastoor kijken. Hij haalde gekoelde dranken en was erg benieuwd wat we allemaal hadden meegemaakt. Hierna moesten we maar proberen te gaan slapen en dat lukte na de zware tijd aan boord. We zijn nog dikwijls op dit adres terug geweest. 

De volgende morgen kregen we tropenkleding en werden de tentzeilen boven het dek gespannen. De gereformeerde ds. Kroese kwam aan boord kennismaken. Hij zei, dat hij gewend was, dat wie wilde zo bij hem kon aanlopen en er ook een biljart was. Enige dagen later gingen we er heen. Het huis lag naast de kerk in de wijk "Mundo-Nobo", over de scheepjesbrug in de Otra-Banda (overkant). Toen Giel en ik naar de deur van de pastorie liepen kwam er een echtpaar naar buiten, zij had rood haar. Ik zei tegen Giel: "Ik ken haar", maar gelijk zegt Giel: "Ik ken hem". We draaiden om en ik zei: "Mevrouw en meneer, U komt ons zo bekend voor".
Ik zei: "U bent juffrouw Kok van de Nassauschool uit Hillegersberg".
Nee zei ze, dat is mijn zuster. Giel zei: "U bent kwekeling geweest op de Bethelschool in Rotterdam-zuid". En ja hoor, het was de heer Willeboordse. Na een kort gesprek moesten we maar eens vlug langskomen. Ze woonde in de Hoogstraat. Dikwijls zijn we bij hen geweest. Ik had nog twee boeken van de spiegelserie en uit dank voor de fijne dagen heb ik die aan hun gegeven. 

We zijn ook een keer uitgenodigd in de club van de Shell "Aciento". Het was daar wel een drankfestijn. We werden met een personeelsbootje gehaald en teruggebracht. Bij de dominee werden we ook fantastisch ontvangen en hadden daar vele gezellige dagen (meestal overdag). Op 29 juni hielt de commandant een toespraak ter ere van de verjaardag van Prins Bernhard. Het doet je goed te zien dat overal de driekleur wappert. Er ging een gerucht, dat wanneer de "Sum" met de kanonnen zou schieten, het oude schip zou scheuren. We kregen een nieuwe artillerie officier Ltz. I. Reeser, waarna we op 8 en 9 juli voor de kust van Curaçao schietoefeningen, met geweer opzetstuk hielden.
Op 10 juli vertrokken we. De tentzeilen waren weer opgedoekt. We werden ingezet voor een patrouilletocht langs de kust van Colombia en Venezuela. In de haven van het neutrale Venezuela lagen twee Duitse en vijf Italiaanse schepen, die we in de gaten moesten houden in verband met uitbreekpogingen. Op 11 juli zagen we enkele besneeuwde bergtoppen. Op 12 juli hadden we om 12 uur alarm omdat er een onbekend oorlogsschip in zicht kwam. Bij nadering bleek het een Mexicaanse torpedojager to zijn. Dagelijks werden er oefeningen gehouden en schepen aangehouden.

Op 15 juli 1940 om 7.00 uur v.m. meerden we weer of in Kingston op Jamaica. Uiteraard behoefden we hier niet meer de weg te vragen en in de zaak met die negerband was het nog steeds rum-cola. Op 18 juli om 5.30 uur v.m. vertrokken we om schietoefeningen met scherp te houden.
Wij schoten met 7 kanonnen tegelijk over stuurboord. Na het tweede salvo was er niet veel meer over van de schietschijf. De "Sum" was geslaagd. We werden hierna ingezet om Duitse en Italiaanse blokkadebrekers in straat Florida en het Yucakanaal langs West-Cuba op te vangen. De volgende dag moesten we extra waakzaam zijn, omdat we werden ingezet om de Duitse raider "Narvik" op te sporen. Aan deze actie namen behalve wij ook de van Kinsbergen (Ned.), de Dunedin (Eng.) en de Diomede (Eng.) deel. Wij moesten hiervoor de noordelijke toegang van de Mona Passage bewaken. De "Narvik" was van oorsprong de "Neumark" uit Hamburg. Het schip werd vermomd als de Zweedse vrachtboot "Narvik" , ook als het Spaanse schip "El Neptuno" en voer ook onder de naam "Widder" maar stond te boek als "Shiff 21 ". Het was omgebouwd tot hulpkruiser en opereerde in de vaarroute Azoren Trinidad. Ze had al enige schepen buitgemaakt en enkele in de grond geboord. Ze had begin mei '40 een Noorse haven verlaten. Telkens werd de naam, de vlag en het uiterlijk op listige
wijze veranderd. We moesten gekleed en zoveel mogelijk aan dek slapen mede i.v.m. onderzeeboot gevaar. Alle kanonnen zijn constant bezet en geladen.

