Henri Houben als Engelandvaarder ...om zijn lande te dienen - deel 2

Bron: Brons - orgaan van de vereniging BL en BK

Zwitserland was hun eerste doel.
Vanaf Pontalier werd getracht de grens te bereiken en op 20 mei 1943 waren zij dicht bij de Zwitserse grens aangekomen en bevonden zij zich in het Jura gebergten. Uiteindelijk bereikte zij het dorp Verrieres, een verboden gebied, waar regelmatig met honden door de Duitsers werd gepatrouilleerd. s' Middags kwamen zij aan bij het boerenbedrijf van de familie Gaston.
Na een goede maaltijd werden zij s' avonds naar de Frans-Zwitserse grens gebracht tot op een afstand van 400 meter, daar moesten zij over een vlakte lopen naar een schaapskooi die precies op de grens lag tussen de plaatsen Les Fourgs en Buttes. Het was goed weer en beiden liepen in de schaduw van de dennenbomen naar de afrastering van prikkeldraad die als afscheiding dienst deed.

Nadat beiden op honderd meter de grens waren gepasseerd werden zij aangehouden door de Zwitserse grenswacht die hen vertelde dat zij terug moesten omdat Zwitserland geen vluchtelingen mocht doorlaten. Na veel heen en weer gepraat werd hun toegestaan de commandant to spreken te krijgen. Inmiddels was het 21 mei 1943. De tijd die daar werd doorgebracht was ongeveer drie uur. De vrouw van de commandant maakte een broodmaaltijd gereed en ondertussen werd na veel gepraat en de nodige telefoontjes met zijn superieuren en na een aantal mislukte pogingen contact te leggen met de Nederlandse generaal van Tricht, die in Geneve zat, werd hun duidelijk gemaakt dat zij moesten terugkeren naar Frankrijk.

Na afscheid genomen te hebben, maar eerst voorzien van extra voeding en shag en vloei, werden Henri en Hubertus door de commandant weer teruggebracht naar de schaapskooi. Verder moesten zij het zelf maar uitzoeken. Na afscheid genomen te hebben gingen Henry en Ber ( Hubertus) het Franse gebied weer in. Omdat zij op de hoogte waren van de Duitse patrouilles, die om de twee uur voorbij zouden komen, liepen zij uiterst voorzichtig.
Eensklaps hoorden zij een zacht geluid en doken weg in het struikgewas in afwachting op wat zou gebeuren. Na niet al to lange tijd kwam er een Duitse patrouille voorbij. Zij dankte in stilte de boerenzoon voor het doorgeven van zijn kennis.
Voorzichtig weer verder, naar de schaapskooi en daarna naar de boer en zijn zoon in Grand-Mont-Combe. De gedachten dat hij die, aan de Zwitserse grens werd aangehouden en gefouilleerd kon rekenen, gegarandeerd te verdwijnen in een Frans werkkamp of gevangen te worden gezet in het smerige en gevaarlijke Fort Chapoly, waar flink werd geslagen en de mogelijkheid gefusilleerd te worden of naar een concentratiekamp in Duitsland te worden gestuurd, noopte hen tot grote voorzichtigheid.

Een veelvoud van mannen en vrouwen die het gewaagd hebben om in Nederland onder Duitse bezetting uit te komen hebben hun doel nooit bereikt. Vaak omdat zij onderweg door uitputting om het leven kwamen danwel gevangen werden genomen om daama te worden doodgeschoten, was voor Henry en Ber geen optie.
Henry vertelt daar over: "Ja, de boer keek raar op toen wij terug kwamen. Hoe kan dat nu? Een paar dagen geleden heb ik nog mensen weggebracht en die zijn niet terug gekomen'. Wij hebben hem onze ervaring verteld en dat wij zeker wisten dat de andere nu waarschijnlijk in een houthakkerskamp waren ondergebracht en dat was wat zij niet wilden.Voor ons was maar één gedachte van belang "hoe en op welke wijze komen wij aan de overkant".

