THUISREIS MET DE HR. MS. TROMP
Door Adriaan Kannegieter

Voorafgaand aan dit laatste verhaal in de reeks: Adriaan Kannegieter verteld over zijn verblijf in Japans krijgsgevangenschap.

 Op 25 januari 1946 liep ik de valreep op. Toen ik op het dek van de Hr.Ms."Tromp" stapte, maakte ik, zoals gebruikelijk staande met mijn gezicht naar het achterschip, de groet voor de vlag. Nog nooit eerder was deze groet zo emotioneel geweest. Aan boord kwam ik ook Koos van der Spek weer tegen, die uit een ander kamp was gekomen. De Tromp was zwaar onderbemand naar Siam gekomen en zodoende was ik al als seiner ingedeeld. Uiteraard waren we in feite nog medisch ongeschikt om dienst te doen. Het was echter de wens van de admiraal Helfrich dat marinemensen die konden, zo vlug mogelijk uit de kampen werden gehaald. Alles werd gedaan om het ons zo prettig mogelijk te maken. Omdat in Nederland alles nog beperkt op de bon was, gingen we eerst als het ware een vakantiereis naar Australia maken. We hadden nog geen model marinekleding, maar er was wel voor ieder een nieuwe kooi. We moesten weer aan het Hollandse eten wennen, maar dat was geen probleem. Wat was dat wittebrood en beleg heerlijk. Ook hat Australische fruit was een delicatesse.

Op het seindek was de radarkamer en voor het eerst zag ik hoe ze vliegtuigen en schepen dichtbij en op grote afstand konden waarnemen. Ook de seiners hadden een klein verblijf op het seindek waar een typemachine stond. Aan boord was ook de zoon van admiraal Helfrich. Hij was altijd op het seindek. We hebben ontelbaar veel wedstrijden op de typemachine uitgevochten. Het ging steeds vlugger en beter met het gevolg, dat ik voordat we in Holland aankwamen, vlot kon typen. 

In de morgen van 30 januari hebben we het anker gelicht en koersten we zuid. Op 2 februari 1946 lieten we het anker vallen op de rede van Singapore waar nog een paar ex. krijgsgevangenen werden opgehaald. Nadat onze olietanks weer vol waren zijn we dezelfde dag vertrokken. Er was geen gelegenheid om te passagieren.
Op 7 februari 1946 gingen we ten anker op de rede van Makassar, Celebes (Sulawesi). We waren weer in onze kolonie. Het was een feest daar te passagieren. De bevolking begroette ons en gaven ons langslopend een hand. Ze gaven duidelijk blijk dat ze blij waren dat wij er waren. Veel bemanningsleden kochten hier sierstenen (echte) en de bekende Kendarische zilveren sierraden die buiten voor de woonhuizen werden vervaardigd en te koop werden aangeboden. In de morgen van de vierde dag werd hat anker gelicht. Na een patrouillevaart, wat voor ons meer op een toeristisch ommetje leek, langs Nieuw Guinea bereikten we Noord Australia.

Op 14 februari 1946 meerden we voor enige uren of aan de kade van Port Darwin. Dit is de enige Australische stad die door de Jappen was gebombardeerd, wat nog duidelijk te zien was. Nadat we door straat Torres zijn gevaren hebben we de ongebruikelijke, toeristische route achter het Barriere rif langs gevolgd. Uiteindelijk voeren we door de wonderschone baai van Sydney naar het centrum van de stad.

SYDNEY.

Op 23 februari 1946 meerden we of aan een betonnen pier aan de Circulair Quay dichtbij de beroemde Sydney Harbour Bridge. De dag van aankomst had ik de wacht. Toen er een jongen langs ons schip liep, vroeg ik aan hem of hij ergens fish and chips voor me kon kopen. "Oh, yes Sir". Ik gaf hem geld en juist toen ik dacht die zie ik nooit meer terug kwam hij aangelopen met een grote zak met moten gebakken kabeljauw en patat. Het is met geen pen te beschrijven zo lekker het was. Wat had ik hier lang naar verlangd. 

