Henri Houben als Engelandvaarder ...om zijn land te dienen - deel 1

Bron: Brons - orgaan van de vereniging BL en BK

Henri Houben is op 15 december 1938 in dienst getreden als beroepsmilitair bij het Korps Mariniers op het Oostplein te Rotterdam. Hun oefenterrein lag voornamelijk in Crooswijk en op de schietbaan bij Kralingen.
De gevechtsopleiding werd praktisch onderwezen op de Waalsdorpervlakte en in een tentenkamp op de Harskamp. Na een jaar opleiding werd hij marinier der 3e klasse en overgeplaatst naar het mariniershuis, achter de mariniers kazerne in het "Huis Groenendaal". Uiteindelijk belandde hij in het marinedepot aan de Mecklenburglaan.
Ondanks de mobilisatietijd was Henri voorbestemd om te worden uitgezonden naar de Nederlandse Antillen om daar dienst te gaan doen aan boord van een Hr.Ms. Schepen om zijn brevet te halen als kanonnier. Voor hem (misschien) te laat want op 10 mei om 03.00 uur brak de oorlog uit met Duitsland.

De bemanning van de marinierskazerne bestond uit circa 300 man, waarvan 200 mariniers in opleiding, wat vaste bemanning en kader. De bezetting van het marinedepot was 150 mariniers en ca 600 zeemiliciens. Met deze mariniers en matrozen moest de strijd worden aangebonden tegen de Duitsers rond de Maasbruggen, bij de Vierleeuwenbrug, het Witte Huis en de Boompjes tot de dag van de capitulatie van de Nederlandse Strijdkrachten en na het bewuste Bombardement van 14 mei omstreeks 13.30 uur op Rotterdam.

Toen vroeg hij zich af, `wat heeft de burgerbevolking van Rotterdam te maken met deze oorlog'. Hij geloofde werkeljjk dat het een gevecht was van man tegen man, een gevecht van Nederlandse militairen tegen over de Duitsers en zoals later zou blijken tegen de overheersers van het Nederlandse volk.

Bij die Duitse bombardementen kwamen 800 burgers om en werden 75.000 mensen dakloos. Hij dacht `dit is afschuwelijk en misdadig; militairen vechten tegen militairen en niet tegen onschuldige burgers'.
Dit is misschien de rede voor Henri geweest om zich volledig in te zetten voor een vrij Nederland.
Hoe en op welke manier kon hij op dat moment nog niet bevroeden?
Of zoals hij het zelf verwoordt: "Wij waren er totaal niet op voorbereid. Het was een ongelijke strijd tegen zo'n overmacht moesten wij hoe dan ook het onderspit delven".

Verschillende acties werden uitgevoerd door jonge jongens nauwelijks drie maanden in dienst, zowel mariniers als zeemiliciens, Zij moesten de strijd aangaan tegen de zwaar bewapende Duitsers. Het vliegveld Waalhaven werd gebombardeerd en er werden parachutisten gedropt om de Maasbruggen te bezetten en er landde enkele watervliegtuigen op de Maas.
Zwaar bewapende Duitsers, bezetten de noordelijke oprit van de Willemsbrug en de spoorbrug. Vele werden gedood en/of raakten gewond. Kortom er gebeurde zoveel dat hij het nauwelijks kon bevatten.
Of zoals hij aangeeft: `iedereen vocht voor wat hij waard was'.
Zelf raakte hij betrokken bij gevechten die plaats vonden bij de ' Boompjes, maar door zwaar vijandelijk vuur van mortieren en mitrailleurs vanaf het Noorder-eiland, moest de groep waartoe hij ook behoorde zich terugtrekken met medeneming van de doden en gewonde makkers.

Toch is er een moment geweest dat de Duitsers gedwongen werden halt te houden bij de Maasbrug. Het werd hun even te gortig. De zwarte duivels vochten hun strijd voor hun stad "Rotterdam". Uiteindelijk moesten zij het hoofd buigen voor de overmacht zeker nadat op 14 mei rondom 13.30 uur de eerste bommen op Rotterdam vielen.
De laatste stuiptrekkingen zoals de vernieling van de spoorviaducten werden uitgevoerd. Personeel dat gelegerd was aan de Mecklenburglaan werd de stad in gestuurd voor hulpverlening, wat dat dan ook moge hebben voorgesteld in deze absolute fase van de grote verwarring.