Op 24 juli 1940 gingen we om 11.30 v.m. tussen de Bermuda eilanden ten anker. We werden door de Nederlandse zeesleepboot de "Rode Zee" naar de stad Hamilton gebracht. onderweg werden vele verhalen uitgewisseld en glaasjes achterover geslagen. Hamilton is een prachtige subtropische stad, waar met uitzondering van de openbare diensten, geen motorrijtuigen reden. Hier wonen filmsterren en rijke gepensioneerden.
Op 26 juli 1940 om 7 uur v.m. zijn we vertrokken. We voeren met hoge snelheid en met geladen kanonnen en moesten weer gekleed en aan dek slapen. In iedere haven waar we waren, stuurde ik een kaart naar m'n vader of belde ik even. Amerika was niet in oorlog met Duitsland en al doende had vader steeds contact met thuis en vertelde dan in de vorm van een code, dat ik nog gezond was. Ons "tropentenue" werd in de scheepswasserij gewassen en gestreken, zodat we er altijd keurig bijliepen. Op 28 juli was er om 5 uur v.m. alarm om bij het aanbreken van de dag niet verrast te worden omdat er een vijandelijke torpedojager in deze omgeving opereerde. De kanonnen zijn geladen en de railing is neer geklapt. We hebben echter alleen maar een paar bevriende olietankers aangehouden.

Op 29 juli 1940 zijn we van 6.30 v.m. tot 7.00 n.m. weer in Kingston op Jamaica. Divisie B en C mochten passagieren.
Op 1 augustus 1940 voeren we in de morgen de Annabaai op Curaçao binnen. De tentzeilen worden weer gespannen wat betekende dat we hier meerdere dagen zullen blijven liggen en niet "stand by" zijn. Nadat het schip was vol gestuwd met olie, etenswaren, dranken etc. vertrokken we in de nacht van 7 op 8 augustus. Om 3.00 v.m. gaat de landingsdivisie met sloepen naar de wal voor een oefening met als tegenpartij de kustwacht. Ik was ook ingedeeld. De landing werd afgeslagen omdat we tijdig ontdekt werden. om 7.00 uur v.m. waren we aan boord terug. Het was een leuke afwisseling in deze spannende tijd. Toen het donker was voeren we zuid-oost voor een large, zeer hete reis naar Afrika.

Op 9 augustus 1940 gingen we rond het middaguur op de rede van Port of Spain, Trinidad ten anker. Nadat het schip is vol gebunkerd met olie en er nog 50 vaten aan dek geplaatst waren werd het anker gelicht. Nadat we met de Hr. Ms."van Kinsbergen" bij zoeklicht schietoefeningen hadden gehouden hebben we Amerika achter ons gelaten. De grote oversteek was begonnen. Het zoetwater was op rantsoen en we kregen `s morgens niet meer dan een beker en een halve wasbak met zoet water. 's Avonds mochten we tussen enkele uren met zout water douchen, alleen werkte zeep niet met dit water. Ook met groenten werd zuinig omgesprongen. Zo aten we de ene dag bloemkool en de dag daarop de bladeren van de bloemkool. We moesten iedere dag limoen drinken tegen scheurbuik. Ook de vaart van het schip werd beperkt tot een snelheid die de minste brandstof vergde. Tenslotte wanneer we in actie zouden moeten komen, moesten we voldoende brandstof hebben om minstens een paar uur op de olie zuipende hoofdvaart te kunnen koersen. Het lijkt allemaal heel erg, maar het viel wel mee. Het waren maar noodmaatregelen. Niemand mopperde, want we hielden ons steeds voor ogen, dat Nederland gebukt ging onder de dictatuur en wij nog vrij waren.

Op zondag 11 en 18 augustus werd er een kerkdienst gehouden in de punt met muzikale begeleiding van de Sumatra band. Ltz. 1 Reeser was de voorganger. Een ieder die niet op post stond was verplicht de dienst bij te wonen. Het was een saaie overtocht. Langzaam varen, weinig wind erg heet en water en nog eens water, geen schip te zien en steeds maar weer dezelfde oefeningen.
Op 17 augustus was het regenachtig waardoor de stemming nog somberder werd. Gelukkig zijn er nog veel dolfijnen. Op 18 augustus zagen we weer zo'n grote spuitvis maar ook een vogel dus we komen in de buurt van land. De volgende dag hebben we eindelijk weer een paar schepen aangehouden en zagen we veel haaien. Op 19 augustus was het nog steeds miezerig weer. We vonden het jammer dat we: nog geen schip hadden kunnen inpikken, waardoor onze "prijsbemanning" nog niet in actie behoefde te komen. Op 20 augustus 1940 zijn we om 6.30 uur v.m. de balken-/net, versperring van de Sierra rivier gepasseerd en lieten om 9.30 uur v.m. , het anker vallen op de rede van Freetown (Eng. Mr. ). Direct kwamen de tankboten langszij en we kregen weer zoet water om te douchen. De gehele dag en ook de volgende dag werd er getankt. 