Ik ging dikwijls met Han Herbschleb, de chauffeur van de jeep van de commandant inkopen doen. Z'n moeder en zusje, die ook in een Jappenkamp gezeten hadden, waren evenals tante Alberdien en m'n nichtje Corrie van Java overgebracht naar een vakantieoord in de bergen vlakbij Colombo op Ceylon (Sri Lanka). Een leuk verhaal was, dat Han bustehouders moest kopen voor z'n moeder en zusje, maar geen maten wist. Hij keek rond en wees naar een dame en een meisje, die hun figuur hadden. Nu ja, we waren wel 3 jaar verder. Ik kocht o.a. lapjes stof, een ontbijtservies, sigaretten, zeep en winterondergoed met lange onderbroeken. Inmiddels hadden we modelkleding en schoenen gekregen. 

Dikwijls ging ik koffie drinken met taart in een lunchroom aan de Circulair Quay. Niet alleen om de koffie, maar ook om de waitress Dorothy. Toen zij een vrije middag had, zijn we samen de stad in geweest en hebben daarna op het grote grasveld in het drukke stadspark lange tijd zitten praten, ze was erg serieus en thuis waren ze meelevend lid van de Presbyterian Church. We waren echt verliefd op elkaar en gingen regelmatig samen ergens naar toe. We zijn geweest naar de "Sydney Zoo." het Lunapark, Manly Beach en Bonday Beach. Ook is ze een middag bij mij aan boord geweest toen ik de wacht had. Eenmaal ben ik met haar mee naar huis gegaan en begreep toen waarom ze het nooit te laat kon maken. Ze woonde in een klein plaatsje aan zee, maar nogal lang reizen vanaf Sydney. Eerst met de ferry en daarna nog een eind met de bus, die maar enkele keren per dag reed. Hun mooie huis stond enkele meters van de steile wand ongeveer 6 meter boven de zee. Via een eigen houten trap kwamen ze bij de zee, waar hun kleine motorbootje lag. Moeder was alleen thuis en we hadden een lang gesprek. Ze was erg lief. Vader was in dienst van het Gouvernment bij het kustwezen. 

Ook ik was spoedig weer op de bus aangewezen. Voor we uit Sydney vertrokken, heb ik Dorothy een gouden ring gegeven. Sydney is voor mij de mooiste stad, die ik ooit heb gezien. Na 3 fantastische weken zijn wij op 15 maart vertrokken. 
Op 17 maart 1946 meerden we of aan de "Princes Pier" in Melborne. De stad leek veel op die uit Amerikaanse cowboyfilms, met veelal lage halthouten panden. In de hoofdstraat tegenover het Flinders station gingen we naar de Hollandse club die in het gebouw van de ambassade gevestigd was. Het kon niet anders dan dat dit een stad was met veel inwoners gezien het groot aantal tourniquets van het station. 

Na een week vertrokken we koers west, de goede richting naar huis, want dat was ons einddoel waar we hartstochtelijk naar verlangden. Op 29 maart 1946 meerden we of in de havenplaats Perh in West AustraliŽ. We gingen met de trein naar de dichtbijgelegen stad Freemantle om te passagieren. Deze stad had een mooi station en was moderner dan Melbourne. We mochten niets meer kopen, omdat alle ruimtes, incluis de munitieruimen waren volgestouwd en het schip al onder het zeemerk lag. Toen ik Dorothy belde was ze juist even weg, maar ze moesten me wel de liefste wensen overbrengen voor het geval ik zou bellen. Ik had geen gelegenheid meer om later nog eens te bellen. 