De volgende dag zijn zij 10 kilometers landinwaarts gelopen naar een contact persoon die hen naar de trein bracht voor Besancon Zij moesten opnieuw naar het beginpunt in Frankrijk, maar nu naar het punt voor de route naar Spanje, in dat geval was dat Parijs.
Via een gesprek met een rangeerder van de Franse spoorwegen werden zij op een goederentrein gezet, in het remhokje, om via Henricourt, Langres, Chaumont, Troyes, Avon naar het station Grand du Nord to Paris.
Via sluipwegen over het emplacement het stationsterrein af. Daar achteraf stond een fietstaxi en die bracht hen naar het klooster wat zij als startpunt hadden opgekregen. De contactman in het klooster was een roodharige broeder uit Haarlem, een mooie kerel. Een week hebben zij in dat klooster doorgebracht.
Gek genoeg hebben zij in die week nog een bezoek gebracht aan de Eifeltoren, samen met de Haarlemse broeder met op hun hoofd een Franse baret.

Op 24 mei zijn zij vertrokken vanaf het station Gard-du-Nord to Paris naar het plaatsje Gien en daar zijn zij 2 dagen gebleven in een klooster om op 25 mei met de trein richting Villeneuve om daar bij een boer de nacht door te brengen. Dat was 14 kilometer verder op.
Henry zegt hierover : "Gecontroleerd werd er onderweg.. Maar er was een probleem zij hadden geen Franse papieren bij zich, wel een Nederlands paspoort. Nee het was een kwestie van voortdurend opletten en uitkijken. Telkens weer. Als zij de Duitsers zagen dan moest dat ruim van to voren zijn anders was het te laat. Het risico werd nog vergroot door dat ze met hun tweeen reisden. Soms moesten zij uit de trein gaan hangen totdat de controle voorbij was. En verder was het proberen gewoon te doen, wat veel concentratie en uithoudingsvermogen vergde. 

De rolverdeling over hun gedrag onderweg hadden zij van tevoren goed afgesproken. Ber (Hubertus) voerde het woord, immers hij sprak vloeiend Frans en Henry was een doofstomme. Dat zei hij ook als iemand vroeg waarom Henry niks zei. "
De vlucht werd te voet voortgezet en zij hebben bij een boer om onderdak gevraagd om de nacht door te brengen.
De nacht mochten zij doorbrengen in het stro, nadat zij eerst nog stokbrood met wijn hadden genuttigd. 's Morgens na het ontbijt werden ze door de boer op de bus gezet die hen naar de demarcatielijn bracht nabij Dyon.
Dyon was het knooppunt waar goederen en personen, gecontroleerd werden door de Duitse Feldchendamerie. Zij wisten dat de Franse burgers een Duits paspoort moesten hebben om van de ene zone naar de andere te komen. Het was voor beide te gevaarlijk om door de controle to komen.

Hier was het goed uitkijken geblazen en vooral rustig te blijven was een absolute vereiste. De bus was vol mensen maar beiden hadden zij plaats genomen bij de chauffeur. De demarcatielijn lag precies bij Moulins aan de rivier de Allter.
Goede raad was duur. Henry vroeg aan Ber of hij kon zwemmen? Want zij moesten zwemmend naar de overkant van de rivier zien te komen, om vervolgens verder te lopen tot de brug. Gelukkig waren hier geen schildwachten en zij konden hier gewoon passeren om vervolgens in het eerste beste cafe binnen te stappen. Door gesprekken die daar werden gevoerd konden zij vernemen dat de controlepost een dag van tevoren was opgeheven.

Op 26 mei 1943 werd de vlucht voortgezet om drie kilometer verder op de bus te stappen richting Vichy. Henry verteld daarover:
"Vichy was erg gevaarlijk en beruchte stad, want deze stad was volledig in handen van Duitsers zoals de Gestapo, S.D. en de Vichy politie, die met de Duitsers heulden ".
In Vichy hebben zij eerst nog een paar uur op de trein ( de Europa-expresse) moeten wachten. Deze moest van Duitsland komen via Parijs, en wat zij vreesden de trein zat vol met Duitse soldaten maar gelukkig ook burgers. Eerst hebben zij nog een tijdje op het perron staan praten met twee Franse nonnen om zich zo goed mogelijk verdekt op te stellen.
Vanuit Vichy werd de reis voortgezet met de Europa-expresse naar Toulouse, Tarbes naar Lourdes. Er was controle in de trein van Duitse Feldchendarmerie.Maar door op tijd naar de W.C. te gaan, of als de trein op een perron stil stond en er was controle, verlieten hij en Ber de trein aan de andere kant en slopen weer de wagon in als de controle van de reizigers voorbij was. Van de reizigers hadden ze geen last, die vroegen hun ook niets zodat zij goed door de controles zijn gekomen.