Onze divisie had de wacht. Er was erg veel te doen, vooral het laden vanuit boten en dan het stuwen in de bergruimten en de dubbele bodem, was veel sjouwwerk. Na het middageten mochten de leden van de andere divisies de wal op. Tijdens de middaghitte ging het laden door. Toen we dachten dat het gebeurd was, werden er een aantal grote ronde manden met honderden levende kippen aan boord gehesen. Er werd een vrijwilliger gevraagd om te slachten. Ik wist wat een rot werk kippenplukken was en was er dus als de kippen bij om te slachten. Vlug maakte ik een mand leeg door die kippen nog eens in andere manden er bij te doen. Ik haalde in de keuken een hakblok en een hakmes. Toen begon ik met een hulp, die de kip moest vasthouden en ik de kop. Toen ik de eerste kop eraf hakte schrok m'n hulp zo, dat hij de kip losliet in plaats van dat hij die in de lege mand gooide. Op het dek stonden de matrozen klaar bij de tonnen met heet water om te gaan plukken. De kip zonder kop fladderde daar tussendoor en het werd een compleet bloedbad. Verder ging het zonder problemen en wij waren vlug klaar, terwijl de anderen nog lang bezig waren met kippen plukken. 

Op dat moment kwam er een sloep met passagiers van de wal terug. Een matroos was licht gewond geraakt tijdens een vechtpartijtje met zwarte Afrikaners. Z'n witte passagiershemd was besmeurd met bloed. Een oudere matroos 1e klas had met z'n zatte kop een "apie" voor thuis meegebracht. Net toen hij een hand nodig had om aan boord te komen, beet dat kreng hem in de andere hand met gevolg, dat hij het beest losliet. Wij hadden niets meer te doen, dus moesten we er achteraan. De walegang door, toen de longroom officieren in. De aap rende over de gehele lengte van de gedekte tafel, het had niet mooier gekund. Toen we het aapje na lang jagen maar gepakt hebben, lieten we hem zakken in een prauw die langszij lag. De volgende dag mochten we niet passagieren. Om 5.00 uur n.m. hebben we het anker gelicht. We gingen het grote passagiersschip de "Orion" escorteren.
Aan boord van dat schip waren veel vrouwen, kinderen en soldaten. We hadden ook weer patrouilledienst. Onze koers was zuid.
Op 23 augustus 1940 passeerde we de evenaar. Om 10.00 uur v.m. kwam Neptunus aan dek. Nadat de commandant een toespraak had gehouden werd het doopspektakel, een lijst met 204 namen afgewerkt. We bleven waakzaam. Wanneer we een koopvaardijschip zagen, was er extra paraatheid. We wisten nooit of het een geallieerd of vijandelijk schip of een raider was. Een raider was een modern vrachtschip, dat sneller kon varen dan de over het algemeen oudere geallieerde oorlogsschepen.
De kanonnen waren aan het gezichtsveld onttrokken door camouflage objecten b.v. door een nepsloep. Er werd steeds onder een andere valse vlag gevaren en ook de naam werd steeds veranderd. 

Er werden regelmatig schepen aangehouden. Op 25 augustus was er weer een verplichte kerkdienst. Om 4.00 uur n.m. ontmoetten we de Engelse kruiser "Dorsetshire" die het konvooi van de "Orion" van ons kwam overnemen. Na de gebruikelijke beleefdheidsceremonies gingen we op een steenworp afstand naast elkaar varen. Nadat de scheepsband van de "Dorsetshire" het Wilhelmus had gespeeld, namen wij onze petten in de hand en zwaaiden als dank en ten afscheid. Het was zeer aandoenlijk.
Hierna kwam de Orion nog even langs om ons met de vlag te groeten.
Onze koers werd daarna oost, dus richting Afrika. Het werd minder warm en we dragen weer Europese kleding. We mogen brieven naar huis (Holland) schrijven omdat we de volgende dag een neutrale haven aandoen.

Op 28 augustus 1940 meerden we om 9.00 uur v.m. of aan een kade in de haven van Lobito, in Portugees Afrika. Portugal was neutraal, dus een zgn. vluchthaven voor Duitse en Italiaanse koopvaardijschepen.
Tegenover ons, ongeveer 50 m. van ons vandaan, lag een oud Duits vrachtschip. De opvarenden zwaaiden naar ons, maar wij konden de moed niet opbrengen om terug te zwaaien. Zover we konden zien, lagen op de kaden de broodjes tin hoog opgestapeld. Het was duidelijk, dat we hier niet alleen waren om te tanken. Er mocht niemand de wal op. Aan boord stonden rondom gewapende schildwachten. 