Na 3 dagen vertrokken we. Na enige dagen varen had ik in de kaartenkamer op de zeekaart gezien, dat we naar Colombo gingen. Ik vertelde dit tegen Han Herbschleb. Han als de chauffeur van de commandant "overste Stam" kon wel een potje bij hem breken. Ook ik als enige ex krijgsgevangene seiner kon geen kwaad bij hem doen. Wanneer we samen op de brug waren, spraken we dikwijls over de jappenkampen. Toen ik dan ook de kans had, zei ik tegen de commandant, dat Han z'n moeder en ik m'n tante in Colombo wilden bezoeken. Hij zou kijken wat hij voor ons zou kunnen doen.

COLOMBO OP CEYLON (SRI LANKA)

Op 9 april 1946 gingen we niet ver van het door een hoge muur omgeven haventerrein voor anker, dichtbij een Nederlandse onderzeeboot. Al vrij vlug moesten we bij de officier van de wacht komen. Hij vertelde, dat we 24 uur verlof hadden en dat er onderaan de valreep een passagiersmotorbootje op een officier lag te wachten, die op de wal zou worden afgehaald en dan zouden we met hem kunnen meerijden. We mochten er geen ruchtbaarheid aan geven. Alleen de onderofficier van de wacht wist ervan. In een mum van tijd zaten we omgekleed in het bootje te wachten. Enige tijd later stapten we aan wal en nadat we in de grote stenen poort een paar vragen van de militaire douane hadden beantwoord omdat Han nogal veel bij zich had, konden we doorlopen. Buiten de poort stond een jeep met een marva. Nadat ze had gehoord wat onze bedoeling was, vertelde ze, dat de vrouwen enkele dagen tevoren met een schip naar Holland waren vertrokken. We werden buiten de stad bij een hotel afgezet, waar we konden zwemmen en waar ze ook badpakken hadden. Han en ik liepen te sjouwen met pakken waar veel spullen inzaten voor z'n moeder en zusje, die hij in Australia had gekocht.

Het zwembad was nog niet open. We hadden gezien dat er aan de overkant, ongeveer 50 m. van de weg een militair tehuis was, waar we toen maar zijn gaan biljarten.
M'n vriend Giel de Haan was gedurende de oorlog telegrafist geworden en had nu de leiding over een kleine Nederlandse basis (villa) in Colombo, waar ook een radio-telegrafieverbinding was tussen Nederland en India (Indonesia). Hij had lijsten van het Rode Kruis met namen van overledenen naar Nederland doorgeseind, waarop ook mijn naam op stond. Hij ging even op de Tromp op bezoek. Aan boord zag hij Koos van der Spek en vroeg aan hem of hij wist hoe het met Adrie was afgelopen. Van de Spek: "Afgelopen ? Die zit hier aan boord". Giel: "Ik bedoel Adrie Kannegieter". Van der Spek: "Ja heus, jouw vriend die zit hier aan boord". Giel dacht, dat z'n bloed in z'n aderen stolde. Niemand wist waar ik was. Toen hij bij de onderofficier van de wacht vroeg of hij mij wilde oproepen, moest hij wel zeggen: "Die is de wal op". Giel kon niets anders doen dan met een taxi naar de basis teruggaan. Na een paar partijtjes biljarten zei Han, dat hij wilde gaan zwemmen.
Ik zei joh, nog een partijtje, maar Han zei, dat hij geen zin meer had. Toen we aan hat begin van de oprijweg kwamen, passeerde er een taxi met opengevouwen dak. Ik hoorde een schreeuwen zag in een glimp een matroos in de taxi zitten en gilde: "Giel". De taxi remde als een gek. In een grote stofwolk van het remmen, vlogen twee vrienden elkaar met tranen in de ogen om de hals. Volgens de militaire voorschriften had ik in de houding moeten springen en de militaire groet moeten brengen omdat Giel korporaal was en ik nog maar puppes 2. Deze ontmoeting op een stipje ergens op de aardbol, had geen mens zo precies kunnen timen. Dit kan alleen maar beschikt zijn door Hogere Machten. Dit was geen toeval.