Een kapitein van de Genie arriveert met de capitulatievoorwaarden . Er werd contact gezocht met Den Haag wat niet meer mogelijk bleek. De verbinding was verbroken.
Rond 14.30 uur valt het besluit om te capituleren.
Kolonel der Genie Scharroo arriveert op het Noordereiland om de besprekingen te voeren met de Duitse generaal Schmidt wat uiteindelijk leidde tot het niet uitvoeren van het tweede bombardement op Rotterdam.
Het zal rond 16.50 uur zijn geweest dat de Nederlandse opperbevelhebber generaal Winkelman zijn ondercommandanten gelast de strijd te staken.Om 19.00 uur maakt het ANP de capitulatie bekend.

Henri raakte in krijgsgevangenschap en verbleef daarin tot 29 juli 1940 op Hr. Ms. Balderan van de Koninklijke Rotterdamse Loyd en vervolgens in hot gebouw van Unilever to Rotterdam.
Op verzoek van de Burgemeester en Hoofdcommissaris van Politie werden de mariniers vanuit hun krijgsgevangenschap ingezet om de vele plunderingen en de ontstane chaos, samen met de Rotterdamse politie het hoofd te bieden. Het was bijna een bovenmenselijke taak.
Vaak kregen zij het aan de stok met N.S.B.ers en W-A lieden, want die veroorloofden zich om tegen diverse patrouilles te laten zien dat zij het voor het zeggen hadden. Met alle gevolgen vandien.

Een voorval, waarbij hijzelf direct betrokken raakte, was bij de Vierleeuwenbrug waar twee Engelse vliegtuigbommen waren afgeworpen.
Twee Duitse officieren wilden de brug passeren maar werden door hem gewaarschuwd dat de brug niet veilig was, maar hij vertelde er niet bij dat er twee vliegtuigbommen lagen die 's nachts door de Engelse vliegtuigen waren afgeworpen. Zodra de officieren de brug waren gepasseerd ontploften de vliegtuigbommen. Doch de Duitsers waren al op een veilige afstand. Voor hem volgden een paar angstvallige minuten. Maar zijn daad had verder geen gevolgen. Hij had ze immers gewaarschuwd.

Op 29 juli 1940 mocht hij naar huis, maar eerst moest er een verklaring op erewoord (Ehrenwortliche Erkldrung) worden getekend bij de Duitse commandant. Niet tekenen betekende `krijgsgevangenschap'.
Henri dacht daar heel anders over, en met hem vele anderen. Hij dacht `wat is een erewoord waard'! Hij voelde het als zijn plicht te tekenen en het verzet in te gaan.
Hij zegt: "De Duitsers hadden zelf hun erewoord geschonden door als een dief in de nacht Nederland binnen te vallen en Rotterdam te bombarderen. Een niet aanvalsverdrag, gesloten op 26 augustus 1939, tussen de Duitsers en de Russen, was besloten de neutraliteit van Nederland te repecteren. Maar des ondanks vielen zij Nederland binnen". Ondanks het besef dat op het moment dat je tekende de schending van het erewoord een absolute halsmisdaad betekende. Op 14 juli 1940 tekende hij die verklaring.

Het arbeidsbureau in Maastricht heeft Henri meerdere malen opgeroepen om als metaalarbeider te werken in een machinefabriek in Hamburg. Keer op keer heeft hij dat geweigerd. Wel heeft hij werk verricht in de centrale keuken van Maastricht, hij deed daar dienst als hulpkok en heeft daar gewerkt tot 4 juli 1942.
In de centrale keuken begon hij actief te worden in het verzet. Hij verspreidde daar folders met de namen van winkeliers die lid waren van de N.S.B. en. andere blaadjes die met het verzet te maken hadden. Daarnaast `organiseerde' hij zoals hij het zelf noemt, in de keuken allerlei voeding voor de onderduikers in Maastricht. Ondertussen had hij al gesolliciteerd bij de Nederlandse Spoorwegen, waar hij op 20 mei 1942 wend aangenomen en geplaatst als assitent-ladingmeester te Maastricht. Dit was bet moment waarop hij zich daadwerkelijk ging inzetten voor het verzet.