Dezelfde dag vertrokken we weer. Onze koers was weer zuid en het weer werd met de dag zachter. De meesten slapen weer in de verblijven benedendeks. Op 31 augustus was de koningin jarig. Om 9.00 uur was het "vastwerken" en hadden we voor de rest van de dag "zondagse dienst". Om 10.00 uur hield de commandant de gebruikelijke toespraak die met een "driewerf hoera" voor de koningin werd besloten. We kregen een bon voor een extra verstrekking uit de scheepstoko. Op 1 september hebben we weer een paar schepen gecontroleerd. We dachten eindelijk onze slag te kunnen slaan. Een ervan was een Duits schip wat in Ned. Indië was ingepikt en helaas nu onder onze rood/wit/blauwe vlag voer. Om 10.00 uur hadden we weer een kerkdienst. Nadat we een dag op zeer grote afstand langs land waren gevaren, zagen we de volgende morgen 3 bergtoppen boven de kim uitkomen, waarvan we na enige tijd er een van herkenden "de Tafelberg". De andere twee waren de "Deavelspeak" en de "Lionshead". Het kon niet anders, dit moest Kaapstad zijn.

Op maandag 2 september 1940 voeren we 's morgens vroeg de baai van Kaapstad binnen. Er kwam een klein Engels-Afrikaans marine vaartuig ons tegemoet varen. Nadat we vaart hadden geminderd en de valreep hadden laten zakken, kwam het vaartuig langszij en stapten er een paar heren over op ons schip. Ze zullen wel van de Nederlandse ambassade geweest zijn. Kort hierna werd er op de publicatieborden een mededeling geprikt. "De regering van Zuid Afrika was zeer vereerd met ons bezoek. Er zou alles aan gedaan worden om ons een onvergetelijke tijd te bezorgen. We moesten ons wel aan de wetten van Zuid Afrika aanpassen".
Het was verboden, dat een blanke seksueel contact had met een niet blanke op straffe van minimaal 2 jaar gevangenisstraf. Het was voor een blanke verboden om wijk 6 (Kings Cross) binnen te gaan. Voorts een verzoek om op zaterdag rond 12 uur in de middag het centrum te mijden en in ieder geval geen partij te kiezen van de tegen elkaar vechtende studenten (Engels gezinden en Zuid-Afrikaans Duits gezinden). Ook werden er promotielijsten opgeprikt. De lichtmatrozen waren met terugwerkende kracht vanaf 1 juni 1940 bevorderd tot matroos 3e klas.
Dezelfde dag had ik een rood streepje op mijn mouw. Om 9.00 uur v.m. kwam de loods aan boord waarna we enige tijd later afmeerden aan een kade in het havengebied bij een rangeerterrein. Onze divisie had de wacht. De matroos van het "apie" had ook nog gevochten in Freetown en had een lichte straf gekregen, waarvan hij nog een paar weken tegoed had. Toen onze baksmaat Herman Pieterse schildwacht was onder aan de loopplank op de wal, gebeurde er een ernstig incident nl. schieten op vreemde bodem. Het was laagwater en de gestrafte matroos 1e klas nam z'n kans waar en sprong de wal op. Herman riep: "In de naam der Koningin, halt of ik schiet". De matroos rende door. Herman haalde de grendel over, richtte zijn geweer en schoot. De matroos was toen al (uiteraard) tussen de treinwagons verdwenen.

Doordat we na ons vertrek uit Nederland veel hadden gevaren met zware wachttijden, was er aan het gebruikelijk onderhoud van het schip, zoals schrapen, meniën en verven niet veel gedaan. Ons schip was dan ook een behoorlijke roestbak geworden. Daarom werden we de volgende dag verhaald naar de marinewerf voor een grote opknap dokbeurt. 's Middags mochten we gaan passagieren. En zo wandelden Giel en ik genietend van het mooie zomerse weer door het prachtige Kaapstad. De zgn. echte (blanke) Afrikaanders waren uitbundig, zeg maar gerust "overdreven" blij met ons bezoek. Nu dat mocht ook wel, want wij waren de representanten van het oude moederland. Het gebeurde dan ook regelmatig, wanneer je op straat liep, dat er dan een Afrikaander naar ons toekwam en zei: "Wilt u met mij een snapsje gaan drinken "of' ik nie geloof nie met u iets te hebben gedroegen". Het was duidelijk dat iedereen aan ieder bemanningslid iets wilde aanbieden. Wanneer we aan de bar zaten met zo'n Afrikaander vond Giel het na 1 snapsje wel genoeg. Ongezien wisselde hij zijn glaasje om tegen het lege van mij. Dit heeft hij tijdens ons verblijf in Kaapstad vele malen gedaan en iedere keer zei hij dan: "Je weet toch wat mijn vader tegen je gezegd heeft (Adrie jij bent ouder, zorg goed voor Giel)". Vele malen zeiden we hartelijk bedankt: "We hebben al veel snapsjes gekregen". En daar had men ook begrip voor. 