We zijn toen met Giel meegegaan naar de basis (villa). In deze villa logeerden ook de bemanningen van de marinevliegtuigen die tussen Nederland en India vlogen. Er was een kok, een keuken en een grote drankvoorraad. We hebben het weerzien dan ook uitgebreid gevierd. We hadden aan boord instructies gekregen, dat Ceylon de uitvoer van fietsbanden had verboden. Toen dit onderwerp ter sprake kwam, riep Giel iemand van het personeel. Tegen de avond kwam deze man me een kistje brengen, waarin normaliter "souvenirs olifanten" in verpakt worden. 'Welhaast iedere toerist nam zo'n souvenir mee, die in alle maten en prijzen te koop werden aangeboden. Er zat een stel fietsbanden in het dichtgespijkerde kistje. Wanneer het mis zou gaan, moest ik zeggen dat ik het op straat van een "Indian" had gekocht.

Ver na middernacht zijn we met een taxi naar de haven gegaan. Ik had behoorlijk veel gedronken, maar liep nu overdreven slingerend naar de poort met m'n kistje onder m'n arm. Han moest even uitleggen aan de douane hoe het zat met de dozen waar hij mee liep to sjouwen. Ik zette hat kistje op de dozen, maakte met m'n arm een slurfbeweging en brulde
"Elephant" (alles was daar Engels). De douane had meer slaap dan vaderlandsliefde. We lieten ons met een klein smal bootje naar boord roeien, nadat ik had gezegd wat ik zou betalen. Toen we vlak bij de Tromp waren stopte de IndiŽr met roeien en noemde een hogere prijs. Ik sprong overeind en pakte de IndiŽr bij de schouder en riep keihard "Row, or in the water". Ik had hard genoeg geschreeuwd, want direct daarna werd er vanaf de Tromp een zoeklicht op ons gericht. De IndiŽr koos eieren voor z'n geld en roeide ons naar de valreep, waar ik hem de afgesproken prijs betaalde. Giel had me verteld, hoeveel ik moest betalen en geld gewisseld, waardoor ik niet meer los geld in m'n zak had. Giel had me nog verteld, dat Henk Groen op de onderzeeŽr zat en ook op thuisreis was. 

Na een dag dat onze divisie de wacht had vertrokken we. Op 16 april 1946 lagen we in Aden enige uren voor anker uitsluitend om formaliteiten af te wikkelen voor doorvaart door de Rode Zee en het Suez-kanaal. Het was er bloedheet. Nadat alles was geregeld vertrokken we.
De vaart door de Rode Zee was erg warm en buiten het voorbij varen van andere schepen was er niets te beleven. Door het grootste gedeelte van het Suez-kanaal hebben we `s nachts gevaren, terwijl ik in dromeland was. Op 20 april 1946 lieten we op de rede van Suez ons anker vallen en werden met onze sloep naar de wal gebracht. Het wemelde er van rondlopende straatventers, maar we waren gewaarschuwd, dat je werd opgelicht wanneer je bij die lui kocht. Ik kocht hier in een winkel o.a. 2 Marokaans lederen kindertasjes en veel Egyptische sigaretten, die verschrikkelijk goedkoop waren. Ze waren langs de weg goedkoper, maar je liep wel de kans dat het dan nep leer was en dat er in de doosjes geen sigaretten zaten. 

We lieten ons met 4 man met een prauw naar boord roeien. Langs ons schip lagen veel bootjes met kooplui, die van alles te koop hadden. Het was tinki-tinki (afdingen). We moesten eerst geld laten zakken, voordat we de gekochte spullen kregen. Ze hadden daar door de jaren wel geleerd, dat blanken ook niet te vertrouwen waren. Dezelfde avond vertrokken we. In de Middellandse Zee werd het koeler en zaten we weldra in een zware storm. Na enige dagen hadden we weer prachtig weer. Op een nacht toen ik de wacht had, naderde er in de verte een schip. Ik kreeg opdracht om "naam te wisselen" (dit is een gebruikelijke groet tussen passerende schepen). Ik riep het schip op en seinde "Dutch warship Tromp bount for Amsterdam" het antwoord luidde: "Hospitaalschip Maatsuiker met bestemming N.O.L. We wensen u een behouden vaart en een feestelijke thuiskomst". Ik moest reageren "Hartelijk dank en goede reis". Dit was leuk en riep je weer tot de realiteit. We waren haast thuis, nog een haven.