Het verzet bij de N.S. was gebaseerd op: Om alle organisaties te verwarren en te vertragen, door wagons bestemd voor het Duitse leger naar andere bestemmingen te dirigeren of door sabotage te plegen en langzaamaan-acties uit te voeren bij de verschillende stationsdiensten, en om belangrjjke gegevens omtrent Duitse transporten door te spelen naar Londen.
Bij een actie van verzet werd een ladingmeester opgepakt en na verhoord te zijn, afgevoerd naar een concentratiekamp in Duitsland.
De manier van verhoren heeft de ladingmeester niet overleefd. Enkele weken later is hij overleden.

Meerdere sabotagedaden werden gepleegd. Later heeft hij pas vernomen dat bij sabotage aan eigendommen van de Duitse weermacht, waarbij de daders niet werden gepakt, de stad Maastricht een boete kreeg opgelegd van 25.000 gulden.
Zelf hield hij zich bezig met het verspreiden van het ondergrondse blad "Vrij Nederland" en zogenaamde brandplaatjes van het Koninklijk gezin, waar een gevangenisstraf op stond van 5 jaar.

De Stakingen.
Het bleef niet bij de studentenstaking in 1940 en de februaristaking in 1941. In 1943 gelastten de Duitsers dat de leden van de voormalige Nederlandse weermacht opnieuw in krijgsgevangenschap zouden worden afgevoerd.
De schrijver Gerhard Hirschfeld verwoordt het in zijn boek `Bezetting en collaboratie 1940-1945' alsvolgt: " In april 1943 beval Hitler, na uitvoerig overleg met zijn paladijn Rauter in zijn functie als Generalcommissar in Nederland, dat de eind mei 1940 uit krijgsgevangenschap ontslagen militairen nu opnieuw in krijgsgevangenschap moesten worden afgevoerd om in het kader van de arbeitseinzatsz te werk worden gesteld ".

Dit bericht leidde onmiddellijk tot stakingen in Hengelo, die zich snel over het hele land zou uitbreiden. Bijna 1 miljoen Nederlanders legden het werk neer en er ontstonden ernstige ontwrichtingen in het verkeer en in de aanvoer van levensmiddelen en gebruiksgoederen. De aanvankelijk verraste Duitse veiligheidsdiensten reageerden met hun gebruikelijke hardheid en meedogenloosheid tot 7 mei 1943. De Duitsers kondigden het `standrecht' af. Duizenden stakers werden gearresteerd, bijna 200 mensen werden op straat gefusilleerd of op straat dood geschoten en vele werden gewond.

Het overbrengen van Nederlandse arbeidskrachten naar Duitsland diende aanvankelijk te geschieden op basis van vrijwilligheid die Seyss-Inquart in de zomer van 1940 als grondslag van het Duitse beleid had aangekondigd. In theorie werd dit ook uitgevoerd tot aan het voorjaar van 1942, toen het moest plaats maken voor de dirigistische aanpak van Sauckel. In feite echter was dit principe al uitgehold door een reeks beperkende en verplichte arbeidsdienst, aanvankelijk was het bestemd voor werkelozen maar later ook voor mensen met een volledige betrekking. Dit betekende een gradueel verschil met het tot nu toe gevoerde arbeidsbeleid. Reeds in februari 1941 had de Reichscommissar de beruchte "verordnung 42' uitgevaardigd, volgens welke iedere Nederlandse burger verplicht te werk kon worden gesteld. Degenen die weigerden moesten naar een strafkamp worden gezonden.

Henri meldde zich dan ook, maar weigerde steeds. Hij zij nou dank u wel. En vertrok weer ondanks alle dreigementen die men gebruikte om hem te overreden zich te melden voor arbeid in de metaalfabriek in Hamburg. Tijdens deze staking met het N.S. personeel was afgesproken dat; als er gestaakt moest worden dat Henri een seintje zou krijgen. 's Morgens had hij dienst als overwegwachter op een van de overwegen in Maastricht toen hij een seintje kreeg om in staking te gaan. Het hele spoor was in staking. Hij sloot de overweg en verliet de post en ging naar huis. Na een half uur kreeg hij bericht dat de staking om een of andere reden niet was doorgegaan. Hij is direct teruggekeerd naar de overweg, want het spoorverkeer was normaal. Zelf zegt hij: dit was gelukkig goed afgelopen omdat van de staking ter plaatse niets was uitgelekt. Daardoor ontsnapte hij de dans.