Op 6 september stond er voor ons "verplicht bioscoopbezoek" op het programma. Marinier Porte maakte hiertegen bezwaar, want er waren matrozen die om principiele redenen thuis niet naar een bioscoop gingen. Hij moedigde ons tevergeefs aan om te weigeren. Dit werd aangemerkt als aanzetten tot dienstweigeren en hij zou hiervoor later in Indie voor de krijgsraad moeten verschijnen. Het werd een prachtige dag. We worden met bussen afgehaald. Na de film zijn we naar de Nederlandse/Afrikaanse club gewandeld. Na de koffie met gebak was er een warm buffet. Er werd een toespraak gehouden dat wij zo netjes waren en ons zo keurig gedroegen, ze waren trots op ons. Als er andere oorlogsschepen of troepentransporten waren hielden de moeders de dochters in huis. Nog kort geleden was er een vrachtauto van de brouwerij leeggeroofd door Australische soldaten, die op doorreis waren naar het front in Noord Afrika. Ze dronken het bier ter plekke op en als dank sjouwden ze de auto de trappen van het stadhuis op en plaatsten die op het bordes. Nee, van de Hollandse jongens was nog geen onvertogen woord gehoord. Zo om me heen kijkend zei ik tegen Giel: "Het is nu omgekeerd, de moeders sturen de dochters op ons af'.

We konden altijd bij de club terecht als er wat was. Het dames ontvangstcommite, zou ervoor zorgen, dat de club op normale tijden altijd open was. Onze Indische en Surinaamse bemanningsleden mochten niet mee naar de bioscoop, want zij waren "nie blank nie". Nu geen probleem eenzelfde kleurlingen organisatie uit wijk 6 (negerwijk) had dezelfde ontvangst geregeld als duidelijk bewijs, dat er gelijkheid was en geen discriminatie. Tenslotte stonden er in de stad zitbanken en urinoirs, maar wel twee van elk nl. een "vir die blanke" en een "vir die nie blank nie" . Nee, dat was geen discriminatie. Nu ja, je moest niet gaan plassen in de verkeerde urinoir, want dan werd je echt gearresteerd. Onze gekleurde jongens zijn ook als vorsten ontvangen, want zij waren de representanten van een land waar "nie blank nie" in hetzelfde verblijf sliepen enz. als "die blanke". Tijdens ons verblijf in Kaapstad waren zij daar als kind in huis. In de bus er naar toe moesten ze voorin voor het tussenschot zitten en daar mochten geen "blanken" zitten. 

Kaapstad was een fantastische stad voor ons, maar het mooiste moest nog komen. Op het publicatiebord was een mededeling van de Hollandse club dat op zaterdag 7 september de bemanningsleden worden uitgenodigd om op die dag met een clublid rond te gaan toeren in de Kaapkolonie. Het was de bedoeling, dat er een of twee per auto meegingen. Zij die geen wacht hadden en liefhebber waren, mochten die dag om 10 uur vrijaf. Voor zo'n vroegertje en dan nog een dag "vrij gehouden" worden was veel belangstelling. Toen Giel en ik in zondagstenue aan dek kwamen zagen we op de kade een lange rij auto's staan. Enkele bestuurders stonden naast de auto's en zwaaiden naar inmiddels bekenden. De officier van de wacht liep langs de rij wachtende, die langzaam opschoof en vroeg: "Wie spreekt er Engels" ? Zonder na te denken stak ik m'n vinger op. Ik had toch op de lagere school 1 keer in de week, tussen de middag, tegen extra betaling Engelse les gehad en ook nog een jaar op de ULO.