Op 27 april 1946 meerden we of aan een kade in Gibraltar. Het was miezerig weer en ben daardoor maar kort de wal op geweest. In deze belastingvrije haven kocht ik een paar voetbalschoenen en een grote papieren zak met sinasappelen. Omdat de zak was nat geworden sneed ik van een kapotte dubbeldoekse Nederlandse vlag de rode en witte baan of en deed de sinasappelen in de blauwe baan. Ik verborg de zak in de vlaggenkast. Ik had nog met Dorothy gebeld en ze vertelde "honestly", dat ze er eigenlijk toch niets voor voelde om naar Nederland te komen.

Toen we in dichte mist door Het Kanaal voeren hadden we bijna een aanvaring. Ik had de wacht en schrok me wezenloos toen ik het hoge vrachtschip uit de mist op ons of zag komen en dacht "dag mooie spulletjes". Doordat de fout in de radarkamer direct was opgemerkt, konden we nog tijdig volle kracht achteruit slaan. De fout lag in het feit, dat onze radarkamer een schip op een graad over stuurboord meldde. De officier van de wacht dacht, dan moet ik naar bakboord. Het vrachtschip dacht "terecht" dit is een schip recht vooruit en stuurde stuurboord. Na een korte paniekstemming liep deze zaak gelukkig goed af en voeren we zo dicht langs elkaar dat de kapitein van het koopvaardijschip zonder versterking iets naar onze commandant schreeuwde wat zeker niet iets vriendelijks was.

TERUG IN NEDERLAND.

Op 3 mei 1946 was ons eerste contact met het vaderland in de sluizen van IJmuiden, waar honderden mensen stonden om ons welkom te heten. Ook langs de oevers van het Noordzeekanaal stonden op veel plaatsen groepen mensen ons toe te wuiven. Het was een feestelijke binnenkomst. De bemanning stond aangetreden volgens de paradeerrol toen we het stenen hoofd in Amsterdam naderden. Ik stond op het seindek. Op de kade stonden honderden familieleden, die hun relaties minstens 6 jaar niet gezien hadden. Al snel ontdekte ik m' n moeder met een broer tussen de schreeuwende en zwaaiende massa. Het werd een heerlijk, maar ook emotioneel weerzien: Toen m'n broer vroeg wie hij was, zei ik; Hans" , dus mijn 2 jaar jongere broer. Het was Cor, die 6 jaar jonger was. Duidelijk kwam hiermede tot uitdrukking dat ik een aantal jaren kwijt was. 

Al spoedig gingen veel collega' s met hun familie mee naar huis. Ik had de wacht en daarom bleven moeder en Cor tot in de namiddag. Ik zou de volgende dag vrij zijn. Voordat ze weggingen zei moeder, dat ik niet moest schrikken, wanneer ik met de trein langs Rotterdam reed, omdat er vanaf station DP ( CS) tot de Maas geen huis meer stond. Ze namen alvast 2 koffers en een doos mee. De rest van de bagage zat nog in de ruimtes. De volgende morgen ging ik met lege handen naar huis. In de loop van de dag zou onze bagage op rij-routes in een loods worden opgeslagen. Het was zeer aandoenlijk toen ik in Rotterdam vanuit de trein het voor mij zeer bekende gebouw van de Holland Amerika Lijn aan de overkant van de Maas kon zien. Alles was kaal, er stond geen huis tussen. Bij Zwijndrecht moest ik overstappen op bussen, die passagiers naar Dordrecht brachten. Op de verkeersbrug zag ik uit de bus, dat er een overspanning van de spoorbrug aan een kant in het water hing. Hoe dichter ik bij Dordrecht kwam, hoe triester ik me voelde. Ik was uit de deur gegaan van ons eigen geliefde huis in Hillegersberg en moest nu naar een vreemde stad en een vreemd bovenhuis zonder badkamer of douche. 