Achteraf bleek een mis-communicatie met Londen de oorzaak. Wel reageerde Londen op het voornemen van de Duitsers om gewezen militairen in krijgsgevangenschap of te voeten. Aan deze oproep is min of meer in grote mate gehoor gegeven. Van de 300.000 leden van de Nederlandse weermacht zijn 11.000 in de periode mei tot augustus 1943 in krijgsgevangenschap afgevoerd. Velen hoefden niet te gaan wegens het in bezit hebben van echte danwel valse "Ausweisen". Anderen die deze papieren niet hadden doken onder of bleven gewoon thuis.

De vlucht.
Henri moest zich melden op 10 mei 1943 in het concentratiekamp te Amersfoort. Twee redenen dwongen hem daar niet op in te gaan. De oproep van radio Oranje door Hare Majesteit Koningin Wilhelmina om zich niet te melden als krijgsgevange, maar nog meer zijn activiteiten in het verzet.
De grond werd mij te heet onder de voeten zegt hij daarover. En gelijk heeft hij gekregen want even later volgde een huiszoeking. De vogel was gevlogen.
Na eerst bij hun chef te rade te zijn gegaan met de vraag of hij hun weg kon halen van de werkzaamheden bij de Duitsers en ergens anders te werk kon stellen' , was het antwoord nou niet wat zij ervan verwachten: Ik kan dat niet! Melden jullie beiden zich maar in Amersfoort en zeg dat je op het spoor werkt, dan kom je wel vrij.
Hij heeft toen maar contact opgenomen met het verzet en gevraagd hoe en op welke manier hij naar Engeland kon komen. 's Morgens werd hij benaderd op het station in Maastricht samen met zijn maat Willy Cuppens eveneens werkzaam bij het spoor en ook in dienst geweest bij de marine.

Zij hadden een ander plan voor zich zelf bedacht. Henri en zijn maat Willy Cuppens melden zich op 10 mei 1943 's morgens vroeg op het station in Maastricht volgens afspraak voor transport naar Amersfoort bij de Duitse transportofficieren.
In hun koffers hadden zij niet alleen proviand en kleren maar ook hun spoorpet verstopt en zodra zij in de trein zaten, op weg naar het concentratiekamp Amersfoort, haalden zij de pet uit hun koffer te voorschijn en zette deze op hun hoofd. Vervolgens stapten ze gewoon aan de andere kant van de trein weer uit en liepen richting zuid zoals dat bij het spoor werd genoemd.
Volgens Henri had het erewoord geen waarde meer, want zegt hij; 'een krijgsgevangene mag vluchten'.

Langzaam maar zeker bereikten hij en zijn maat de Brusselseweg voor nadere instructies en daar troffen zij Willy Symons , leider van het verzet, ook Fons Claessens en Hubertus Houben aan.
De orders voor Henri waren duidelijk: `begeleidt Willy,Fons en Hubertus naar Engeland'. De dag brachten zij in stilte door. Op 11 mei vertrokken zij naar Belgie richting Smeermaas, de plaats waar zij de grens over wandelden naar Lanaken en vandaar verder met de tram naar Tongeren en dan per stoomtram naar Vise, rustig van tram verwisseld en met de electrische tram naar Luik. Nadat zij in de Grande Bazar op de Place St. Lambert een kop koffie hadden gedronken werd de reis voortgezet richting Brussel station Gare du Nord, vanwaar zij te voet gingen naar hun contactadres.

Het was een Kruidenierswinkel op de Rue Cauce te Waterloo van eigenaar Monsieur Lamber, commandant van de Witte Brigade in Brussel. Hier zijn zij gebleven tot zaterdag 15 mei 1943. De tijd werd gebruikt om de kaarten te bestuderen, die zij nodig hadden, en de namen van contactpersonen die hun verder op weg moesten helpen, in hun geheugen te prenten. In totaal zaten zij in Brussel 4 dagen ondergedoken zonder enig contact met de buitenwereld. Op 15 mei 1943 was het dan zover. Zij vertrokken 's morgens vroeg van het station Gare du Nord naar Charleroi om daar over te stappen naar Erquelinnes ( Frankrijk). Zij reisden in groepjes van twee man; Willy Cuppens met Fons Claessen, die goed Frans sprak en Henri met Hubertus Houben die drie talen sprak zowel Duits, Engels als Frans.
De grootste zorg was elkaar niet uit het oog to verliezen, vooral tijdens een razzia door de Duitse soldaten en de S.D. (Sicherheitsdienst). 