Ik moest toen met de officier van de wacht mee, terwijl Giel achterbleef. Bij de valreep stond een dame, ongeveer 3 jaar ouder dan ik. De officier van de wacht zei tegen die dame: "Ik heb iemand voor u gevonden". Ik stelde me voor en zij ook "Ellen Bas uit Blaricum". Ze legde uit dat ze huishoudster was bij een Engelse familie en vroeg of ik haar gast wilde zijn, om daama bij die familie thuis te gaan eten.
Oh, dat vond ik prachtig. Ze liet me alle bezienswaardigheden van Kaapstad zien en daarna naar "de country". We zijn eerst naar "Cape point" gereden. Dit was het zuidelijkste punt van Afrika. Onderweg gebruikten we een lunch. Ze wilde niet dat ik iets betaalde, want haar baas had mij uitgenodigd en zou alles betalen, maar de gast moest wel wat Engels spreken. Ellen zei wel: "Houdt een gaatje open voor vanavond". We hebben heel wat afgepraat en ik had ze ook quasi over m'n verkering met Nel van Doom verteld en m'n vader in Amerika. Ze wilde wel via vader naar Nederland schrijven. Toen ik zei, dat ik een telegram naar m'n vader wilde sturen, zei ze dat de zoon van haar baas daar wel voor kon zorgen. In de middag kwamen we thuis. Een prachtige grote villa (English style). Ja, Ellen had verteld, dat haar baas directeur van een scheepvaartkantoor of bedrijf was en dat de zoon daar ook werkte. Haar baas was een oude weduwnaar en de zoon nog vrijgezel. Ze woonden in een kleine plaats met allemaal grote villa's ongeveer 15 km. vanaf Kaapstad. Het huis was zeer luxe ingericht en het waren vast "rijke lui". Meneer heette me warm welkom en was seer vereerd to meet a Dutch sailor, which ship was escaped from the German bombers. Hij was een Engelse oorlogsveteraan uit de 1e wereldoorlog.

Nadat hij m'n pet had overgenomen en die op de kapstok had gelegd (het was een gentleman van standing met etiquette), gingen we in de serre zitten. Hij was benieuwd naar, waar we geweest waren en wat we allemaal hadden meegemaakt en kon soms uitbundig lachen. Intussen had Ellen de (Eng.) thee op tafel gezet en kwam bij ons zitten. Alhoewel de man zeer stijlvol leek, was hij erg simpel en ik voelde me geheel op m'n gemak. Er werd een telegram opgesteld naar m'n vader met een inhoud in de geest van: "Adrie enjoyed temporary the nice weather in Cape Town" met als afzender zijn naam en adres. Enige dagen later was er telegram terug, dat de familie in Holland en hijzelf het goed maakten. De zoon had het telegram van vader in een gesloten enveloppe aan boord afgegeven. M'n vader kon wel op zijn vingers uittellen, waarheen we onderweg waren. Al pratend verontschuldigde Ellen zich, omdat zij aan het diner moest beginnen. Later kwam ook de zoon thuis en vroeg naar m'n bevindingen van de dag. Ik vertelde dat de enorme grote weilanden in de valleien met de grote boerderijen de meeste indruk op me hadden gemaakt. In Holland dachten we, dat Afrika gloeiend heet was en dat er niet veel groeide. Ook de boomgaarden vond ik erg uitgestrekt. Het werd een zeer uitgebreid diner met wijn erbij.

Ik vroeg of ze een kok hadden. Nu, dat was een schot in de roos. De beide heren begonnen nu de kookkunst van Ellen te prijzen, die zich zo vereerd voelde, dat ze zei, dat ze maar beter de tafel kon afruimen.
Toen ze terug kwam had ze een grote schotel met ijs in haar hand. Na de koffie zou de zoon mij naar mijn schip terug brengen en hij zei tegen Ellen, dat hij het heus niet had vergeten, dat er afgesproken was, dat hij de hoge weg langs de Tafelberg zou rijden. Duidelijk bleek, dat alles vooraf georganiseerd was. De bovenweg hoog langs de tafelberg gaf een prachtig uitzicht over de stad, vooral nu het donker was en de verlichtingen brandden, schitterend. Bij hun ben ik later verschillende malen geweest. Ik belde eerst op of het gelegen kwam en zo ja, dan zei ik met welke trein. Ellen stond dan bij het station me met de auto op to wachten. Het station van Kaapstad was een zgn. kopstation. Het was een groot mooi stationsgebouw. Het grote aantal perrons was overkoepeld door een groot boogdak met veel glas erin. In de hal was een gedeelte voor de "short lines". Voor elke lijn waren er twee loketten ( uiteraard) . Boven de beide loketten was een bord met daarop de plaatsen, die langs de route lagen met daarachter per klasse, de prijs tot die plaats. Ik zag de plaats en koos het loket waar voor dezelfde laagste klasse de laagste prijs stond. De negerin achter het loket lachte heel beminnelijk en zei: "Sorry Sir, you are not allowed to stay before this window", ik dacht stommeling en zei: "I do understand lady, excuse me". Niettegenstaande ik net zoveel recht had dan een "nie blanke nie" moest ik wel veel meer betalen. 