Op 27 mei kwamen zij aan in Lourdes en vandaar ging de tocht verder naar het bergplaatsje Ger in de Pyreneeen waar zij ongeveer een uur over hebben gedaan.
Ten westen van Ger lag de berg Pic-du-Pibeste, 1383 meter hoog. Daar hebben zij bij een wijnboer, monsieur Grosz, aangebeld en de naam genoemd van de pastoor uit het plaatsje Gien, waarop de boer hen binnen liet. Hier kregen zij gelegenheid zich te baden en te verschonen waarna de wijn op tafel kwam gevolgd door een lekkere maaltijd. De ontvangst was hartelijk. Zij wilden ondanks alle gevaren toch gebruik maken van de gelegenheid om de grotten van Lourdes te bezoeken, je zou kunnen zeggen dat zij ondanks de gevaren oog hadden voor wat hun innerlijk bezig hield en dat zij van de omgeving wilden genieten. Besloten werd dat op zondag maar te doen doch de werkelijkheid verstoorde hun uitstapje. Op zondagmorgen 28 mei 1943 kwam van een broer van monsieur Grosz dat enkele bergpassen weer vrij van sneeuw waren gekomen en dat deze op maandag 29 mei weer werden bezet door Duitse militairen. Dat betekende dat zij in plaats van naar Lourdes te gaan de tocht moesten voort zetten om de Duitsers voor te blijven.

De dochter van de boer, 30 jaar oud, bracht hen naar de pastoor van de kerkdorptjes Argeles en Gazost, aan de westkant van de berg Pic-du-Moulle, 2051 meter hoog. De bergpassen bij Argeles en Gazost zijn gesloten in de periode van november tot en met juni i.v.m. hevige sneeuwval waardoor zij niet begaanbaar zijn voor een tocht te voet. Daamaast waren er ook nog andere gevaren zoals; de omstandigheden in de Pyreneeen, een gebergte met steile hellingen tot 2500 meter hoog maar ook de Franse politie en de Duitse patrouilles waren een reeel gevaar. Dus volledige concentratie en een goede conditie was een vereiste.

Na afscheid te hebben genomen werd op 28 mei 1943, met als gids de dochter van de boer de tocht aanvaard, nadat eerst nog enkele wachtposten moesten werden gepasseerd wat vrij aardig lukte met een `Gute Morgen en Grusz Gott verliep alles goed.
Zij hadden beiden een basken-baret op hun hoofd en een werktas aan hun schouder, die gevuld was met brood-worst-melk en wijn, zodat zij op arbeiders leken van de wijnbouw. Bij de pastoor zijn zij een dag en nacht gebleven en hebben daar de kaarten van de route in de Pyreneeen bestudeerd. Van enkele punten werd een korte aantekening gemaakt op een sigarettenpapiertje, twee echte markante punten, zoals de bergmeren van de Spaanse grensprovincie Huesca, werden in het hoofd gegrift.

De meren lagen in het gebied van het Parc Nationale des Pyrenees, op een hoogte van 2556 meter boven de zeespiegel.
Op 29 mei 1943 vertrokken zij, zonder gids, door de Pyreneeen via de berg Cher, 2618 meter hoog. De tocht was zwaar en zij hadden kapotte handen van het klimmen over de rotsen daarbij kwam ook nog dat zij een halve dag in de volledige mist op `t hoogste punt hebben moeten doorbrengen. Zij konden niet verder want zij hadden geen uitzicht meer en het was vreselijk koud.
Henry zegt: "Het weer in de Pyreneeën is erg verradelijk vooral de plotselinge mist en de sneeuw maakte de tocht erg riskant.Bovendien was er het gevaar van Franse en Duitse patrouilles en dan ook nog de Spaanse Guardia Civil Bovendien waren zij eigelijk geheel onvoorbereid om deze tocht door dit berg land temaken met zijn steile rotswanden. Zich beschermen deden zij door elkaar warm te houden".

Bron: Brons - orgaan van de vereniging Bl en Bk.