Noodgedwongen hebben zij zich hier moeten splitsen omdat het gevaar te groot was om ontdekt te worden. Maar goed ook, want hierdoor ontsnapten zij aan de Duitsers. Henri en zijn vluchtmaat Hubertus hadden zich vertopt in een nis van een tunnel. Toen de razzia was afgelopen konden zij de andere groep niet meer vinden en zijn zij verder gereisd zonder Willy en Fons. Zij zouden hen niet meer terug zien dan veel later in Madrid. De reis werd vervolgd naar Erquelinnes Village waar zij zonder moeilijkheden uit de trein zijn gestapt. Er was wel controle door de Duitsers, maar deze hindernis werd zonder veel moeilijkheden genomen.
Aan een wat oudere vrouw werd de weg gevraagd naar Monsieur Pettegem, hun eerste contact adres in Erquelinnes Village, zodat zij hun vlucht konden voortzetten. Het was een kruidenierszaak die op de grens van BelgiŽ en Frankrijk lag. Daar werden zij eerst aan een verhoor onderworpen alvorens de vraag kon worden gesteld hoe en op welke wijze zij naar Engeland konden vluchten . Twee mogelijkheden hadden ze in gedachten namelijk; via BelgiŽ, Frankrijk, Zwitserland ofwel via Frankrijk, Spanje en Portugal om uiteindelijk in Engeland deel te kunnen nemen in de strijd Europa vrij te krijgen van de Duitse onderdrukking met als hoofddoel de bevrijding van Nederland en het herstel van het Huis van Oranje. 

Gekozen werd voor de route via Zwitserland.
Na een goede maaltijd werd de nacht doorgebracht bij van Pettegem, en zijn zij op 16 mei 1943 als Franse Spoorwegmensen, met pet, vertrokken als treingeleiders en als reserve-machinisten met een Franse transporttrein naar Terreir, waar zij in de nacht van 17 mei 1943 arriveerden en vandaar werd de reis voortgezet naar Laon om uiteindelijk op 19 mei te Dyon aan te komen. Problemen onderweg waren er niet ondanks dat de transporttrein volgeladen was met materiaal voor een Duitse organisatie Todt, bestemd voor het bouwen van bunkers. Zelf sliepen zij in de wagon direct achter de locomotief. Terwijl de Duitsers inclusief het bedieningspersoneel van het afweergeschut van de Wehrmacht in de daarop volgende wagon verbleven.

In Dyon zijn Henri en Hubertus uit de trein gestapt en hebben de reis te voet voortgezet, met als richtlijn de rivier Ouche, tot de plaats Dole. Zij moesten de stad Besancon zien te bereiken en daar aan voedsel zien te komen dat deden zij via de rivier Doubs. Ondanks alle spanning genoten zij toch van het prachtig landschap van het gebergte de Jura, waarin de rivier zich voortbewoog.Een prachtige groene kloof en aan beide zijden, hellingen van zo'n achthonderd meter welke de grens aangaven van Frankrijk en Zwitserland.
Bij een katholiek klooster werd geprobeerd iets te eten te krijgen hetgeen niet lukte. De Broeder portier werd boos en stuurde hen weg. Dan maar een stokbrood gekocht bij de plaatselijke bakker. Om vervolgens aan een stationsambtenaar het tijdsstip van vertrek te vragen voor de trein naar Pontarlier.

Zij stapten op de trein en hielden elkaar in de gaten, door wel in dezelfde coupe maar niet op dezelfde bank plaats te nemen, en deden alsof zij de krant aan het lezen waren zodat ze elkaar gedurende de reis in de gaten konden houden, want de reis duurde ongeveer een uur over een afstand van nog geen 70 kilometers. Vanaf Pontarlier moest worden getracht de grens van Zwitserland te bereiken dit deden zij door te voet zodicht mogelijk bij de grens te komen, maar eerst hebben zij de nacht doorgebracht bij een boer in het dorp Mont-Combe achter de houtstapel. De hond van de eigenaar begon te blaffen en waarschuwde de boer. Aan hem hebben zij zich kenbaar gemaakt en gevraagd of zij mochten slapen. s'Morgens 20 mei 1943 zijn zij vertrokken naar het dorp Fourgs. Omstreeks 12 uur hebben zij bij een boerderij om eten gevraagd en worden uitgenodigd binnen te komen, waar de tafel werd gedekt.