De dag na de rondrit had ieder zijn eigen verhaal. Giel was bij een familie geweest, die vanuit Rotterdam-zuid was geëmigreerd. We konden gerust zeggen, dat de moeders de dochters in huis hadden gehouden voor de Hollandse matrozen, maar nu wel om een andere reden dan eerder genoemd. Zo was onze baksmaat Cor Buijs uit Middelburg bij een erg rijke familie terecht gekomen, die een zeer aantrekkelijke dochter had. Ze hadden paarden en een groot luxe motorjacht. Hij was met de familie wezen varen en met de dochter wezen paardrijden. 's Avonds had ze hem met haar open sportwagen naar boord teruggebracht. Zodra hij kon, zou hij naar Zuid-Afrika gaan. Toen ik Cor later nog eens in Soerabaja tegenkwam, schreven of belden ze elkaar nog regelmatig. Cor voer op Hr Ms. "de Ruijter" en is bij de slag in de Java zee omgekomen. Op een dag waren we wezen passagieren en hadden de nodige snapsjes niet durven weigeren en ik had weer de nodige restjes van Giel onder mijn neus geschoven gekregen, waarbij hij iedere keer weer zei: "Je weet wat mijn vader gezegd heeft". De dag daarop hadden we de wacht. Toen we langs een banketbakkerij kwamen zei ik: "We gaan morgen van de wacht een feesie maken" en ging de winkel binnen en kocht een taart.

Giel en Herman Pieterse bleven maar lachen. Omdat we vonden, dat we toch wel iets te veel hadden gedronken, zijn we maar naar de Hollandse club gegaan. Hier waren de dames heel bezorgd over ons en zeiden: "Jullie hebben teveel gedronken". Ze zorgden snel voor zwarte koffie.
We hebben hun toch haarfijn uitgelegd, dat de Afrikaanders zo goed voor ons waren en omdat we beleefd wilden zijn, konden we toch niet steeds weigeren. Nu, die dames maar lachen. En wij maar zeggen, dat we geen cent aan drank hadden uitgegeven. Er zou over een klein uur iemand zijn, die ons naar boord kon brengen. We kregen nog wat warme snacks. De dames begonnen op ons gemoed te werken en vonden, dat we voortaan beter nee konden zeggen tegen die goeie Afrikaanders. Herman Pieterse begon tranen met tuiten te huilen: "Wat zou mijn meisje in IJmuiden wel zeggen als ze wist, dat hij zoveel gedronken had". In Holland was hij nog nooit in een kroeg geweest. Een beer kwam binnen en nadat hij bij ons een kopje koffie had gedronken, bracht hij ons naar boord. Halverwege riep Herman: "Stoppen" en voor het zover was had hij al gekotst. We zijn toen vlug uitgestapt en zittend op een stoeprand gooide Herman de rest overboord. We boden ons excuus aan, maar we konden geen kwaad doen. De eigenaar van de auto zei, dat het niet gaf en dat hij niet kon begrijpen, dat er Afrikaanders zijn die zulke fatsoenlijke jongens zoveel drank gaven. Even later had hij ons bij de werf afgezet. 

De volgende middag vroeg ik aan de jongens of ze wisten waar de taart gebleven was. Ze wisten niets van een taart, maar ik hield vol, dat ik een taart had gekocht. Later wist ik het. Wij de volgende dag naar de club en ik vroeg of ik daar soms een taart had laten staan. En ja hoor, hij stond in de koelkast op me te wachten. Ik zei, als de dames voor koffie zorgen, dan gaan we proeven of de taart nog goed is. Even daarna hadden we koffie met gebak en we zongen: 'lk zal nooit meer dronken wezen, ik zal nooit meer dronken zijn". En dat is dan ook nooit meer gebeurd.

Herman Pieterse is later omgekomen met de onderzeeboot 0-16. Nadat deze onderzeeboot 5 Japanse schepen had getorpedeerd is het vermoedelijk in een mijnenveld terechtgekomen ten oosten van Malakka.