Collega's die de eerste dag al naar huis waren geweest, vertelden over een feestelijke thuiskomst met familie, buren, vlaggen, spandoeken en bloemen. M'n verwachting was dan ook hoog gespannen. Tenslotte van een gezin met 6 kinderen mag je wel wat verwachten.
Weliswaar woonden Zus en Piet in Middelburg op de Veerse singel. Hans was getrouwd met de Dordse Bep van de Linden en woonden "in" bij opa en oma de Lege, de ouders van tante Sjaan in Vlissingen en zat Bert ergens in Indie. Bert, die was getrouwd met Marrie Kleiberg, een dochter van de kaasboer uit de Vondelstraat, niet ver van ons huis.
Omdat de bus naar Krispijn pas na lange tijd vertrok, ging ik maar naar de Krispijnseweg lopen. Aan het huisnummer kon ik zien waar ik moest wezen. Helaas een koelere thuiskomst was niet mogelijk. Moeder, Cor, Pol en Marrie waren thuis en wanneer Marrie niet voor een bos bloemen had gezorgd, was er helemaal niets bijzonders geweest. Het was wel zo, dat het meeste wat er te koop was op de bon was. Na een paar kale kopjes koffie, dacht ik nu komt de gein van de koffers uitpakken.
Zelfs die lol was me ontnomen, want ze hadden alles al netjes opgeborgen. Voordat ik erom vroeg, werd me verteld dat m'n postzegelverzameling tijdens de verhuizing was gestolen. De verhuizers hadden gedreigd aan de Duitsers te verraden dat m'n broer Bert een revolver had, wanneer ze aangifte zouden doen bij de politie. Ik had liever gehoord dat ze geruild waren voor eten, daar had ik geen moeite mee gehad. Het was de zoveelste teleurstelling bij m'n thuiskomst. In plaats van blij te zijn kon ik wel janken.

Vader werkte nog steeds op het Ministerie van Scheepvaart in New York en had in de oorlog een goede vriendin gevonden, een Nederlandse Joodse weduwe, die een winkel had in textiel en babykleding. Vader was al een keer thuis geweest en wilde weer gaan varen, maar werd afgekeurd. Hierna is hij weer naar zijn oude baan in New York teruggegaan. Later hoorde ik, dat hij dezelfde ervaring had als ik.

Regelmatig werd er van alles opgestuurd of moest er bij de loods van de H.A.L. via een achterdeur iets worden opgehaald. Meestal grote dozen belastingvrije Lucky Strike sigaretten. Dit was ook een manier om z'n gespaarde geld over te maken en zelfs te verdubbelen of meer dan dat. Er worden verhalen verteld over wat vader allemaal had gestuurd uit Amerika en Cor wist precies waar en hoe alles in de zwarte handel kon worden verkocht. Ik dacht: "Dan had je in dat circuit ook wel iets voor bij de koffie kunnen kopen". Nee, ik voelde me hier niet thuis. Mijn besluit stond vast, ik moest zo spoedig mogelijk zelf een warmer nest opbouwen. Nog voor de middag ging ik naar het postkantoor om Dorothy te bellen. Het was daar al avond en ze was thuis. We besloten als goede vrienden de relatie te beeindigen.
Omdat er nog maar weinig treinen reden en de reis naar Amsterdam nog lang duurde, kon ik 's morgens niet op tijd aan boord zijn, daarom nam ik de laatste trein en kwam even na middernacht in Amsterdam aan.