Op 9 september zijn we `s morgens uit het dok gegaan en verhaald naar een kade in de haven.
Op 12 september hadden we een gewapende parade door Kaapstad en aan het slot een kranslegging bij het standbeeld van Jan van Riebeeck, de Nederlander, die Kaapstad gesticht had. Er stonden rijen dik mensen langs de weg.
Op zondag 15 september gingen we naar "de blanke gereformeerde kerk". Uiteraard waren we met auto's opgehaald. Na de dienst was er koffiedrinken en daarna een uitgebreide lunch. Het was er heel gezellig, totdat er tegen het einde van de lunch een toespraak werd gehouden. Ze vonden het wel erg jammer, dat Nederland de zijde van Engeland had gekozen i.p.v. Duitsland. Na het zingen van beide volksliederen werd menig traantje weggeveegd. Hier voelde we wat er zich 's zaterdags om 12 uur afspeelde en waarvoor we om die tijd het centrum moesten mijden. Iedere zaterdag werd er op de Deavelspeak om 12 uur een hard kanonschot afgeschoten. Het was de bedoeling om dan 2 min. stilte in acht to nemen, om de oorlogsdoden te herdenken. Het waren nu juist die studenten, die van oorsprong van Nederlandse afkomst waren, die de mensen, welke de 2 min. stilte in acht namen, begonnen te molesteren of herrie te schoppen. De universiteiten waren 's zaterdags gesloten, derhalve waren er zowel van Stellenbos als van de zgn. Eng. universiteit veel studenten in de stad en dan was het knokken geblazen. In korte tijd herstelde de politie met harde hand de orde en was er geen vuiltje meer aan de lucht. 

In de late namiddag kwam de oude matroos le klas, die de eerste dag ontvlucht was, zich aan boord melden. Tegen een ieder die het horen wilde zei hij: "Beter een paar maanden in Indie de bak in, dan Zuid Afrika missen".
Tenslotte had hij geen halsmisdaad begaan. Hij was de schildwacht dankbaar, dat hij zo uitgerekend goed gereageerd had. 
Op 16 september vertrokken we nagewuifd door velen.
Op 22 september was er weer een kerkdienst. Het werd weer warmer en we gingen weer over op tropen tenue. Tegen donker zagen we een rookpluim. We zijn erop afgegaan maar toen het donker was hebben we niets meer gezien. Om 7.30 n.m. uur was er alarm. Aan bakboord voer een groot schip. Met een klein seinlampje werd ons duidelijk gemaakt dat het een bevriend schip was dat uit angst voor ons de lichten had gedoofd. Dagelijks werd er geoefend en werden er schepen aangehouden.

Op 25 september 1940 lieten we om 9.00 uur v.m. het anker vallen op de rede van Port Louis op Mauritius (Fr. ). `s Middags konden we gaan passagieren. Omdat het een zgn. gevaarlijk eiland was, gingen we met een grote ploeg de wal op. Na een stukje lopen kwam er een klein slecht gekleed jongentje naar ons toe. Hij sprak maar een paar woorden Engels "nice cool drinks and nice girls". Nu wij er achteraan. Even buiten de plaats met mooie huizen bereikten we over een rode stoffige weg een huis, waar het jongentje voor ons uit naar binnen ging. Het huis was opgetrokken van bamboe, in de grote kamer met planken vloer was een wand van gedek (gevlochten riet). Een paar meisjes kwamen met flesjes bier en limonade. De meesten namen limonade en we moesten gelijk betalen.

 Toen ging de deur in de rieten wand open en een prachtige, maar wel schaars geklede griet kwam in de deuropening staan en beduidde wie er met haar wilde meegaan en hoeveel het kostte. Nu, Wil (gefingeerde naam) zag er wel wat in. We zeiden: "Wil, niet doen". Nu, ja hij betaalde en ging naar de andere kamer. We riepen: "Wil we gaan weg", maar hij kwam niet. Toen bonkten er een paar op de wand, maar daar kon die wand niet tegen en viel onder veel hilariteit in elkaar en daar stond Wil, die net bezig was z'n broek los te maken. Er kwamen een paar zwarte mannen binnen en we riepen: "Wegwezen". Wil wist niet hoe vlug hij z'n broek dicht moest knopen. En wij rennen met de halve kampong achter ons aan en een grote rode stofwolk achterlatend. Toen we bij de villa's en de geasfalteerde straten kwamen, bleven we staan om even bij te komen. Onze achtervolgers stopten ook en gingen tekeer als wilde beesten. Toen we weer verder liepen ging de horde hard krijsend terug. Hierna zijn we maar naar een cafe in de omgeving van de haven gegaan, waar andere collega's zaten. Een van onze collega's was overvallen en beroofd. 

De volgende morgen gingen er 40 aangewezen bemanningsleden van boord voor een autotocht over het eiland. `s Middags mochten we passagieren maar er was niet veel belangstelling. Het was er te smerig en te warm. Op 27 september zijn we om 10.00 uur v.m. vertrokken. Het werd met de dag warmer. Op 8 oktober zagen we de toppen van de hoge bergen van Java boven de kim uitkomen. Enkele uren later werden we door bijna de hele vloot uit Nederlands Oost Indie tegemoet gevaren en door alle sirene's welkom geheten. De schepen escorteerden ons door straat Soenda. Aan bakboordzijde passeerden we het eiland Sumatra en aan stuurboordzijde Java. Het was tropisch warm.